Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM8281

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
193476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad: lichamelijk geweld. Bewijsopdrachten in conventie en in reconventie m.b.t. onrechtmatig handelen, noodweer en eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 193476 / HA ZA 09-2206

Vonnis van 26 mei 2010

in de zaak van

[eisers],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. I.P.C. Sindram te Malden,

tegen

[gedaagden]

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.C.H. Jansen te Wijchen.

Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser], [eiser sub 2], [gedaagde] en [gedaagde sub 2] en gezamenlijk [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 februari 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 9 april 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] c.s. wonen aan de [adres] [1]. Daarnaast woonden [gedaagde] c.s. aan de [adres] [2]. [gedaagde] c.s. hebben hun huis te koop staan en wonen niet meer in hun huis.

2.2. Op 20 juli 2009 heeft zich een incident voorgedaan. Hierover hebben de partijen tegenover de politie het volgende verklaard.

[eiser] (op 22 juli 2009):

‘(…) Ik doe aangifte van zware mishandeling (…). Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte mij zwaar lichamelijk letsel en pijn, bestaande uit: een verbrijzelde onderarm en lichte hersenschudding. (…) De zware mishandeling vond als volgt plaats: Op maandag 20 juli 2009, omstreeks 17.30 uur werd ik wakker van geschreeuw op straat. Een kwartier later ben ik naar beneden gegaan en vroeg aan mijn zoon wat er aan de hand was. De stem die ik op straat hoorde herkende ik als zijnde de stem van [gedaagde sub 2] [rechtbank: [gedaagde sub 2]]. Zij is de buurvrouw. Op het moment zijn zij bezig om het huis te verkopen. Ik hoorde aan de stem van haar dat zij gedronken had. Ze zegt dan 10 keer hetzelfde in drie zinnen. Ik hoorde dat ze aan het lallen was. Mijn zoon vertelde dat [gedaagde sub 2] ruzie aan het zoeken was met mijn vrouw, [eiser sub 2] en dat [gedaagde sub 2] ruzie aan het zoeken was met [gedaagde]. [gedaagde] is haar man. Op een gegeven moment hoorde ik haar stem omslaan. Ze klonk heel bedreigend. Wat er precies werd geroepen weet ik niet. Ik hoorde ook dingen vallen. Ik vond het tijd dat ik naar buiten moest gaan om ervoor te zorgen dat het niet verder uit de hand zou lopen. Ik heb de voordeur geopend. Ik had een badjas en slippers aan. [gedaagde sub 2] begon tegen mij te schreeuwen. Ik hoorde haar zeggen: “daar heb je die viezerik die met anderen ligt te neuken (…)’. Op de tussenmuur bij de garage stonden een aantal deuren. (…) Ze gooide de deuren om. (…) Omdat [gedaagde sub 2] geen grip heeft op mijn emotie bleef ik rustig. Hier kan [gedaagde sub 2] dan niet tegen. Ik ben naar [gedaagde sub 2] gegaan en heb gevraagd aan haar dat zij rustig moest blijven. [gedaagde] was op dat moment in de voortuin aan het onkruid wieden. Hij bemoeide zich er niet mee. Wel riep [gedaagde] af en toe iets maar hij bleef op de achtergrond. Ik ben vervolgens de deuren recht gaan zetten. Op dat moment kreeg ik een klap op de achterzijde van mijn hoofd. Dat was op de rechterachterzijde. Ik weet niet waarmee ik geslagen ben. [gedaagde sub 2] was de enige die op dat moment in mijn buurt was. Ik heb vervolgens ook een stuk hout gepakt om mijzelf af te weren. Ik heb vervolgens met die stok een tik op de linkerbil van [gedaagde sub 2] gegeven. Ik heb dit niet hard gedaan. [gedaagde sub 2] werd hiervan heel boos. Op dat moment kwam [gedaagde] erbij. Ik zag dat [gedaagde] een stok in zijn handen had. Ik zag dat het een stok was die uit mijn tuin was gekomen. Ik zag dat [gedaagde] de stok boven hem had geheven en hard op mij afgerend kwam. Op het moment dat [gedaagde] sloeg deed hij dit opzettelijk en met kracht. Ik moest afweren om de stok niet op mijn hoofd te krijgen. Ik deed mijn arm voor het hoofd met als gevolg dat [gedaagde] met de stok op mijn linker arm sloeg. Ik voelde hierdoor gelijk pijn in mijn arm en ik kon hem niet meer bewegen. Ik ben vervolgens in de deuropening gaan zitten. Mijn vrouw had [gedaagde sub 2] aangevlogen omdat [gedaagde sub 2] mij geslagen had. [gedaagde sub 2] had op haar beurt weer mijn vrouw geslagen met vermoedelijk dezelfde stok waar [gedaagde sub 2] mij mee had geslagen. (…)’

