Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM8537

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
192869
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 192869 / HA ZA 09-2118

Vonnis van 9 juni 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] TRANSPORTDIENSTEN B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.J.A. Plattel te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TDG B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. de Waal te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [gedaagde] en TDG genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 12 mei 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 2 maart 2007 is een ‘Letter of Intent overname distributieactiviteiten’ tot stand gekomen tussen ‘[BLG], vertegenwoordigd door [gedaagde] Transport Diensten B.V.’ en TDG.

[BLG] wordt hierna ook als BLG aangeduid.

De op schrift gestelde letter of intent bevat onder meer de volgende bepalingen.

1. Overname distributieactiviteiten

Verkoper (TDG, de rechtbank) is voornemens haar te (…) Wijchen en te (…) Veenendaal, gevestigde onderdelen van haar onderneming, bestaande uit binnenlandse distributieactiviteiten en cross dock werkzaamheden, te verkopen, een en ander met inachtneming van het hierna in deze letter of intent bepaalde, hierna: de Activiteiten (…).

Partijen hebben in beginsel overeenstemming bereikt over de overname van de Activiteiten van Verkoper door Koper (BLG, de rechtbank) (…).

3.1 Afrekenstructuur

De hoogte en structuur van de afrekening wordt nog door beide partijen besproken. Uitgangspunt hierbij is dat Koper de x-dock (niet aan TDG’s warehouse gebonden) klanten van TDG overneemt, waarmee deze klanten, indien zij akkoord gaan, de klanten van Koper worden en Koper een fee betaalt over de per maand gemaakte omzet, de hoogte en duur van de fee betaling wordt nog nader besproken. Voor de warehouse gebonden (contract) klanten van TDG zal Koper een nader overeen te komen pallet tarief berekenen. TDG zal deze klanten blijven factureren en de gewenste diensten bij Koper inkopen.

In Bijlage A is opgenomen het klantenoverzicht met verwachte omzet voor 2007.

2.2. Bovenaan de lijst met cliënten onder ‘warehouse orders’ in de bedoelde bijlage staan Heinz B.V. en Haribo Nederland B.V. (hierna Heinz en Haribo te noemen). Heinz staat voor omzet week 2-6 vermeld met € 144.920,84, voor full year met € 1.449.208,40. Haribo staat voor omzet week 2-6 vermeld met € 62.063,16 en voor full year met € 620.631.60. De derde van de in volgorde van omzetomvang opgenomen cliënten staat vermeld met de bedragen € 13.880,77 en € 138.807,70.

2.3. Een koopovereenkomst ‘inzake de koop en verkoop van de activa met betrekking tot de onderdelen van de ondernemingen van TDG B.V. in Wijchen en Veenendaal’ is blijkens de daarvan opgemaakte akte op 15 mei 2007 tot stand gekomen tussen [gedaagde] en TDG.

2.4. De preambule van de koopovereenkomst vermeldt de activiteiten van partijen en de in de letter of intent bedoelde koop. Zij luidt voorts onder meer als volgt.

- dat Verkoper (TDG, de rechtbank) en Koper ([gedaagde], de rechtbank) ook na de overdracht van de Ondernemingen zullen samenwerken in dier voege:

- dat Koper in opdracht van Verkoper de Benelux distributie, en de daaraan gerelateerde, cross dock activiteiten voor de op bijlage 1 vermelde warehouse gebonden klanten van Verkoper te Wijchen en Veenendaal zal verrichten (…);

- dat gezamenlijke nieuwe klanten zullen worden ge-acquireerd (…).

2.5. Voorts luidt de koopovereenkomst onder meer als volgt.

1.1 Verkoper verkoopt hierbij aan Koper en Koper koopt hierbij van Verkoper:

(…)

d. de rechten en verplichtingen uit de in bijlage 7 vermelde overeenkomsten, hierna: De Overige Overeenkomsten.

