Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM7544

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
05/513890-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks de stellige ontkenning van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij tezamen met zijn mededader op 21 oktober 2009 het Sportcenter in Barneveld heeft overvallen. Voor een dergelijk feit is geen andere straf passend dan een gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/513890-09

Datum zitting : 31 mei 2010

Datum uitspraak : 14 juni 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : 3 augustus 1990 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in : PI Flevoland - HvB Almere Binnen, Almere.

raadsman : mr. S. Kroesbergen, advocaat te Ede.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 oktober 2009 te Barneveld tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) en/of een mobiele

telefoon en/of een of meer sleutel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [sportcentrum]n/of [be[betrokkene1] en/of

[betrokkene2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [betrokkene1] en/of

[betrokkene2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader zijn/hun gezicht/hoofd

heeft/hebben afgedekt met (een) bivakmuts(en), en/of een vuurwapen, althans

een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op en/of

heeft/hebben gehouden in de richting van die [betrokkene1] en/of [betrokkene2]

en/of die [betrokkene1] en/of [betrokkene2] dreigend mondeling heeft/hebben

toegevoegd "waar is het geld...waar is het geld...meekomen...waar is het geld,

waar is de kluis...is dit alles?..." en/of "als zij (verdachten) de politie

achter zich aan zouden krijgen, zij die [betrokkene1] en/of [betrokkene2] zouden

doodschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 31 mei 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S. Kroesbergen, advocaat te Ede.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- [betrokkene2].

De officier van justitie, mr. E.H. Köhne-Hoegen, heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie verzocht deze toe te wijzen en zij heeft gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. Zij heeft tevens verzocht daarbij te bepalen dat verdachte niet meer tot vergoeding is gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende aangevoerd.

- Er is geen enkele reden om aan de aangiften van [betrokkene1] en [betrokkene2] te twijfelen. Daarmee staat vast dat op 21 oktober 2009 het [sportcentrum] te Barneveld door twee gemaskerde mannen is overvallen.

- Medeverdachte [medeverdachte] heeft contacten met [werkneemster]. Zij werkt bij het sportcentrum en [medeverdachte] is een keer met haar mee geweest naar het sportcentrum.

- Verdachte (verder tevens aangeduid als [verdachte]) en [medeverdachte] zijn op 21 oktober 2009 in Barneveld geweest, zoals ook is te zien op de camerabeelden van Kiprestaurant [naam].

- De getuigen [getuige1] en [getuige2] hebben verklaard dat de mannen die te zien zijn op de camerabeelden, [medeverdachte] en [verdachte], de weg naar het sportcentrum hebben gevraagd. [getuige1] heeft ook nog verklaard dat de mannen vroegen naar de sluitingstijd van het sportcentrum. Op de camerabeelden is te zien dat de getuige in de richting van het sportcentrum wijst, en niet in de richting van café [café naam], zodat de verklaring van [medeverdachte] en [verdachte] dat zij de weg vroegen naar een kroeg onaannemelijk is.

- [medeverdachte] en [verdachte] voldoen aan het door aangevers genoemde signalement van de overvallers.

- Bij de overval noemt de ene overvaller de andere overvaller “[naam]”, wat de voornaam is van [verdachte].

- Getuige [getuige7], een vroegere klasgenoot van [medeverdachte], verklaart dat [medeverdachte] en een voor haar onbekende vriend vroeger samen een eigen taaltje spraken waarbij de klinkers uit de woorden werden weggelaten. Dit verklaart waarom één van de aangevers zegt dat de overvallers een onbekende taal spraken.

- Uit zendmastgegevens blijkt dat de telefoons van [medeverdachte] en [verdachte] ten tijde van de overval uitgeschakeld waren.

- Op de dag nadat de medewerkers van het sportcentrum ervan op de hoogte zijn gesteld dat er opnames zouden worden gemaakt voor het televisieprogramma “Opsporing Verzocht” is er via Hyves opvallend veel contact geweest tussen [medeverdachte] en [werkneemster]. Na die dag is er geen belcontact meer tussen [medeverdachte] en [werkneemster].

- Na de uitzending van “Opsporing Verzocht” lijken [medeverdachte] en [verdachte] telefonisch afspraken te maken over hetgeen zij gaan verklaren.