[eiser sub 2] (op 20 juli 2009):

(…) Vandaag, maandag 20 juli 2009 omstreeks de middag is [gedaagde sub 2] bij ons aan de voordeur geweest. Mijn zoon [zoon] kwam op dat moment net thuis en heeft haar te woord gestaan. (…) Vervolgens kwam ik thuis. (…) Enige tijd later hoorde ik de voordeurbel. (…) Ik zag, toen ik de voordeur opende, dat mijn buurvrouw [gedaagde sub 2] voor de deur stond. Ik hoorde haar schreeuwen (…). Vervolgens heb ik haar gezegd dat ik haar zo schreeuwend niet te woord wilde staan en heb ik de voordeur gesloten. (…) Ik zag dat [gedaagde sub 2] het eerder genoemde fietsenrek en onder andere dakdragers van de auto op ons terrein aan het gooien was. Ik was hier niet van gediend ben naar buiten gelopen. Ik sprak [gedaagde sub 2] aan en vroeg haar of ze met haar vingers van onze spullen af moest blijven. Er ontstond een woordenwisseling. Ik hoorde mijn buurvrouw schreeuwen over het (zeden)verleden van een van onze zonen. (…) Vervolgens zag en hoord[eiser] dat [eiser], mijn man, was wakker geworden en naar buiten was gekomen. Op een gegeven moment zie ik dat [gedaagde sub 2] een stuk hout vast heeft. Ik zie dat [gedaagde sub 2] [eiser] slaat met het stuk hout. Ik zie dat [eiser] geraakt wordt op zijn hoofd. Vervolgens zie en voel ik dat [gedaagde sub 2] mij op mijn hoofd slaat met een stuk hout. Ik voelde niet echt pijn door de klap. (…). Ik heb vervolgens [gedaagde sub 2] bij haar haren gepakt en omlaag geduwd. Ik deed dit om te voorkomen dat ze mij of [eiser] nog vaker zou slaan met een stuk hout. (…) Ik deed dit uit zelfverdediging (…). Ik zag mijn man [gedaagde sub 2] slaan. Ik zag dat [gedaagde sub 2] geraakt werd maar ik weet niet meer waar. [eiser] vertelde mij later dat hij niet als eerste geslagen heeft maar dat hij zich verdedigde. [gedaagde sub 2] zou hem als eerste geslagen hebben. Dat geloof ik ook wel, want mijn man zou alleen iemand slaan als hij zelf ook geslagen wordt. U vraagt mij of mijn man nog met een voorwerp geslagen heeft. Dit weet ik niet. U zegt mij dat meerdere partijen verklaard hebben dat [eiser] echt met een stuk hout geslagen zou hebben. Dit heb ik niet gezien. Vervolgens kwam de man van [gedaagde sub 2], [gedaagde] zich ermee bemoeien. Hij kwam aangelopen en pakte een stuk hout. Dit betrof een stuk hout dat op de grond lag in de tuin. Ik weet niet meer hoe groot dit stuk hout was. Ik weet niet meer goed wat er vervolgens gebeurde. Ik ben vervolgens een stuk geheugen kwijt geraakt, ik kan me niet goed herinneren wat er namelijk verder gebeurde. Ik begreep later dat [gedaagde] met een stuk hout [eiser] geslagen heeft. (…)’

