Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM9327

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
190611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser baseert zijn primaire vordering op een inbreuk op artikel 10 van de Auteurswet door de verveelvoudiging en/of openbaarmaking van het bouwontwerp zonder de toestemming van eiser, nu gedaagde het bij brief van (datum) gedane voorstel heeft aanvaard om de samenwerking te beëindigen zonder gebruikmaking van het ontwerp.

De grondslag van de primaire vordering van eiser berust op de stelling dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de samenwerking zonder gebruikmaking van het ontwerp. Die grondslag kan niet slagen.

De rechtbank leest de grondslag van de subsidiaire vordering zo, dat eiser op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht een redelijke vergoeding vordert voor de door hem in opdracht van gedaagde verrichte werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 190611 / HA ZA 09-1782

Vonnis van 9 juni 2010

in de zaak van

[eiser],

handelend onder de naam Bouwkundig Adviesbureau [eiser],

gevestigd te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W. Seinen te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F. Dijkslag te Amersfoort.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 november 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2010

- de akte na comparitie tevens akte overlegging producties van [eiser]

- de antwoord akte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en [gedaagde] kennen elkaar via hun wederzijdse echtgenotes. [eiser] heeft voor [gedaagde] een voorontwerp, bouwtekeningen en constructieberekeningen gemaakt en een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend ten behoeve van de verbouwing van diens huis.

2.2. In de loop van 2007 is tussen [eiser] en [gedaagde] verschil van inzicht ontstaan over de wijze waarop de aanvraag van de bouwvergunning verliep. De samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde] is daardoor beëindigd voordat [eiser] zijn werkzaamheden had voltooid.

2.3. [eiser] heeft op 7 juli 2007 aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin hij ondermeer het volgende schreef:

Bij het verlenen van de opdracht heb ik je verteld dat een commercieel bureau hiervoor ca. EUR 22.000,00 excl. BTW in rekening zou brengen; jij stelde EUR 10.000,00 voor waar ik mee akkoord ging; volgens jou zijn wij een bedrag van EUR 3.000,00 of EUR 4.000,00 overeengekomen.

(…)

Het moge duidelijk zijn dat ik in de afgelopen periode steeds meer het vertrouwen in jouw correctheid in deze heb verloren zodat ik dan ook besloten heb de opdracht terug te geven.

Dat houdt in dat ik geen honorarium (meer) verlang maar dat jij van mijn tot op heden geleverde diensten, nu en in de toekomst, geen gebruik mag maken.

Ik verzoek je dan ook mij per omgaande alle tekeningen en berekeningen in jouw bezit, terug te zenden. Als jij de bouw wilt voortzetten staat dat je uiteraard vrij maar dan zul je in dat geval een ander bouwkundig plan moeten laten ontwikkelen dan ik heb gemaakt omdat mijn bouwkundig ontwerp mijn persoonlijk eigendom blijft ook al trek ik de aan mij verleende opdracht in.

Ik vertrouw erop dat jij je aan deze fatsoens-gedragscode houdt.

Mocht jij echter alsnog terugkomen op jouw besluit t.a.v. een aftrekbare gift, dan kun je uiteraard over mijn werk beschikken. Voor jou als ervaren ICT-er met, zoals je zo vaak hebt gezegd nogal wat management ervaring, resulteert dan volgens mij het totaal aan advieskosten in een bedrag van EUR 4.000,00; voor dit bedrag kun je beschikken over een bouwplan, bouwvergunning, tekeningen en alle constructieberekeningen. In dat geval is mijn honorarium negatief.

2.4. [gedaagde] heeft op 22 augustus 2007 de ontwerpdocumentatie aan [eiser] retour gestuurd.

2.5. Op 9 maart 2009 heeft [eiser] [gedaagde] een brief geschreven met ondermeer de volgende inhoud:

Van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer van de Gemeente Ede ontving ik bericht dat de bouwwerkzaamheden aan uw pand overeenkomstig de door mij op 04082006 aangevraagde Bouwvergunning gereed zijn. Zowel de interne als de externe verbouwing zijn uitgevoerd volgens het ontwerp zoals ik dat indertijd voor u heb ontwikkeld, berekend en getekend.

