Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM7959

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
05/508527-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Verkrachting na toedienen drug. Ook in het geval van wrijven over de clitoris, waarbij sprake is van het passeren van de schaamlippen, is er sprake van seksueel binnendringen a.b.i. art. 242 Sr."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Promis II

Parketnummer : 05/508527-09

Datum zitting : 25 mei 2010

Datum uitspraak : 8 juni 2010

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : 15 november 1987 te [geboorteplaats]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 april 2009 te De Klomp, gemeente Ede, althans in

Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft

gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het daarbij brengen van één of

meerdere van zijn vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die

[slachtoffer] en/of

- het brengen/duwen van zijn tong in en/of tegen de mond van die [slachtoffer],

en welk(e) feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft/hebben bestaan

- dat verdachte die [slachtoffer] heeft gedrogeerd, door haar een middel toe te

dienen, zijnde een drug (te weten speed/amfetamine), tengevolge waarvan die

[slachtoffer] in een (lichamelijke en/of psychische) toestand is komen te verkeren

waarin zij niet, althans onvoldoende, in staat was weerstand aan verdachte te

bieden en/of

- dat verdachte door het leeftijdsverschil tussen hem en die [slachtoffer]

(geboortedatum 7 september 1993) een geestelijk overwicht op die [slachtoffer] had;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 11 april 2009 te De Klomp, gemeente Ede, in ieder geval in

Nederland, door een feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het

dulden van (een) ontuchtige handeling(en), bestaande uit het opzettelijk

ontuchtig

- betasten van de vagina, in ieder geval de clitoris, van die [slachtoffer] en/of

- brengen/duwen van zijn tong in en/of tegen de mond van die [slachtoffer],

en welk(e) feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft/hebben bestaan

- dat verdachte die [slachtoffer] heeft gedrogeerd door haar een middel toe te

dienen, zijnde een drug (te weten speed/amfetamine), tengevolge waarvan die

[slachtoffer] in een (lichamelijke en/of psychische) toestand is komen te verkeren

waarin zij niet, althans onvoldoende, in staat was weerstand aan verdachte te

bieden en/of

- dat verdachte door het leeftijdsverschil tussen hem en die [slachtoffer]

(geboortedatum 7 september 1993) een geestelijk overwicht op die [slachtoffer] had;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 11 april 2009 te De Klomp, gemeente Ede, in elk geval in

Nederland, met [slachtoffer], (geboortedatum 7/9/1993),

die toen de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt en/of van wie

verdachte wist dat die [slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn of

lichamelijke onmacht verkeerde,

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,te weten

- het betasten van de vagina, in ieder geval de clitoris van die [slachtoffer] en/of

- het duwen van zijn tong in en/of tegen de mond van die [slachtoffer];

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 25 mei 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat ook verder niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 april 2009 heeft de toen 21-jarige verdachte de 15-jarige [slachtoffer] (hierna: aangeefster) naar huis gebracht met zijn bestelbus. Tijdens de rit naar het huis van aangeefster is verdachte gestopt bij een benzinestation, heeft daar zonder medeweten van aangeefster een drug (speed/amfetamine) in een flesje AA-drank gedaan en dit flesje aan haar gegeven. Aangeefster heeft dit drankje gedronken. Op de parkeerplaats van station De Klomp, gemeente Ede, heeft verdachte de auto tot stilstand gebracht en over de clitoris van aangeefster gewreven.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte van aangeefster, ondersteund door de verklaringen van

[zus verdachte], de zus van verdachte en vriendin van aangeefster, van de moeder en de tante van aangeefster en op de verklaringen van verdachte, afgelegd bij de politie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte wegens gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feit.

Hij stelt hiertoe het volgende. Er is geen sprake geweest van dwang van de zijde van verdachte. Dit kan onder meer afgeleid worden uit de omstandigheid dat verdachte is gestopt met zijn handelingen op het moment dat aangeefster aangaf dat ze naar huis wilde. Ook het drogeren en het leeftijdsverschil zijn volgens de raadsman geen omstandigheden die leiden tot bewezenverklaring van het bestanddeel dwingen met geweld of een andere feitelijkheid. Tevens is niet aannemelijk dat er een causaal verband bestaat tussen het geven van speed en de reactie van aangeefster op de handelingen van verdachte. Voorts kan niet bewezen worden dat verdachte het opzet had om tegen de wil van aangeefster seksueel binnen te dringen, en is er bovendien geen sprake geweest van binnendringen.

Voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde acht de raadsman niet bewezen dat er sprake was van het verkeren “in een staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht”. Ook het opzet ontbrak..

Oordeel van de rechtbank

Gedwongen door geweld of een andere feitelijkheid?