[gedaagde] (op 20 juli 2009):

‘(…) Ik was in de voortuin aan het schoonmaken, en mijn vrouw was in de woning bezig. (…) Tegen de muur stonden dus twee deuren. Ook lag er veel hout in de gezamenlijke voortuin/het gezamenlijke pad tussen beide voortuinen. Mijn vrouw en ik stoorden ons hieraan. (…) Hierop is mijn vrouw aangegaan bij de buren aan de voordeur. Dit was omstreeks 16.00 uur. (…) Ik hoorde en zag dat de oudste zoon, [zoon], van de buren opendeed. Ik hoorde mijn vrouw zeggen: ‘de rotzooi moet binnen een paar dagen weg zijn, anders bel ik de politie en de gemeente’. Ik hoorde dat mijn vrouw vroeg naar de vader van [zoon]. Ik hoorde [zoon] zeggen dat zijn vader niet thuis was. Dit klopte niet, want ik had zij[eiser]der, [eiser], eerder die dag thuis zien komen. (…) Hierop heeft mijn vrouw opnieuw aangebeld bij de buren op [nummer 1]. [eiser sub 2] deed open en stond mijn vrouw te woord. Ik hoorde [eiser sub 2] zeggen: ‘wij maken zelf wel uit waar deze deuren staan’. Ik hoorde mijn vrouw zeggen: ‘de deuren staan ook tegen onze garage, dus dan haal ik ze wel weg’ of woorden van gelijke strekking. Vervolgens heeft mijn vrouw volgens mij de deuren vervolgens op hun kant gelegd. Ze heeft de deuren niet omgegooid. Ik heb dat echter niet zien gebeuren, alleen gehoord. Vervolgens vliegen [eiser sub 2] en mijn vrouw elkaar in de haren. Er ontstond duw- en trekwerk. Ik bemoeide me er in principe nog niet mee. Vervolgens hoorde en za[eiser] dat [eiser] naar buiten kwam. Ik hoorde dat mijn vrouw riep: ‘Hij slaat me!’. Ik keek op en zag dat [eiser] een stuk hout in zijn handen had. (…) Ik zag dat [eiser] met dit stuk hout mijn vrouw sloeg. Ik denk dat [eiser] in totaal dus tweemaal geslagen heeft. Ik zag dat [eiser] mijn vrouw raakte op haar bil. Ik ben toen opgestaan en naar het ruziënde drietal toegelopen. Ik heb het stuk hout van [eiser] afgepakt. Ik heb vervolgens met het stuk hout in mijn rechterhand [eiser] geslagen. Ik zag dat [eiser] afweerde met zijn armen. Ik heb [eiser] eenmaal geslagen en geraakt. Ik zag dat [eiser], nadat ik hem sloeg, op de grond ging zitten in de deuropening. Ik heb vervolgens gezien dat [zoon] en [eiser sub 2] nog met mijn vrouw aan het trekken en duwen waren. (…)’

[gedaagde sub 2] (op 20 juli 2009):