- Bij de doorzoeking van de woning van de moeder van [medeverdachte] worden grijze, gebreide handschoenen in beslag genomen. Aangevers verklaren dat één van de overvallers grijze, gebreide handschoenen droeg.

- [medeverdachte] en [verdachte] werken niet mee aan het onderzoek en houden informatie achter.

Gelet op het bovenstaande acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte] tezamen en in vereniging op 21 oktober 2009 de overval op het [sportcentrum] te Barneveld hebben gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat [verdachte] die dag met [medeverdachte] naar Barneveld is gegaan om daar een meisje, naar later bleek [werkneemster], op te zoeken, maar dat zij op enig moment te horen kregen dat dit meisje niet thuis was. [medeverdachte] en [verdachte] besloten toen in Barneveld nog wat te gaan drinken. Zij hebben in een snackbar de weg naar een kroeg gevraagd en zijn toen naar café [café naam] gegaan. Daar hebben zij nog iets gedronken, waarna zij weer zijn weggegaan uit Barneveld. [verdachte] betwist dus de overval te hebben gepleegd.

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat de overval vreemd overkomt, omdat de betrokken medewerkers na de overval in het kantoortje zijn gaan zitten, daarna naar buiten zijn gegaan zonder het pand af te sluiten en pas thuis de politie hebben gebeld. Overigens is er geen fysiek bewijs van een overval. De raadsman twijfelt daarom aan het waarheidsgehalte van de aangiften en “sluit niet uit” dat er helemaal geen overval heeft plaatsgevonden.

Verder heeft de raadsman nog het volgende aangevoerd.

- De gehoorde getuigen komen allemaal uit Barneveld en Barneveld is een klein dorp waarin iedereen elkaar kent en verhalen snel de ronde doen. De getuigen hebben naar alle waarschijnlijkheid dus allemaal hetzelfde verhaal gehoord en hun verklaringen daarna op elkaar afgestemd. Getuige [getuige1] had, voordat hij zich meldde, al diverse mensen gesproken. Daarbij komt dat getuige [getuige3] heeft verklaard dat hij de weg heeft uitgelegd naar het sportcentrum aan één van de jongens, terwijl hij zeker weet dat de andere jongen dat moet hebben gehoord, terwijl de medewerker achter de balie - die dit dan toch ook zou moeten hebben gehoord - dit niet heeft gehoord. Dit is opmerkelijk en maakt dat deze verklaring onbetrouwbaar is.

- De overvallers spraken, volgens aangever [betrokkene2], een ‘Oostblokachtige taal’ en [medeverdachte] en [verdachte] spreken Nederlands. Aan het feit dat [betrokkene2] verklaart dat hij hoorde dat de ene overvaller de andere overvaller “[naam]”noemde, kan geen conclusie worden verbonden, want dit woord kan in een andere taal een andere betekenis hebben dan die van een voornaam.

- Er zijn opmerkelijke verschillen tussen de door de aangevers opgegeven signalementen

van de ‘daders’ en de signalementen van [verdachte] en [medeverdachte]. Zo heeft aangeefster [betrokkene1] verklaard dat één van de jongens een stuk kleiner was dan de ander, terwijl [verdachte] en [medeverdachte] in werkelijkheid nagenoeg even groot zijn.

- Van de bij de overval gebruikte en meegenomen zaken – zoals bivakmutsen en sleutelbos – is niets teruggevonden.

- Op de camerabeelden van Kiprestaurant [naam] is te zien dat [verdachte] overwegend witte sportschoenen draagt. Dat maakt dat hij niet bij de overval betrokken kan zijn geweest, omdat [betrokkene2] verklaart dat de overvallers geen hagelwitte sportschoenen droegen.

- Aangever [betrokkene2] verklaart dat één van de overvallers een broek van het merk “Replay”droeg. Echter, [betrokkene2] verklaart tevens dat hij het merkje van “Replay”op de linkerachterzak van de broek heeft waargenomen, terwijl onderzoek van de politie heeft uitgewezen dat Replay helemaal geen broeken op de markt heeft met het merk op de linkerachterzak. Dergelijke valse merkbroeken, waarbij het merkteken op een verkeerde plaats wordt gezet, komen echter wel veel voor in het voormalig Oostblok, dat weer de stelling dat de overvallers mensen uit het voormalig Oostblok waren, ondersteund.