Toedienen drug

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster speed heeft toegediend zonder dat zij dat wist. Hij deed dat omdat hij met haar wilde knuffelen en aan haar clitoris wilde zitten. Nadat verdachte de speed aan aangeefster had toegediend heeft hij haar niet meteen naar huis gebracht. Verdachte wist dat de drug tien minuten tot een kwartiertje nodig had om effect te sorteren. Hij is eerst naar een Mac Donalds in Veenendaal gereden, een ritje van ongeveer tien minuten, daarna naar de MacDrive van de Hamburger King en vervolgens naar de parkeerplaats van station De Klomp. Op deze parkeerplaats heeft verdachte zijn auto geparkeerd ondanks dat aangeefster inmiddels al twee keer had gezegd naar huis te willen.

Uit hetgeen verdachte en aangeefster verklaren over het verloop van de rit naar huis nadat verdachte de drug had toegediend leidt de rechtbank af dat verdachte doelbewust tijd heeft gerekt om de drug in te laten werken. Terwijl aangeefster zich in de auto van verdachte op de parkeerplaats bevond, voelde ze zich niet meer zo lekker, was ze moe en voelde ze zich licht in haar hoofd worden, zo heeft ze verklaard. Op het moment dat verdachte zijn vinger in haar vagina deed, kon ze niets doen en voelde ze zich raar. Ze wist niet wat er ging gebeuren en raakte in paniek. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster rustiger werd door de speed en dat hij door de speed gemakkelijk aan haar vagina kon zitten . Aangeefster kon er volgens verdachte niets aan doen dat dit is gebeurd .

Op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangeefster bewust in een toestand heeft gebracht waarin zij onvoldoende in staat was weerstand te bieden aan verdachte, dat verdachte zijn eigen wil heeft opgedrongen aan aangeefster en haar aldus heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Dat verdachte met zijn handelingen is gestopt op het moment dat aangeefster naar huis wilde, zoals door zijn raadsman aangevoerd, en er derhalve geen sprake was van dwang, wordt door het hiervoor overwogene weersproken. Evenals door de verklaringen van aangeefster en de verklaring van verdachte zelf, waaruit blijkt dat verdachte zijn handelingen pas heeft gestaakt nadat de telefoon van aangeefster was gegaan.

Leeftijdverschil

De rechtbank acht het enkele feit dat aangeefster een minderjarige van 15 jaar was terwijl verdachte 21 jaar oud was, een dermate groot verschil in leeftijd en ontwikkeling dat dit een feitelijkheid is die onder de gegeven omstandigheden dwang ten opzichte van de minderjarige oplevert.

Seksueel binnendringen

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar begon te zoenen, met zijn tong in haar mond. Zij heeft tweemaal haar mond weggetrokken, maar hij probeerde het steeds opnieuw. Verdachte ontkent niet dat hij met zijn tong in de mond van aangeefster is gegaan. Dit dient volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad te worden aangemerkt als seksueel binnendringen als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht en levert de kwalificatie ‘verkrachting’ op.

Zwaartepunt van het aan verdachte tenlastegelegde feit is echter het seksueel binnendringen in de vagina van aangeefster. De rechtbank legt het begrip ‘vagina’ zoals in de tenlastelegging omschreven, uit als het gehele vrouwelijke geslacht, dat bestaat uit de vulva, schaamlippen en clitoris, en de schede. De rechtbank leest de ‘vagina’ dus niet als de anatomische omschrijving die beperkter is en waarmee alleen de schede wordt bedoeld.

Volgens vaste jurisprudentie valt elke vorm van seksueel binnendringen in het lichaam met een seksuele strekking onder de reikwijdte van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. De bedoeling van de bepaling is het beschermen van de (seksuele) integriteit van het lichaam. Het passeren van de schaamlippen om rond de clitoris te wrijven is een seksuele handeling die als een ingrijpende aantasting van de lichamelijke integriteit wordt ervaren en als seksueel binnendringen van het lichaam kan worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster, dat verdachte zijn vinger in haar vagina deed geloofwaardig. Temeer nu verdachte, na het afleggen van een aanvankelijk ontkennende verklaring, uiteindelijk heeft bekend dat hij over de clitoris van aangeefster heeft gewreven. Gelet op de hiervoor door de rechtbank gegeven uitleg van het begrip ‘vagina’ is voor het antwoord op de vraag of er sprake was van het seksueel binnendringen niet bepalend of verdachte met zijn vinger al dan niet in de schede van aangeefster is geweest . Ook in het geval van wrijven over de clitoris, waarbij sprake is van het passeren van de schaamlippen, is er sprake van seksueel binnendringen.