‘(…) Vanmiddag, maandag 20 juli 2009, tussen 16.00 en 17.00 uur, heb ik bij de buren op [nummer 1] aangebeld. Zoon [zoon] deed open. Ik vroeg naar zijn vader. Hij zei dat zijn vader niet thuis was. Ik vroeg vervolgens aan [zoon] of hij aan zijn vader wilde vragen of die rotzooi wilde opruimen. (…) Een tijdje later, omstreeks 17.00 17.15 denk ik dat het was, zag ik dat moeder [eiser sub 2]e thuis kwam. Vlak hierna belde ik weer bij de buren op [nummer 1] aan. [eiser sub 2]e kwam aan de deur. Ik vroeg haar of ze alstublieft de rommel wilde opruimen die bij ons voor en tegen onze garage stond. Ik zei haar ook dat ik het na al die jaren wel zat was om naar die rotooi te kijken. Ze wilde de rommel voor onze garage niet opruimen. Ze deed het gewoon niet, zei ze. Ze zei dat ik daar ook niets mee te maken had. Ik zei haar dat het er wel toe deed, omdat die rommel tegen onze woning stond. (…). Vervolgens zag ik dat haar man [eiser] bij haar in de deuropening was komen staan. (…) Ik vroeg toen aan [eiser] of hij alstublieft de spullen van hun bij ons voor de muur van de garage wilde halen. Hij zei dat niet te doen. Ik zei hem op gebiedende toon: “[eiser] haal die spullen van jullie bij ons van de muur. Zet die rotzooi maar bij je eigen voor de deur”. Hij zei dat niet te doen. Ik zei hem als hij het niet zou doen dat ik het dan zou doen. Ik was kwaad. Vervolgens zijn [eiser] en [eiser sub 2]e hun woning in gegaan. (…) Ik heb deze spullen op hun erf gezet. (…) Ik heb vervolgens de twee deuren naar hun woning toe gekanteld. (…) Ik heb ze niet laten vallen. Ik zag toen dat [eiser] naar buiten kwam. Ik zag dat hij kwaad was. Ik zag dat hij een stuk hout pakte. Dat stuk hout stond daar bij hen voor de deur. Het was een lichtbruin hout. (…) Terwijl ik op mijn eigen erf stond zag ik dat [eiser] met dat stuk hout in de hand op mij af kwam. Hij had het met twee handen vast en had het rechts naast zijn lichaam, ter hoogte van zijn heup. Ik zag en voelde dat hij mij met dat stuk hout sloeg. Ik zag en voelde dat hij mijn op mijn linker heup/bil met dat stuk hout sloeg. Hij bleef mij slaan. Hij ging gewoon door met slaan. Ik denk dat hij mij wel vier (4) keer geslagen heeft met dat stuk hout. Ik riep ondertussen [gedaagde] mijn ex man, die nog in onze voortuin aan het onkruid wieden was. [gedaagde] heeft mij niet kunnen zien omdat onze auto er nog tussen stond. “[gedaagde], [gedaagde], hij slaat me’, riep ik. Ik was verbaasd/verbijsterd, dat ik door een man met een stuk hout werd geslagen. Ik wijs u de plek waar ik geslagen werd. U kunt zien dat mijn blauwe spijkerbroek ter plaatse een winkelhaak vertoond. Daar heeft [eiser] mij een aantal malen geraakt met die stok. Dit deed uiteraard pijn. Ik was ook erg geschrokken. (Opmerking verbalisant: De aangeefster/verdachte toonde mij haar broek op die plaats en ik zag dat er op haar linkerheup/bil een winkelhaak in de stof zat. (…) Ik zag ook dat de huid daaronder rood verkleurd was.) [gedaagde] kwam aangelopen. Ik zag dat [gedaagde] [eiser] van achter vast pakte om [eiser] bij mij vandaan te trekken. [eiser] deed een stap opzij. Ik zag vervolgens dat [eiser] op [gedaagde] begon te slaan met datzelfde stuk hout. Het ging nu allemaal heel snel. [eiser] hief dat stuk hout omhoog om [gedaagde] te slaan. Ik weet niet of [eiser] [gedaagde] ook heeft geraakt. [gedaagde] is een grote vent. Ik zag dat [gedaagde] [eiser] vervolgens heeft vastgepakt. [gedaagde] trok [eiser] bij mij vandaan. Ik zag vervolgens dat [eiser] [gedaagde] sloeg met dat stuk hout. Ik weet niet waar [eiser] [gedaagde] heeft geraakt. [eiser sub 2]e en [zoon] waren inmiddels ook naar buiten gekomen. Ik zag toen dat [eiser sub 2]e ook een stuk hout in haar handen had. Ik zag dat [eiser sub 2]e ook met een stuk hout begon te peren. Ik zag dat [eiser sub 2]e mij met dat stuk hout wilde slaan. Zij sloeg met dat stuk hout in mijn richting. Ik was in staat dat stuk hout vast te pakken. Vervolgens drukte ik haar met dat stuk hout naar achteren. Ik zag en voelde dat [eiser sub 2]e mij bij mijn haar vast pakte. Ze pakte mij volgens mij met haar linker hand in mijn haar. (…) Op enig moment kwam er een man van de overkant van de straat aan lopen. (…) Hij zorgde er voor dat iedereen uit elkaar ging en dat het vechten ophield. (…) Ik denk wel dat ik ook terug geslagen zal hebben of om me af te weren, althans dat denk ik wel. Dat zal wel zijn geweest om me zelf te verdedigen. (…) Ik heb me wel met mijn armen en handen verdedigd. Zeker toen ik geslagen werd met een stuk hout. Dat was zowel bij [eiser] als bij [eiser sub 2]e. (…) Ik weet niet of en hoe [eiser] gewond is geraakt. Ik weet niet wat hem mankeert. (…) Ik heb zelf niet geslagen of geschopt. Ik heb me alleen maar verweerd. Ik was alleen maar bezig om hen van mij af te houden. Het kan dus best zo zijn dat ik daar iemand van hen bij geraakt heb. (…)’