3.1 Verkoper draagt op het Tijdstip van Overgang alle rechten en verplichtingen uit de Overige Overeenkomsten aan Koper over, gelijk Koper deze rechten en verplichtingen aanvaardt.

(…)

2.6. In artikel 11 van de koopovereenkomst wordt de samenwerking tussen partijen beschreven. Daarin wordt de verwachte jaaromzet 2007 van de Immateriële Activa – dat zijn de immateriële activa vermeld in de bijlagen 5 en 6 bij de koopovereenkomst, namelijk klanten – genoemd, te weten € 5.493.750,20. Over de gerealiseerde omzet zal TDG de in de letter of intent onder 3.1 bedoelde fee betalen aan [gedaagde]. Lid 9 van artikel 11 luidt:

Indien Koper constateert voor 1 oktober 2007 en aantoonbaar kan maken dat met de in dit contract genoemde elementen de samenhang zodanig verandert en men genoodzaakt is tot drastische ingrijpen in het afstoten van personeel, materieel en klanten de uitgangspunten van dit contract bespreekbaar gemaakt kunnen worden met de Verkoper en in samenspraak bijgesteld kunnen worden.

2.7. In een brief van 28 september 2007 aan TDG wijst BLG – de heer [betrokkene 1] van [gedaagde] – erop dat werkzaamheden, omzet en winst van de overgenomen activiteiten drastisch anders zijn uitgepakt dan bij het sluiten van de overeenkomst verwacht werd. Hij vraagt om een bespreking om tot bijstelling van het contract te komen.

2.8. TDG wijst in haar antwoord van 4 oktober 2007 een mogelijk verwijt van de hand. Wel wil ook zij tot een gesprek komen. Dat vindt plaats en daarop ontstaat een correspondentie tussen [gedaagde], TDG en BLG.

2.9. [ ] [betrokkene 2], die betrokken is bij de gesprekken, mailt op 16 december 2007 aan de heren [betrokkene 3] (BLG) en [betrokkene 4] (TDG) onder meer het volgende.

Uiteraard is de situatie voor ons allen na 1 april 2007 helaas absoluut minder bevredigend geweest, dan wenselijk was en ook dan door ons allen verwacht was (…).

Tijdens onze bijeenkomst hebben wij meerdere belangrijke stappen kunnen nemen om de huidige problemen op te lossen.

1. Ten eerste hebben wij een gemeenschappelijke basis gevonden voor de cijfermatige omzetontwikkeling in 2007 (…);

2. Ten tweede zijn wij overeengekomen, dat voor TDG na 1 januari 2008 geen verdere risico’s voor de exploitatie van het aan BLG overgedragen transportnetwerk zullen mogen ontstaan;

3. Verder zijn wij in onderling overleg een bedrag overeengekomen, dat door TDG als eenmalig bijdrage aan BLG vergoed zal worden. Dit bedrag is vastgesteld op EUR 1,0 miljoen;

4. Tijdens de bijeenkomst is vastgelegd, dat het voor TDG niet mogelijk is dit bedrag ineens aan BLG te vergoeden, maar dat TDG bereid is een bedrag voor het einde van het jaar 2007 te vergoeden en in de komende jaren BLG een bijdrage te vergoeden, die voor BLG zal leiden tot een totale maximale bijdrage van TDG aan BLG van EUR 1,0 miljoen;

5. [betrokkene 3] heeft bevestigd, dat geen directe betaling door TDG verwacht wordt, maar dat een schriftelijke bevestiging van TDG gewenst wordt, die BLG een totale betaling van EUR 1,0 miljoen op zal leveren (…);

6. Tevens is vastgelegd, dat [betrokkene 4] een officieel accoord van zijn directe baas binnen TDG voor deze overeenkomst dient te verkrijgen.

2.10. Hierbij doet [betrokkene 2] tevens een voorstel voor de schriftelijke bevestiging als bedoeld in deze mail onder 5. Dit bevat onder C. en D. de volgende punten.