(…)

Teneinde deze onverkwikkelijke zaak spoedig, zonder langdurige juridische procedures af te ronden, verzoek ik u binnen twee weken na heden een bedrag van EUR 5.000,00 op mijn rekening 1255459 over te maken; indien dit onverhoopt niet het geval is rest mij geen andere mogelijkheid een juridische procedure jegens u inzake oplichting en diefstal te starten waarbij het gevraagde bedrag meer in overeenstemming zal zijn met alle door mij verrichte werkzaamheden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat – primair, subsidiair en meer subsidiair veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 9.520,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] baseert zijn primaire vordering op een inbreuk op artikel 10 van de Auteurswet door de verveelvoudiging en/of openbaarmaking van het bouwontwerp zonder de toestemming van [eiser], nu [gedaagde] het bij brief van 7 juli 2007 gedane voorstel heeft aanvaard om de samenwerking te beëindigen zonder gebruikmaking van het ontwerp. [gedaagde] betwist echter dat hij dit voorstel van [eiser] heeft aanvaard en voert aan dat het juist [eiser] is die reeds op een eerder moment de opdracht voortijdig heeft beëindigd. De brief van [eiser] zag [gedaagde], zo heeft hij op de comparitie verklaard, slechts als de brief van een geïrriteerde man.

4.2. De grondslag van de primaire vordering van [eiser] berust op de stelling dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de samenwerking zonder gebruikmaking van het ontwerp. Die grondslag kan niet slagen. De brief van [eiser] van 7 juli 2007 houdt geen aanbod in als vermeld onder 4. in de dagvaarding en [gedaagde] hoefde in die brief, mede gelet op zijn op de comparitie afgelegde verklaring (‘Ik heb de tekeningen teruggestuurd omdat hij daarom vroeg’ en ‘de brief van 7 juli 2007 heb ik slechts gezien als een brief van een geïrriteerde man’) redelijkerwijs ook niet als een dergelijk aanbod op te vatten. De brief van [eiser] bevat niet meer dan de aankondiging van [eiser] dat hij heeft besloten de opdracht terug te geven, dat dit naar zijn mening inhoudt dat hij geen honorarium meer verlangt, dat [gedaagde] nu en in de toekomst geen gebruik mag maken van de door [eiser] tot op heden geleverde diensten alsmede het verzoek per omgaande alle tekeningen en berekeningen terug te zenden. Voor het overige zijn geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat een aanbod als in de dagvaarding omschreven door [eiser] is gedaan. Het terugsturen van de tekeningen door [gedaagde] kan derhalve niet als een aanvaarding van een door [eiser] gedaan aanbod worden aangemerkt. Tussen partijen is dan ook geen overeenkomst als door [eiser] gesteld tot stand gekomen. Dat betekent dat de vraag of [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [eiser] door in strijd met een tussen partijen gesloten overeenkomst toch overeenkomstig het ontwerp van [eiser] te verbouwen, onbesproken kan blijven. De primaire vordering, en in het verlengde daarvan de op artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gebaseerde vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten, strandt derhalve.

4.3. De rechtbank leest de grondslag van de subsidiaire vordering zo, dat [eiser] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht een redelijke vergoeding (van EUR 9520,00 inclusief btw) vordert voor de door hem in opdracht van [gedaagde] verrichte werkzaamheden. In zoverre vordert [eiser] nakoming van die overeenkomst.

4.4. Het staat vast dat [eiser] voor [gedaagde] de onder 2.1 vermelde werkzaamheden heeft verricht. Dat – zoals [gedaagde] stelt – sprake was van een vriendendienst en [eiser] de werkzaamheden niet in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft verricht staat niet in de weg aan het aannemen van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek (BW), noch dat de opdrachtgever ([gedaagde]) loon is verschuldigd en dat, indien geen loon is bepaald, de opdrachtgever redelijk loon is verschuldigd (artikel 7:405 BW). Doorslaggevend is in dat verband dat op basis van de op de comparitie door partijen zelf afgelegde verklaringen kan worden vastgesteld dat tussen hen is gesproken over het in rekening te brengen loon voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden (zij het dat zij beiden daaraan een verschillende invulling geven) en dat [gedaagde] ook heeft verklaard bereid te zijn een redelijk loon te betalen.