Voorts heeft getuige [betrokkene] (op 24 juli 2009) verklaard:

‘(…) Afgelopen maandag 20 juli 2009, omstreeks 17.00 uur kwam ik samen met mijn man met de auto bij onze woning aan. Ik zag toen dat de twee vrouwen van [nummer 2] en [nummer 1] tegen elkaar aan het schreeuwen waren. Ik hoorde dat de vrouw van [nummer 2] met stemverheffing sprak. Ik hoorde dat zij riep: ‘bel de politie dan, want ik heb vriendelijk aan je man gevraagd of hij die deuren aan de kant wil zetten en jullie willen het niet’. Ik zag toen dat er tegen de garagemuur twee deuren stonden. Beide deuren stonden gedeeltelijk tegen de garagemuur van [nummer 2]. Er werd over en weer geschreeuwd en ik zag dat de deuren niet weg werden gezet door [eiser] en [eiser sub 2]. Zij waren over en weer wat aan het mopperen en ik zag toen dat [eiser] en [eiser sub 2] hun woning binnen gingen. De deuren stonden nog steeds op dezelfde plaats tegen de tussenmuur van beide garages. Ik zag de buurvrouw van [nummer 2] bij de deuren staan. Ik zag dat zij naar de deuren keek en naar de auto van de [eisers]. Ik kreeg de indruk dat zij aan het twijfelen was, wat zij moest doen. Ik zag toen dat zij de deuren een voor een pakte en deze behoorlijk ruw op de grond legde. Het ging wel ruw, want ik zag wel dat zij kwaad was, maar zij gooide niet met de deuren. Ik heb ook niet gezien dat de deuren kapot gingen. Het waren deuren met glas erin. De deuren werden door haar op de oprit gelegd, volgens mij waren de deuren zo zwaar dat zij ze niet eens goed de baas kon. De vrouw van [nummer 2] stond vervolgens weer op haar eigen oprit. Ik zag toen dat [eiser] Klinken uit de voordeur naar buiten kwam aanstormen. Ik zag dat [eiser] een plank in zijn handen had. Ik zag dat hij gelijk met die plank op de buurvrouw van [nummer 2] in begon te slaan. Ik was hier heel verbaasd over. Hij sloeg echt flink op haar in en sloeg haar tegen haar kont. Volgens mij sloeg [eiser] wel drie of vier keer. Ik kon het niet geheel zien, want het autootje van [eiser sub 2] stond op de oprit en belemmerde een deel van het zicht. Ik kan verder niet omschrijven hoe de plank er uit zag of hoe groot die plank was. Ik zag dat [gedaagde] er toen ook bij kwam en dat zij met hun drieën aan het bekvechten waren. Ik weet niet of [gedaagde] iets deed, dat heb ik niet gezien. Ik stond zo verbaasd te kijken, wat er allemaal gebeurde, ik kon het niet geloven. Ik zag dat [eiser sub 2] vervolgens ook naar buiten kwam. Het ging allemaal razendsnel. Ik zag toen dat [gedaagde] en [eiser] met elkaar aan het vechten waren. Zij stonden toen op de oprit van [nummer 2]. Ik zag dat er door [eiser sub 2] en de buurvrouw van [nummer 2] ook werd gevochten. Ik zag dat er werd geslagen door alle partijen. Volgens mij hadden [eiser sub 2] en de vrouw van [nummer 2] ook een plank of stok, maar ik heb dit niet goed kunnen zien (…)’.