C. Maximale transportfee-vergoeding:

Indien de transportomzet, door TDG B.V. aan [betrokkene 3] Logistiek B.V. uitbesteed wordt, in de jaren 2008-2011 hoger uitvalt dan EUR 26.666.666, dan zal TDG B.V. vanaf een transportomzet vanaf EUR 26.666.666 weer aanspraak kunnen maken op haar overeengekomen transport fee van 3% van de omzet.

D. Minimale transportfee-vergoeding:

Indien door onvoorziene omstandigheden de omzetontwikkeling voor de jaren 2008-2011 zich anders en ongunstiger ontwikkelt dan verwacht zal, dan zal [betrokkene 3] Logistiek B.V. geen directe financiële aanspraken tegenover TDG B.V. geldig kunnen maken. Tussen beide partijen wordt hiertoe voor dat geval echter overeengekomen, dat de samenwerking tussen TDG B.V. en [betrokkene 3] Logistiek B.V. in ieder geval zo lang in 2012 zal worden voortgezet totdat de verwachte transportomzet van EUR 26.666.666 tussen TDG B.V. en [betrokkene 3] Logistiek B.V. bereikt is.

2.11. [betrokkene 4] (TDG) schrijft op 20 december 2007 aan [betrokkene 3] (BLG):

Naar aanleiding van de verschillende gesprekken tussen u, de heer [betrokkene 2] van Cayla group en ondergetekende in de afgelopen maanden over de ongunstige omzet – c.q. resultatenontwikkeling van het door [gedaagde] Transportdiensten B.V. van TDG B.V. overgenomen transportnetwerk (…) hebben wij, in het kader van onze samenwerking, een overeenkomst bereikt over een bijdrage door TDG B.V. aan deze negatieve ontwikkeling.

Gaarne bevestigen wij u de volgende tussen alle betrokkenen overeengekomen financiële vergoedingsstructuur:

A. 2007:

In het jaar 2007 zal TDG B.V. een bedrag van EUR 200.000 vergoeden aan [gedaagde] Transportdiensten B.V. (…).

B. 2008-2011:

Voor de periode 2008-2011 is TDG B.V. bereid om af te zien van de contractueel vastgelegde transport fee van 3%, die [gedaagde] Transportdiensten B.V. aan TDG B.V. zou vergoeden.

C.Transportfee-vergoeding:

Indien door onvoorziene omstandigheden de omzetontwikkeling voor de jaren 2008-2011 zich anders en met name ongunstiger zou ontwikkelen dan verwacht (onder verwacht wordt verstaan: een totale transportomzet van € 26,7 mln in de periode 1.1.2008 tot 1.9.2011), dan zal [gedaagde] Transportdiensten B.V. geen directe financiële aanspraken tegenover TDG B.V. geldig kunnen maken (in en over de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011).

Tussen beide partijen wordt hiertoe voor dat geval echter overeengekomen, dat de samenwerking tussen TDG B.V. en [gedaagde] Transportdiensten B.V. in ieder geval tot en met 31 maart 2012 zal worden voortgezet, waarbij als verdere compensatie eveneens de 3% transportfee-vergoeding door [gedaagde] Transportdiensten B.V. niet aan TDG B.V. vergoed zal worden.

Indien de omzetontwikkeling in de jaren 2008 tot 1.9.2011 zich volgens verwachting of positiever ontwikkelt, dan zal, indien en zodra de totale omzet van € 26,7 is gerealiseerd, TDG B.V. de haar contractuele toebehorende 3% transportfee weer ontvangen van [gedaagde] Transportdiensten B.V.

D. Algemeen:

Na 31 maart 2012 bestaan geen verdere financiële verplichtingen tussen TDG B.V. en [gedaagde] Transportdiensten B.V. (…).

2.12. [betrokkene 3]s antwoord van 3 januari 2008 begint met de passage:

1.EUR 1.000.000,=

Wij bevestigen graag de gemaakte afspraak voor een totale vergoeding van € 1.000.000,= als uw compensatie voor de in uw schrijven beschreven ongunstige omzet- c.q. resultatenontwikkeling.