- de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte] waren toevallig allebei leeg of zonder bereik en zijn niet gelijktijdig uitgezet. Wanneer zij bij de overval betrokken waren geweest, zou het logisch zijn dat deze toestellen gelijktijdig waren uitgezet.

- [verdachte] zou degene zijn geweest met het vuurwapen in zijn handen, maar hij is linkshandig terwijl de persoon met het vuurwapen volgens aangever [betrokkene2] dit wapen in zijn rechterhand hield.

- [medeverdachte] heeft zich op 19 oktober 2009 in het Spaarne Ziekenhuis te Hoofddorp laten behandelen aan een duidelijk zichtbaar ontstoken rechteroog. [betrokkene1] noch [betrokkene2] verklaart dat hij of zij een dergelijke ontsteking heeft waargenomen aan het oog van één van de overvallers. Wanneer [medeverdachte] en [verdachte] betrokken zouden zijn geweest bij de overval, hadden de aangevers dit moeten zien.

Beoordeling van de standpunten

Allereerst heeft de raadsman aangevoerd dat er reden is om aan het waarheidsgehalte van de door aangevers [betrokkene1] en [betrokkene2] afgelegde verklaringen te twijfelen, omdat zij zich na en tijdens de overval opmerkelijk zouden hebben gedragen.

De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van [betrokkene1] en [betrokkene2], het in een kantoor plaatsnemen op bevel van overvallers en het naderhand zo snel mogelijk het pand willen verlaten, geenszins is aan te merken als opmerkelijk gedrag van personen die zojuist een overval hebben meegemaakt. De rechtbank ziet daarin geen enkele aanleiding om aan het waarheidsgehalte van hun verklaringen te twijfelen. Ook in het ontbreken van “fysiek bewijs” ziet de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers, die elkaar ondersteunen, te twijfelen. Voor zover de raadsman stelt dat beiden de overval hebben verzonnen en hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd wordt deze - verder niet onderbouwde - stelling als onaannemelijk verworpen. Niet valt in te zien welk belang aangevers daarbij zouden hebben, temeer niet nu gelet op de door hun genoemde buit van slechts € 67,00, een financieel motief (waarbij zij de buit zelf zouden hebben opgestreken) in redelijkheid uit te sluiten is. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt daarom verworpen

Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van het volgende.

Op 21 oktober 2009 komen omstreeks 22.40 uur twee mannen het [sportcentrum] in Barneveld binnen. Het [sportcentrum] is op dat moment gesloten en twee medewerkers van dit sportcentrum, mevrouw (betrokkene1] en de heer [betrokkene2], zijn bezig om het sportcentrum af te sluiten.

De twee mannen hebben hun gezichten/hoofden afgedekt met een bivakmuts en één van hen heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (hierna: het vuurwapen) bij zich, dat hij steeds aan [betrokkene1] en [betrokkene2] toont. De man met het vuurwapen roept tegen hen: “waar is het geld, waar is het geld?” en “meekomen”en “waar is het geld, waar is de kluis?”. [betrokkene2] moet op zijn knieën gaan zitten en [betrokkene1] geeft de man met het vuurwapen de sleutel van de kluis. Zij vertelt hem daarbij dat het gaat om een zogenaamde stortkluis: met de kluissleutel die zij heeft, kan er uitsluitend geld in de kluis worden gedeponeerd. Het is niet mogelijk om met die sleutel de kluis te openen om dit geld eruit te halen.

De man met het vuurwapen probeert vervolgens toch de kluis te openen. Wanneer dit niet lukt, wordt hij kwaad en probeert hij de kluis om te duwen en trapt hij ertegen aan. Om erger te voorkomen, zegt [betrokkene1] dan dat er nog wel geld in de kassa bij de bar ligt. [betrokkene1] opent die kassa bij en de man met het vuurwapen pakt vervolgens drie biljetten van 20 euro uit de kassa en vraagt hen om meer geld. Hij vraagt: “is dit alles?”. [betrokkene1] pakt zelf dan nog een twee euromunt uit de kassa en geeft hem die.

