Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM9514

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
10-566 en 567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

rekestnummer: Rek 10/566 en 567

uitspraakdatum: 7 mei 2010

Voorlopige voorziening artikel 287 b lid 1 Faillissementswet

in de zaak van [verzoekers],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers.

1. De vaststaande feiten en de procedure

1.1. Verzoekers huren van Stichting De Alliantie (hierna: De Alliantie), gevestigd te Hilversum, een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Bij vonnis van 9 december 2009 zijn verzoekers veroordeeld tot het betalen van een huurachterstand ad

€ 2.629,56. Wegens een nieuwe huurschuld van € 1.280,74 heeft de kantonrechter bij vonnis van 31 maart 2010 de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming van de door verzoekers gehuurde woning gelast. Deze ontruiming is aangezegd tegen 10 mei 2010. Verzoekers hebben thans een totale schuld bij De Alliantie van € 5.455,16.

1.2. Op 3 mei 2010 hebben verzoekers een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Gebleken is dat minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, van december 2001 tot augustus 2006, op verzoekers de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. De regeling is beëindigd zonder schone lei omdat verzoekers één of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen.

1.3. Verzoekers hebben bij voornoemd WSNP-verzoek van 3 mei 2010 eveneens een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet. Dit verzoek is ter zitting van 7 mei 2010 behandeld. Verzoekers zijn ter zitting verschenen. Namens de Alliantie en schuldhulpverlening van de gemeente, Plangroep [woonplaats], is niemand verschenen.

2. Het standpunt van partijen

2.1. Verzoekers hebben aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij pogen een minnelijke schuldregeling met hun schuldeisers overeen te komen dan wel – als dat niet lukt – om toelating tot de schuldsaneringsregeling zullen verzoeken. Hangende de poging om een minnelijke regeling tot stand te brengen is het voor verzoekers en hun gezin van groot belang dat zij niet worden ontruimd, nu zij geen vervangende woonruimte hebben. Verzoekers hebben dan ook aan de rechtbank verzocht om de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 31 maart 2010 te verbieden c.q. op te schorten.

2.2. Namens De Alliantie heeft Jongerius Gerechtsdeurwaarders zich per faxbericht van 6 mei 2010 op het standpunt gesteld dat de gevraagde voorziening dient te worden geweigerd, nu verzoekers al eerder een WSNP-traject hebben doorlopen, die is beëindigd zonder schone lei. Om die reden zou het verzoek ex artikel 287b lid 1 van de Faillissementwet reeds dienen te worden afgewezen. Ten slotte hebben zij aangegeven dat indien de voorlopige voorziening toch zal worden toegewezen, dit dient te gebeuren onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen volledig en tijdig voldaan worden.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat er sprake is van een bedreigende situatie als bedoeld in artikel 287 b van de Faillissementswet, nu de ontruiming is aangezegd tegen 10 mei 2010.

3.2. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoekers in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming met hun schuldeisers te komen over een minnelijke schuldregeling.

3.3. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

3.4. Uit hetgeen ter zitting is verklaard blijkt dat de totale schuldenlast thans circa

€ 17.000,- bedraagt. Verzoekers hebben ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat de huidige schuldenlast te goeder trouw is ontstaan. Een deel van de schuldenlast betreft schulden die langer dan vijf jaar geleden voor het indienen van het verzoekschrift zijn ontstaan en een deel van de schulden houden verband met de ernstige psychische problemen waarmee het gezin reeds sinds lange tijd is geconfronteerd. Van het bestaan van (louter) zogenoemde “consumptieve schulden” is in ieder geval niet gebleken.

Voorts is gebleken dat minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, op verzoekers de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. De rechtbank heeft ook kennis genomen van de geschiedenis van deze WSNP. Deels was sprake van onvoldoende bewindvoering waardoor de bewindvoering tot twee keer is overgenomen door een nieuwe bewindvoerder, deels was reeds toen sprake van psychische problematiek. Gezien artikel 288 lid 2 onder d van de Faillissementswet zijn verzoekers hoe dan ook derhalve aangewezen op een minnelijk traject via de schuldhulpverlening van de gemeente. Gezien de inkomenssituatie van verzoekers ten opzichte van de totale schuldenlast zou in een minnelijk traject aanzienlijk voor de schuldeisers gespaard kunnen worden waarbij de verwachting bestaat dat het (ruim voor de drie jaars-termijn) tot een volledige uitkering zou kunnen komen.

De heer [X] van Plangroep [woonplaats] heeft telefonisch desgevraagd bevestigd dat verzoekers onmiddellijk in budgetbeheer worden opgenomen en dat in dat verband de tijdige betaling van de huurpenningen is gewaarborgd. Verzoekers hebben ter zitting verklaard dat zij de huur van de maand mei 2010 reeds hebben voldaan.

Gelet op de psychische problematiek en de samenstelling van het gezin, ziet de rechtbank in bovenstaande aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen.

3.5. Indien verzoekers gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand brengen, dienen zij dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating van de wettelijke schuldsaneringsregeling in te trekken. Indien geen minnelijke regeling tot stand komt, dienen verzoekers dit eveneens onverwijld te melden. In dat geval zal terstond een datum voor de mondelinge behandeling van het verzoekschrift worden bepaald. Tot slot zullen zij indien zij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet handhaven, de rechtbank daarvan eveneens op de hoogte moeten stellen.

4. De beslissing

De rechtbank,

4.1. schorst de tenuitvoerlegging van het op 31 maart 2010 door de kantonrechter te Wageningen gewezen vonnis tot ontruiming van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] op, voor de duur van deze voorziening;

4.2. bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek verschuldigde huurtermijnen zullen worden voldaan;

4.3. bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden;

4.4. bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing op dit verzoek in kracht van gewijsde is gegaan;

4.5. bepaalt dat de hulpverlening van de gemeente [woonplaats] (Plangroep [woonplaats]), die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling zal uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid van de Faillissementswet.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 7 mei 2010.