De brief vervolgt over de betaling van € 200.000,00, “als eerste onderdeel van het genoemde bedrag van € 1 miljoen”, en van € 800.000,00. Bij dit laatste bedrag volgt de toelichting:

Als tweede onderdeel van het genoemde totaalbedrag van € 1 miljoen, ziet TDG B.V. met ingang van 2008 af van de contractueel vastgelegde transport fee van 3%. Vanaf het moment dat de omzet – gemeten vanaf 1 januari 2008 – het niveau van € 26,7 miljoen heeft bereikt, zal TDG B.V. de contractuele transport fee weer ontvangen.

Onder ‘Omzetontwikkeling’ luidt de brief:

(…). Indien echter, door onvoorziene omstandigheden, de omzetontwikkeling voor de komende jaren zich ongunstiger dan verwacht zal ontwikkelen en het genoemde omzetpeil van € 26,7 miljoen over de periode 1 januari 2008 t/m 31 maar 2012 niet wordt behaald, dan zal het bestaande contract stilzwijgend worden verlengd tot het moment dat het genoemde omzetniveau is bereikt.

2.13. [betrokkene 2] stuurt op 18 januari 2008 een mailbericht aan de heer van S[betrokkene 5] van TDG, cc aan [betrokkene 4]:

Ik heb zojuist met [betrokkene 4] gesproken en besloten, dat jij en ik de brief van [betrokkene 3] aan TDG B.V. dient te versturen zullen doornemen alvorens ik deze brief aan [betrokk[betrokkene 3] verstuur.

Hierbij gaat de tekst van een andere reactie van [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] dan de hiervoor geciteerde van 3 januari 2008.

2.14. Later op dezelfde dag, 18 januari 2008, mailt [betrokkene 2] aan Van S[betrokkene 5]:

Ik heb de inhoud van de door jou geformuleerde TDG brief aan BLG met [betrokk[betrokkene 3] besproken en hem weten te overtuigen van het feit, dat de inhoud van deze brief het maximale is dat [betrokkene 4] + TDG kunnen/willen doen. Meer zit er niet in. Hij gaat hiermee nu accoord.

In overleg met [betrokkene 4] + [betrokkene 3] is er echter een punt overeengekomen tussen beide partijen, dat a.u.b. door jou aangevuld/correct geformuleerd dient te worden in de bevestigingsbrief:

E. Als uitzondering op het in punt D gestelde is TDG bereid als blijk van haar wens constructief en positief met [gedaagde] T[betrokkene 3]rtdiensten/[BLG] de komende periode samen te werken in aanvulling op de bovenvermelde vergoedingen (punten A, B en C) 50% van de afvloeiingskosten (…) te dragen (…).

2.15. Blijkens een door partijen op 12 februari 2008 voor akkoord getekende brief van TDG d.d. 5 februari 2008 is tussen partijen een nadere overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst wordt hierna als de overeenkomst van 12 februari 2008 aangeduid.

Geachte heer [betrokkene 3],

In aansluiting op onze brief van 20 december j.l. en uw reactie bij brief van 3 januari j.l. betreffende een bijdrage door TDG aan de voor u ongunstige effecten voortvloeiende uit de door ons in mei 2007 gesloten overeenkomst, kunnen wij u tenslotte het navolgende bevestigen.

A.

Na mede-ondertekening door u van de onderhavige brief zullen wij terstond een bedrag van € 200.000 betalen aan [gedaagde] Transportdiensten B.V.

B.

De in artikel 11.4 van de overeenkomst omschreven minumum fee-opbrengst van € 250.000 is niet toepasselijk. Dit betekent dat het verschil tussen de tot 31.12.2007 door u verschuldigde fee en het hiervoor genoemde minimum fee bedrag door u niet behoeft te worden (bij)betaald (circa € 50.000/€ 75.000).