Opzet

Verdachte heeft aangeefster doelbewust een drug toegediend omdat hij dacht dat ze daardoor williger zou worden voor wat betreft zijn bedoeling om aan haar clitoris te zitten. Dit had hij bedacht toen hij met aangeefster onderweg was naar de Shell. Verdachte wist en wilde dat ook, dat aangeefster in een toestand verkeerde waarin ze mogelijk seksuele handelingen zou toestaan die ze in haar normale doen mogelijk niet zou toestaan. Op basis van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het opzet bewezen om tegen de wil van aangeefster seksueel bij haar binnen te dringen.

Dat verdachte verklaart dat de toegediende drug speed betreft en dat de uitwerking van speed in het algemeen een andere is dan verdachte verwachtte en aangeefster ervoer, maakt dit opzet niet anders.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 11 april 2009 te De Klomp, gemeente Ede, door geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het daarbij brengen van één of

meerdere van zijn vingers in de vagina van die[slachtoffer] en

- het brengen/duwen van zijn tong in de mond van die [slachtoffer],

en welke feitelijkheden hierin hebben bestaan

- dat verdachte die [slachtoffer] heeft gedrogeerd, door haar een middel toe te

dienen, zijnde een drug (te weten speed/amfetamine), tengevolge waarvan die

[slachtoffer] in een (lichamelijke en psychische) toestand is komen te verkeren

waarin zij onvoldoende, in staat was weerstand aan verdachte te

bieden en

- dat verdachte door het leeftijdsverschil tussen hem en die [slachtoffer]

(geboortedatum 7 september 1993) een geestelijk overwicht op die [slachtoffer] had;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

Verkrachting

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 27 april 2010;

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, betreffende verdachte, opgemaakt door [naam] gedateerd 14 januari 2010.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat de onderhavige gebeurtenis sterk de schijn heeft van een vooropgezet plan, waarbij verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn psychische overwicht. Verdachte is immers ouder dan aangeefster en had een goed contact met haar. Door zijn handelwijze heeft hij het vertrouwen van aangeefster geschaad en haar lichamelijke integriteit ernstig aangetast, aldus de officier van justitie. De officier van justitie houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat hij niet eerder is veroordeeld. Zij vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, almede met verplicht reclasseringscontact, ook als dit inhoudt een behandeling bij “De Waag” of een soortgelijke instelling. Ter zake het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf heeft de officier van justitie gevorderd dat dit plaatsvindt met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie een contactverbod van de verdachte met het slachtoffer gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte spijt heeft van zijn daden. Daarnaast is verdachte een “first offender”en heeft hij een eigen bedrijf. Daarbij blijkt uit het reclasseringsrapport dat er bij verdachte geen problemen zijn op de verschillende leefgebieden en wordt het recidiverisico als laag geschat. Voorts is verdachte bereid om mee te werken aan een behandeling. Al deze factoren dienen naar de visie van de raadsman meegenomen te worden in de strafmaat.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting op de wijze zoals bewezen verklaard. Hij heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. De verdachte heeft bij zijn handelen een doelbewuste keuze gemaakt om aangeefster te drogeren, in de hoop dat de grenzen van aangeefster zouden vervagen en hij aan zijn gerief kon komen.

Daarnaast moet de verdachte zich bewust zijn geweest van het substantiële leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer, waardoor hij een geestelijk overwicht op haar had. Een dergelijke situatie moet voor het slachtoffer een bijzonder traumatische en vernederende ervaring zijn geweest waarbij zij zich ongewenste handelingen van de verdachte heeft moeten laten welgevallen. Haar vertrouwen in mensen is ernstig geschaad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de gevoelens van het slachtoffer, maar slechts oog heeft gehad voor zijn eigen persoonlijke bevrediging. Een dergelijke feit veroorzaakt gevoelens van onrust en wantrouwen jegens de medemens in de maatschappij.

Uit het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, betreffende de verdachte, opgemaakt door [naam] gedateerd 14 januari 2010, blijkt dat verdachte op de verschillende leefgebieden nauwelijks problemen heeft. In het rapport wordt wel aangegeven dat hij op enkele punten risicovol gedrag vertoont. Daarnaast gebruikt de verdachte incidenteel speed. De rapporteur schat het risico op ontrekken aan eventueel op te leggen voorwaarden laag in. Op grond van het recidiverisico, de criminogene factoren en de interventies in het verleden wordt een toezicht op de bijzondere voorwaarden met behandeling bij een instelling als “De Waag” geïndiceerd.

De rechtbank heeft mede acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte geen strafblad heeft. Echter de rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit dusdanig is dat een eventuele op te leggen werkstraf geen recht zou doen aan de ernst daarvan.