4.5. Volgens [eiser] vond [gedaagde] de door hem genoemde vriendenprijs van EUR 10.000,00 goed. [gedaagde] heeft op de comparitie echter verklaard dat hij aan [eiser] een budget bedrag heeft genoemd van EUR 10.000,00 waarvan EUR 3.500,00 loon op basis van nacalculatie eventueel oplopend naar een bedrag van maximaal EUR 7.000,00 te gebruiken als het tegenzit en na goedkeuring door [gedaagde]. Daartegenover heeft [eiser] – op wie ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op dit punt de stelplicht rust – geen nadere concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat partijen inderdaad de door hem genoemde (vrienden) prijs van EUR 10.000,00 hebben afgesproken. Aan de enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat een loon van

EUR 10.000,00 tussen partijen is overeengekomen wordt daarom voorbij gegaan.

4.6. De vraag die nu voorligt, is wat een redelijk loon is voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden. De wet geeft als hoofdregel dat de opdrachtnemer bij een voortijdig einde van de opdracht in beginsel recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon (artikel 7:411 lid 1 BW). Partijen blijven bij een voortijdige beëindiging van de opdracht wederzijds gehouden tot nakoming van de verbintenissen die vóór de opzegging zijn ontstaan. Bij de vaststelling van de hoogte van een redelijke deel van het loon wordt onder meer rekening gehouden met de al door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd (artikel 7:411 lid 1 BW). Voorts geldt in de onderhavige zaak dat rekening moet worden gehouden met het feit dat [eiser] de werkzaamheden voor een vriendenprijs wilde verrichten. [eiser] heeft immers op de comparitie gesteld dat hij tegen [gedaagde] heeft gezegd dat hij het werk voor een vriendenprijs van

EUR 10.000,00 wilde doen waar een marktconforme prijs ongeveer EUR 20.000,00 zou bedragen. Het moet er dus voor worden gehouden dat [eiser] zijn werkzaamheden voor een vriendenprijs zou verrichten.

4.7. Nu partijen van mening verschillen over de hoogte van een redelijk loon, en zij de rechtbank geen concrete aanknopingspunten bieden aan de hand waarvan de rechtbank dat redelijk loon zelf kan vaststellen, ligt in de rede dat daartoe een deskundige zal worden benoemd. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van de bouwkunde. Die deskundige zal dan worden verzocht aan te geven wat het in redelijkheid vast te stellen loon is voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden, rekening houdend met, in ieder geval, (a) het feit dat geen marktconforme maar een vriendenprijs (van niet meer dan EUR 10.000,00) zou worden berekend, (b) de omvang van de door [eiser] verrichte werkzaamheden en (c) het voordeel dat [gedaagde] van deze werkzaamheden heeft gehad. De zaak zal naar de rol worden verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om zo mogelijk gezamenlijk een voorstel te doen voor de persoon van een te benoemen deskundige en de (aanvullend) aan die deskundige te stellen vragen. Gelet op al het voorgaande kan de rechtbank zich overigens voorstellen dat partijen inmiddels ook zelf in staat zijn om tot overeenstemming te komen over de omvang van het door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde redelijk loon.

4.8. Op grond van artikel 150 Rv rust op [eiser] de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de hoogte van een redelijke vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Het voorschot op de kosten van de deskundige zal daarom door [eiser] te gelegener tijd moeten worden betaald.

4.9. [gedaagde] heeft nog het verweer gevoerd dat [eiser] schadeplichtig is geworden jegens [gedaagde] aangezien opzegging krachtens artikel 7:408 lid 2 BW niet mogelijk was en hij de extra kosten die hij heeft gemaakt wil verrekenen. [eiser] heeft echter op de comparitie uiteengezet dat hij de opdracht had teruggegeven omdat de grondslag van het vertrouwen tussen hem en [gedaagde] was vervallen, hetgeen [gedaagde] niet heeft betwist. Aangezien een vertrouwenscrisis kan worden beschouwd als een gewichtige reden in de zin van artikel 408 lid 2 BW, is geen sprake van een ongerechtvaardigde opzegging van de opdracht. Aan het beroep op verrekening van schade van EUR 1.616,40 moet overigens ook voorbij worden gegaan omdat de gegrondheid van die schade niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW).

4.10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 juli 2010 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder overweging 4.7,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A van der Pol en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2010.

Coll.: G.L.