C

Gedurende de looptijd van de overeenkomst ziet TDG af van de contractueel overeengekomen vanaf 1 januari 2008 toepasselijke transportfee van 3%, met dien verstande dat deze 3% transportfee herleeft indien en zodra vanaf 1 januari 2008 een transportomzet is behaald van € 24.167.000,

Mocht onverhoopt de genoemde transportomzet gedurende de looptijd van de overeenkomst niet behaald worden, dan is TDG bereid een nader overeen te komen uitloopperiode waarin de 3% transportfee evenmin van toepassing is in overweging te nemen. Partijen zullen alsdan uiterlijk 1 maart 2012 op basis van de tot dan toe gerealiseerde transportomzet hierover overleg voeren.

D.

Tenslotte is TDG bereid om eenmalig en sans préjudice een bijdrage ter grootte van € 41.000 te betalen in de afvloeiingskosten van de door [gedaagde] Transportdiensten B.V. van TDG B.V. overgenomen werknemers. Na mede-ondertekening door u van de onderhavige brief zullen wij terstond dit bedrag betalen aan [gedaagde] Transportdiensten B.V.

E.

Met inachtneming van het bepaalde in de punten A.B.C. en D. blijft de in mei 2007 gesloten overeenkomst onverminderd van kracht. Met de in deze brief omschreven regeling accepteert [gedaagde] Transportdiensten dat zij met betrekking tot alle voor haar negatieve gevolgen van het sluiten van de in mei 2007 getekende overeenkomst niets meer van TDG zal vorderen en zij hier verder niet op zal terugkomen.

2.16. Deze brief is ondertekend door [betrokkene 4] voor TDG en op 12 februari 2008 ondertekend door [betrokkene 3] voor [gedaagde].

2.17. De samenwerking met TDG wordt door Haribo verbroken per 1 januari 2009.

2.18. Op 22 april 2009 schrijft TDG aan BLG dat TDG en Heinz een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten waarin is vastgelegd dat het bestaande dienstverleningscontract op 5 juni 2009 zal eindigen. Voor [gedaagde]/BLG is dit de laatste distributiedag voor Heinz.

2.19. Een week later schrijft de advocaat van [gedaagde] aan TDG over de gevolgen van dit wegvallen van de grootste klant:

(…) Nu uw brief van 22 april 2009 is geland, betekent dit dat het duidelijk is dat de voorspelde omzet van € 24.167.000,-- nimmer zal worden behaald.

Mijn cliënte zal (…) de transportomzet te rekenen vanaf 1 januari 2008 tot en met 5 juni 2009 op een rij zetten. Het is inmiddels volstrekt duidelijk dat dit slechts een gering percentage zal zijn van de afgesproken € 24.167.000,--.

Mijn cliënte wenst alsnog van u te ontvangen de toegezegde compensatie ten gevolge van de genoemde negatieve gevolgen uit de oorspronkelijke overeenkomst. Bij het bepalen van deze schade zou kunnen worden uitgegaan van de 3% transportfee over het niet benutte gedeelte, dat vooralsnog op € 17.500.000,-- wordt geschat.

Voor zover nodig stel ik u dan ook in gebreke en in de gelegenheid om alsnog ervoor zorg te dragen dat de betreffende omzet door mijn cliënte kan worden behaald binnen de gestelde termijn (…).

2.20. De omzet TDG-Wijchen wordt vervolgens voor de bedoelde periode voor wat de opbrengst Wijchen betreft, berekend op € 6.755.977,00, voor de opbrengst Zeewolde op € 684.481,00.

2.21. In haar antwoord voert TDG onder meer aan dat zij terzake geen garanties heeft gegeven en dat een substantieel deel van de cross-dock omzet verloren is gegaan door ontoereikende implementatie en performance van [gedaagde]. Ook zou [gedaagde] in het acquireren van nieuwe klanten tekort zijn geschoten.