In het proces-verbaal van bevindingen hebben de verbalisanten onder meer opgenomen:

‘(…) Ik (…) vernam van mevrouw [eiser sub 2] dat zij door haar buurvrouw [gedaagde sub 2] met een stuk hout op haar hoofd was geslagen en dat mevrouw [eiser sub 2] haar buurvrouw aan de haren had getrokken. Zij deelde verder mede dat haar man [eiser] de buurvrouw had geslagen. Ik (…) hoorde [eiser] zeggen dat er over en weer geslagen was en dat hij zelf [gedaagde sub 2] had geslagen met een stuk hout. [eiser] vertelde dat hij met een stuk hout geslagen was door [gedaagde] en dat hij daardoor vermoedelijk zijn arm had gebroken. (…) Ik (…) sprak met mevrouw [gedaagde sub 2]. Zij deelde mij mede dat zij met een stuk hout geslagen was door haar buurman [eiser]. Ik (…) sprak daar in de woning met meneer [gedaagde]. Hij vertelde dat er tussen alle betrokkenen over en weer geslagen was en dat hij zelf de buurman [eiser] met een stuk hout geslagen had, nadat hij had gezien dat buurman [eiser] mevrouw [gedaagde sub 2] met een stuk hout had geslagen. (…) Ik begaf me daar onder de omstanders. Ik vroeg daar aan de aanwezigen of iemand getuige was geweest van hetgeen zich hier zojuist bij deze percelen had afgespeeld. Niemand had ook maar iets gezien of gehoord. (…).’

2.3. Er loopt naar aanleiding van de aangifte van [eiser] een strafprocedure tegen [gedaagde]. In een brief d.d. 31 maart 2010 aan de advocaat van [gedaagde] in de strafprocedure staat dat de rechter-commissaris op 10 juni 2010 als getuigen zal horen [betrokkene], [eiser], [eiser sub 2] en [gedaagde sub 2].

2.4. Tijdens de comparitie van partijen d.d. 9 april 2010 in de onderhavige procedure hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder meer staat:

‘1. Partij [eiser] en [eiser sub 2] trekken hun vordering in voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad wegens inbreuk op eer en goede naam.

2. Partij [eiser] en [eiser sub 2] trekken hun vordering in voor zover deze is gebaseerd op mishandeling van [eiser sub 2].

3. Partij [gedaagde] en [gedaagde sub 2] trekken hun vordering in voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad wegens hinder.

4. Partij [gedaagde] en [gedaagde sub 2] trekken hun vordering in voor zover gebaseerd op onrechtmatig beslag. (…)’

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] c.s. vorderen, na eisvermindering zoals in de vaststellingsovereenkomst is verwoord, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht zal verklaren dat [gedaagde] c.s. aansprakelijk zijn voor de materiële en immateriële schade die [eiser] lijdt en zal lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] c.s. en [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [eiser], vermeerderd met wettelijke rente en kosten, op te maken bij staat en met veroordeling van [gedaagde] c.s. in de kosten.

3.2. [gedaagde] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde] c.s. vorderen, na eisvermindering zoals in de vaststellingsovereenkomst is verwoord, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] c.s. zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] van € 750,-- als vergoeding van geleden immateriële schade en € 50,-- als vergoeding van geleden materiële schade (kapotte spijkerbroek), vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van [eiser] en [eiser sub 2] in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten.