Alles overwegende ziet de rechtbank hierdoor aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen, waarvan een deel voorwaardelijk met na te noemen bijzondere voorwaarden, zulks met het oog op de speciale preventie en als waarschuwing aan verdachte om zich in de toekomst van het plegen van dergelijke feiten en andere strafbare feiten te onthouden.

De rechtbank ziet echter geen reden om een contactverbod tussen de verdachte en het slachtoffer op te leggen, nu de verdachte zelf er blijk van heeft gegeven geen contact te willen zoeken met het slachtoffer.

6a. De beoordeling van de civiele vordering van [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. Zij vordert ter zake van geleden materiele en immateriële schade een bedrag van € 16.459,40.

Standpunt van de verdediging

Door en namens de verdachte is de vordering van de benadeelde betwist, nu de verdachte het tenlastegelegde ontkent en dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. Daarbij acht de raadsman de vordering van de benadeelde partij niet van eenvoudige aard zodat niet-ontvankelijkheid dient te volgen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toegelicht dat vorderingen van een benadeelde partij in een strafzaak slechts toegewezen kunnen worden indien zij van eenvoudige aard zijn. Gelet op het vorenstaande heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat voor wat betreft de gevorderde materiële schade, kunnen worden toegewezen de schadeposten ‘reiskosten’ en de ‘telefoon- en portokosten’. De overige posten dienen niet ontvankelijk te worden verklaard. Aan immateriële schade kan een bedrag van € 1000,- worden toegewezen, aldus de officier van justitie.

Bij het toe te wijzen deel van de vordering verzoekt de officier van justitie een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft ter zake van materiële schade een bedrag van

€ 6.472,90 gevorderd en ter zake van immateriële schade een bedrag van € 10.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering -zoals deze door de benadeelde partij is ingediend- complex van aard is en zich grotendeels niet leent voor een behandeling in een strafzaak.

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Slechts een gedeelte van de gevorderde reiskosten is onderbouwd, is van eenvoudige aard en vloeit direct voort uit het bewezenverklaarde feit. Het gaat hier om twee maal de reis naar de politie in Arnhem à € 25,25, één maal de reis naar het Openbaar Ministerie in Arnhem à € 12,65, twaalf maal de reis naar de therapie in Utrecht à € 151,68 en twee maal de reis naar haar advocaat in Nijmegen à € 35,28. In totaal aan reiskosten derhalve een bedrag van € 224,86. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de vordering, zoals omschreven in bijlage I, onvoldoende is onderbouwd en niet van eenvoudige aard is. Voor dit deel dient het slachtoffer derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

De vordering ter zake het verlies van inkomsten door [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank niet van dusdanig eenvoudige aard dat dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van haar vordering.

Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de inkomensderving van de ouders van [slachtoffer], is de rechtbank van oordeel dat deze derving niet beschouwd kan worden als schade die rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit, zoals bedoeld is in artikel 51 a van het Wetboek van Strafvordering. Ook voor dit gedeelte zal het slachtoffer niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De vordering ter zake van de opgevoerde telefoonkosten en porto is onvoldoende onderbouwd en is voorts naar het oordeel van de rechtbank niet van dusdanig eenvoudige aard dat dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen. De rechtbank zal het slachtoffer dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van haar vordering.

De rechtbank acht het voldoende onderbouwd en aannemelijk dat het slachtoffer door het bewezenverklaarde feit kosten heeft gemaakt voor slaapmedicatie. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de vordering toewijzen, te weten een bedrag van € 13,50.

Ten aanzien van de immateriële schade ter hoogte van € 10.000, - overweegt de rechtbank dat zij in deze strafrechtelijke procedure niet exact kan vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade op zijn plaats is. Wel staat vast dat aan [slachtoffer] door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is verdachte aan te rekenen. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval een bedrag van

€ 1.000,- (duizend euro) aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering ter zake schoolvertraging en verhuizing is onvoldoende onderbouwd en is voorts naar het oordeel van de rechtbank niet van dusdanig eenvoudige aard dat dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van haar vordering.

De rechtbank zal ter zake de toegewezen delen van de vordering de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf vier (4) maanden niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast voor de duur van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt een behandeling bij “De Waag” of een soortgelijke instelling.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], wonende te [woonplaats] te betalen € 1.238,36 (twaalfhonderdachtendertig euro en zesendertig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1.238,36 subsidiair 24 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [woonplaats] te betalen € 1.238,36 (twaalfhonderdachtendertig euro en zesendertig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vieren twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. M.F. Gielissen rechter, als voorzitter

mr. M.A.E. Somsen, rechter,

mr. M.S.T. Belt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juni 2010.