3. Het geschil

3.1. [gedaagde] vordert – samengevat – veroordeling van TDG tot betaling van € 501.796,26 (3%, stelt zij, van de niet genoten transportfee), vermeerderd met rente en kosten. Zij beroept zich in verband met de overeenkomst van 12 februari 2008 subsidiair gesteld op wederzijdse dwaling, imprévision, ongerechtvaardigde verrijking en toerekenbare tekortkoming. Achtergrond hiervan is dat zij in de overeenkomst van 12 februari 2008 een regeling ziet van de betaling van in totaal € 1.000.000,00 door TDG aan [gedaagde].

3.2. De door [gedaagde] gestelde wederzijdse dwaling bestaat daarin dat partijen zich in februari 2008 kennelijk geen van tweeën hebben gerealiseerd dat het zo zou kunnen zijn dat de omzet van € 24.167.000,00 niet zou worden gehaald. Onvoorziene omstandigheden hebben volgens [gedaagde] geleid tot het achterblijven van de omzet en daarbij is het niet redelijk en billijk dat zij niet de kans krijgt het volledige bedrag van € 725.000,00 te innen door de omzet te doen uitvoeren zoals beoogd in februari 2008. In de wijze waarop TDG ‘van de overeenkomst afkomt’ zit een ongerechtvaardigde verrijking van TDG die de hogere transportnota’s niet meer behoeft te voldoen tegenover een gelijke verarming van [gedaagde].

TDG is tekortgeschoten door niet voor vervangende transportovereenkomsten te zorgen.

3.3. TDG voert verweer. Zij wijst allereerst op de bepaling onder E in de overeenkomst van 12 februari 2008, waarin [gedaagde] haar finale kwijting heeft verleend. De kern van haar betoog is dat [gedaagde] een onjuiste althans gechargeerde uitleg geeft aan zowel de koopovereenkomst als de overeenkomst van 12 februari 2010. De laatste is volgens haar niet gericht op betaling van in totaal € 1.000.000,00, maar op betaling van de bedragen waartoe de onderscheiden posten, geformuleerd in de brief waarin de overeenkomst vastligt, leiden.

3.4. Dat er van wederzijdse dwaling sprake is bestrijdt TDG door erop te wijzen dat [gedaagde] geen provisieverplichting heeft als de omzet onder de € 24.167.000,00 blijft, terwijl partijen niet ervan uitgegaan zijn dat deze omzet zou worden behaald; dat was juist onzeker. Onvoorziene omstandigheden hebben zich niet voorgedaan, omdat in de overeenkomst, die voortvloeit uit art. 11.9 van de koopovereenkomst, juist met onvoorziene omstandigheden rekening is gehouden. Volgens TDG is er noch van verrijking van haar, noch van verarming van [gedaagde] sprake. Dat zij is tekortgeschoten bestrijdt zij in het bijzonder door te betogen dat [gedaagde] geen concrete verplichtingen noemt waarin zij tekortgeschoten zou zijn.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Centraal staat de overeenkomst van 12 februari 2008. [gedaagde] stelt dat het de bedoeling van partijen geweest is dat TDG aan [gedaagde] € 1.000.000,00 zou betalen en dat deze overeenkomst is gericht op het vastleggen van de wijze waarop dit zou gebeuren.

4.2. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval.

4.3. Taalkundig gezien wijst de inhoud van de in de brief vastliggende overeenkomst van 12 februari 2008 niet op de verplichting van TDG om [gedaagde] € 1.000.000,00 te betalen. Bij de uitleg van wat partijen van elkaar mochten verwachten speelt echter de voorgeschiedenis van deze brief een belangrijke rol.