3.4. [eiser] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Aan hun vordering leggen [eiser] c.s. ten grondslag dat [gedaagde] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld doordat zij op 20 juli 2009 grof lichamelijk geweld jegens [eiser] hebben gebruikt. [gedaagde] zou [eiser] op zijn onderarm hebben geslagen en [gedaagde sub 2] zou [eiser] op zijn hoofd hebben geslagen. [eiser] stelt dat hij daardoor (blijvend) letsel aan zijn arm heeft opgelopen en dat hij last heeft van (stress)hoofdpijn. Als gevolg van het onrechtmatig handelen lijdt hij dan ook schade, voornamelijk bestaande uit arbeidsvermogensschade en verlies aan zelfwerkzaamheid. Ter onderbouwing van het gestelde onrechtmatig handelen verwijzen [eiser] c.s. naar de door hun bij de politie afgelegde verklaringen.

4.2. [gedaagde] c.s. hebben onder verwijzing naar de verklaringen die zij en [betrokkene] tegenover de politie hebben afgelegd het door [eiser] c.s. gestelde onrechtmatig handelen bestreden. Voor zover al sprake is geweest van door [gedaagde] en [gedaagde sub 2] jegens [eiser] uitgeoefend lichamelijk geweld, beroepen zij zich op noodweer. Daartoe voeren zij aan dat zij zich enkel hebben verweerd tegen het geweld dat door [eiser] en [eiser sub 2] op hen werd uitgeoefend. [gedaagde] is daarbij zijn echtgenote [gedaagde sub 2] te hulp geschoten nadat zij door [eiser] meermalen met een plank werd geslagen. Zij hebben derhalve gehandeld uit zelfverdediging. Subsidiair voeren zij aan dat sprake is van eigen schuld van [eiser]: [eiser] is de vechtpartij zelf gestart door tot viermaal toe op [gedaagde sub 2] in te slaan. Het is derhalve aan zijn schuld te wijten dat er een vechtpartij is ontstaan en dat er ook jegens hem mogelijk geweld is gebruikt.

4.3. Nu [gedaagde] c.s. het door [eiser] c.s. gestelde onrechtmatig handelen gemotiveerd hebben bestreden, rust op grond van artikel 150 Rv op [eiser] c.s. de bewijslast van hun stelling dat [gedaagde] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld doordat zij hem op zijn arm respectievelijk zijn hoofd hebben geslagen. Tot die bewijslevering zullen [eiser] c.s. worden toegelaten.

4.4. Als [eiser] c.s. in die bewijslevering zouden slagen, ligt het beroep van [gedaagde] c.s. op noodweer en eigen schuld ter beoordeling voor. Een geslaagd beroep op noodweer zou op grond van artikel 6:162 lid 2 (slot) BW de daad haar onrechtmatige karakter kunnen doen verliezen. Een geslaagd beroep op artikel 6:101 BW zou kunnen leiden tot een vermindering (al dan niet volledig) van de schadevergoedingsplicht.

[eiser] c.s. hebben de door [gedaagde] c.s. gestelde toedracht die een beroep op noodweer en eigen schuld zou kunnen rechtvaardigen, gemotiveerd weersproken. Op grond van artikel 150 Rv rust op [gedaagde] c.s. de bewijslast van de feiten en omstandigheden die het beroep op noodweer en eigen schuld zouden kunnen rechtvaardigen. Tot die bewijslevering worden zij toegelaten.

4.5. Over de wijze waarop de bewijslevering zal plaatsvinden wordt hierna (rov. 4.10.) overwogen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

in reconventie

4.6. [gedaagde] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat [eiser] onrechtmatig jegens [gedaagde sub 2] heeft gehandeld doordat hij haar tot vier maal toe met een plank heeft geslagen. Als gevolg daarvan lijdt zij schade, bestaande uit immateriële schade (€ 750,--) en materiële schade (€ 50,--) in verband met de als gevolg van de klappen vernielde spijkerbroek.