4.4. Uitgangspunt bij die voorgeschiedenis is wat [betrokkene 2] op grond van het gevoerde overleg schrijft op 16 december 2007. De kern van zijn bericht dat deels een verslag van het overleg, deels een plan voor het vervolg inhoudt, is dat partijen zijn overeengekomen dat voor TDG na 1 januari 2008 ‘geen verdere risico’s voor de exploitatie van het aan BLG overgedragen transportnetwerk zullen mogen ontstaan’ en dat door TDG als eenmalige bijdrage aan BLG € 1.000.000,00 gefaseerd vergoed zal worden. Weliswaar schrijft [betrokkene 2] ook één maal over een ‘maximale bijdrage’ (onder punt 4 van zijn mail), maar het afgeronde bedrag van € 1.000.000,00 staat overduidelijk centraal in zijn verslag van het overleg. Het voorstel voor de bevestiging door TDG dat [betrokkene 2] bij dezelfde mail doet, is een uitwerking van de afspraak om gefaseerd tot de betaling van dit bedrag te komen. Gesteld noch gebleken is dat een van partijen heeft aangegeven dat [betrokkene 2] de gemaakte afspraken in deze mail niet juist weergeeft.

4.5. De brief van [betrokkene 4] (TDG) van 20 december 2007 noemt het bedrag niet, maar omschrijft de overeenkomst die in de brief voorgesteld wordt als de ‘tussen alle betrokkenen overeengekomen financiële vergoedingsstructuur’ en zijn voorstel is, cijfermatig bezien, gericht op betaling van € 1.000.000,00.

4.6. Het onder 2.12 geciteerde antwoord van [betrokkene 3] d.d. 3 januari 2008 noemt het bedrag van € 1.000,000,00 uitdrukkelijk. De tekst van de mail in [betrokkene 2]s mailbericht van 18 januari 2008 doet dat niet, maar in beide aan [betrokkene 3] toegeschreven teksten komt ook weer de regeling voor die cijfermatig bezien tot betaling van € 1.000.000,00 moet leiden.

4.7. Later op 18 januari 2008 schrijft [betrokkene 2] over ‘het maximale (…) dat [betrokkene 4] + TDG kunnen/willen doen’. Dit roept de vraag op of [betrokkene 4] terug wilde komen op de betaling van € 1.000.000,00. Nergens blijkt echter uit dat dit zo is en de rechtbank wijst erop dat juist [betrokkene 4] in zijn brief van 20 december 2007 de gefaseerde betaling van dit bedrag heeft voorgesteld.

4.8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het vermoeden dat het standpunt van [gedaagde] dat de overeenkomst van 12 februari 2008 een regeling van de betaling van € 1.000.000,00 inhield juist geacht kan worden. Dat later wijzigingen plaatsvinden in de tekst waarover partijen het uiteindelijk eens worden, staat vast, maar er is geen grond in de stukken te vinden om aan te nemen dat die wijziging verlating van het uitgangspunt dat € 1.000.000,00 betaald zou worden, inhield.

4.9. Nu TDG betoogt dat dit anders is, ligt het op haar weg tegenbewijs van dit rechterlijk vermoeden te leveren. Hiertoe zal zij in de gelegenheid worden gesteld.

4.10. Pas na de bewijsvoering door TDG zal de rechtbank kunnen toekomen aan de verdere behandeling van de stellingen van [gedaagde] omdat de door haar opgeworpen vragen naar mogelijke wederzijdse dwaling, imprévision, ongerechtvaardigde verrijking en toerekenbare tekortkoming pas te beantwoorden zijn als de inhoud en de betekenis van de overeenkomst van 12 februari 2008 vaststaan.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. laat TDG toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het onder 4.8 geformuleerde vermoeden dat de overeenkomst van 12 februari 2008 een regeling van de betaling van € 1.000.000,00 door TDG aan [gedaagde]/BLG inhield,

5.2. bepaalt dat, indien TDG het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op woensdag 4 augustus 2010 van 12:00 tot 16:00 uur,

5.3. bepaalt dat TDG binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl) – en aan de wederpartij moet berichten of hij bewijs door getuigen wil leveren en zo ja, onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen.

5.4. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank – ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl) – om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen en de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op de datum waarop nadere dag- en uurbepaling wordt verzocht,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle bewijsstukken die zij nog in het geding willen brengen aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2010.