4.7. [eiser] heeft bestreden dat hij [gedaagde sub 2] tot viermaal toe met een plank zou hebben geslagen. Hij heeft, in reactie op de klap die [gedaagde sub 2] hem op zijn hoofd heeft gegeven, eenmaal teruggeslagen. Daarbij handelde hij uit noodweer. Hij betwist dat hij daarbij de spijkerbroek van [gedaagde sub 2] heeft beschadigd.

4.8. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] van (de ernst en omvang van) het door [gedaagde sub 2] gestelde onrechtmatig handelen rust op grond van artikel 150 Rv op [gedaagde] c.s. de bewijslast van hun stelling dat [eiser] onrechtmatig jegens [gedaagde sub 2] heeft gehandeld doordat hij haar viermaal heeft geslagen met een stok en dat daardoor haar spijkerbroek is gescheurd. [gedaagde] c.s. zullen tot die bewijslevering worden toegelaten.

4.9. Indien [gedaagde] c.s. slagen in die bewijslevering, ligt het beroep van [eiser] op noodweer voor. [gedaagde] c.s. hebben de door [eiser] geschetste toedracht, die volgens [eiser] een beroep op noodweer rechtvaardigt, gemotiveerd bestreden. Volgens artikel 150 Rv rust op [eiser] de bewijslast van de feiten en omstandigheden die een beroep op noodweer zouden kunnen rechtvaardigen.

4.10. Zowel in conventie als in reconventie zijn de partijen met een of meer bewijsopdrachten belast. De bewijslevering aan beide zijden in zowel de enquête als de contra-enquête zal – afhankelijk van het aantal getuigen - zoveel mogelijk tijdens één zitting plaatsvinden, waarbij de rechtbank er de voorkeur aan geeft dat de getuigen tijdens hun verhoor gelijktijdig over alle bewijsopdrachten zullen worden ondervraagd.

4.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie,

5.1. draagt [eiser] c.s. op te bewijzen dat [gedaagde] en [gedaagde sub 2] op 20 juli 2009 onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld doordat [gedaagde] hem op zijn arm heeft geslagen en [gedaagde sub 2] hem op zijn hoofd heeft geslagen;

5.2. draagt [gedaagde] c.s. op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat het door hen jegens [eiser] uitgeoefende geweld noodzakelijk was ter verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zichzelf of een ander,

5.3. draagt [gedaagde] c.s. op feiten en omstandigheden te bewijzen die een beroep op eigen schuld rechtvaardigen,

5.4. bepaalt dat, indien [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. het bewijs door getuigen willen leveren, de getuigenverhoren aan de zijde van [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. zullen plaatsvin¬den op de terechtzitting van mr. J.M. Graat in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op 19 juli 2010 van 09.00 uur tot 16.00 uur,

5.5. bepaalt dat [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)- en aan de wederpartij moeten berichten of zij bewijs door getuigen willen leveren en zo ja, onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen.

5.6. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)

- om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op de datum waarop nadere dag- en uurbepaling wordt verzocht,

5.7. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle bewijsstukken die zij nog in het geding willen brengen aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.9. draagt [gedaagde] c.s. op te bewijzen dat [eiser] onrechtmatig jegens [gedaagde sub 2] heeft gehandeld doordat hij haar op 20 juli 2009 vier maal met een plank heeft geslagen;

5.10. draagt [eiser] op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat het door hem jegens [gedaagde sub 2] uitgeoefende geweld noodzakelijk was ter verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zichzelf of een ander,

5.11. bepaalt dat, indien [gedaagde] c.s. en [eiser] het bewijs door getuigen willen leveren, de getuigenverhoren aan de zijde van [gedaagde] c.s. en [eiser] zullen plaatsvin¬den op de terechtzitting van J.M. Graat in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op 19 juli 2010 van 09.00 uur tot 16.00 uur,

5.12. bepaalt dat [gedaagde] c.s. en [eiser] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)- en aan de wederpartij moet berichten of zij bewijs door getuigen wil leveren en zo ja, onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen.

5.13. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)

- om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op de datum waarop nadere dag- en uurbepaling wordt verzocht,

5.14. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle bewijsstukken die zij nog in het geding willen brengen aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.15. houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.