Vervolgens vraagt de man met het vuurwapen hen naar de sleutel van het sportcentrum. [betrokkene1] pakt vervolgens haar eigen sleutelbos om de sleutel van het sportcentrum eraf te halen, maar dat duurt de mannen te lang waardoor zij van de sleutel afzien. Zij halen wel vijf euro uit de portemonnee van [betrokkene1] en nemen haar mobiele telefoon mee.

Vervolgens sommeren de mannen [betrokkene1] en [betrokkene2] in het kantoor te gaan zitten, daar tien minuten te blijven en zich stil te houden. De mannen dreigen daarbij hen overhoop te schieten wanneer zij de politie bellen. Hierna verlaten de mannen het sportcentrum.

Binnen het kwartier verlaten [betrokkene1] en [betrokkene2] het kantoor. [betrokkene2] wil meteen de politie bellen, maar [betrokkene1] wil het pand zo snel mogelijk verlaten. Bij haar thuis, in de buurt van het sportcentrum, bellen zij de politie en doen zij melding van de overval.

Na de overval is [betrokkene2] zijn sleutelbos kwijt. De mannen hebben (als gezegd) uit de portemonnee van [betrokkene1] vijf euro meegenomen als ook haar mobiele telefoon. Uit de kassa is een geldbedrag van 62 euro, toebehorende aan [sportcentrum], meegenomen. Deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, zoals hierboven omschreven, welke bedreigingen werden geuit om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

[betrokkene1] verklaart dat ze zich behoorlijk bedreigd en angstig heeft gevoeld. [betrokkene2] verklaart dat hij bedreigd is door de mannen en daardoor erg overdonderd was.

Gelet op de verklaringen van [betrokkene2] en [betrokkene1] is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de twee mannen.

Vast staat dus dat er op 21 oktober 2009 een overval is gepleegd op het [sportcentrum] te Barneveld. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of [medeverdachte] en [verdachte] die overval hebben gepleegd.

Camerabeelden en getuigenverklaringen

[verdachte] verklaart dat hij met [medeverdachte] die dag omstreeks 22.00 uur in Kiprestaurant [naam] in Barneveld is geweest. In het dossier bevinden zich camerabeelden van dit restaurant omstreeks dat tijdstip, op welke beelden vier personen zijn te zien. [verdachte] heeft bevestigd dat hij één van de personen op de beelden is en dat één van de andere personen [medeverdachte] is.

De getuige [getuige3] verklaart dat hij en getuige [getuige4] de overige twee personen zijn die zijn te zien op de beelden. [getuige4] bevestigt dat hij daar toen met [getuige3] was.

[getuige4] verklaart daarover dat hij die dag omstreeks 22.00 uur met [getuige3] in Kip¬restaurant [naam] aanwezig was en dat hij daar heeft gesproken met twee jongens. Beide jongens waren tussen de 20 en 25 jaren oud. Eén van hen was rond de 1.85 meter lang, had blond, kort stekelig haar en sprak accentloos Nederlands. De andere jongen was iets kleiner dan 1.85 meter. Die jongens vroegen aan hem waar het [sportcentrum] was. Hij heeft hen verteld dat dit sportcentrum gelegen was aan de [adres]. Vervolgens hoorde hij dat één van de jongens aan het personeelslid achter de bar vroeg waar zij bier konden kopen en hoorde hij dat dit personeelslid zei dat ze bier bij café [café naam] konden kopen. Hierna zijn de twee jongens vertrokken.

Ook [getuige3] verklaart dat hij die dag, met [getuige4], in Kiprestaurant [naam] was, dat zij daar werden aangesproken door twee jongens die hen de weg vroegen naar het fitnesscentrum of sportcentrum [naam] en dat hij tezamen met [getuige4] de weg naar het sportcentrum heeft uitgelegd. [getuige4] heeft daarbij nog in de richting van het sportcentrum gewezen. Eén van deze mannen vroeg ook nog waar hij bier kon krijgen. Aan [getuige3] zijn de camerabeelden getoond en hij bevestigt dat de jongens die op de beelden te zien zijn, de jongens zijn aan wie hij met [getuige4] de weg naar het sportcentrum heeft uitgelegd.

[verdachte] en [medeverdachte] stellen dat zij helemaal niet de weg naar het sportcentrum vroegen, maar dat zij hebben alleen maar hebben gevraagd waar zij in Barneveld een biertje konden krijgen.

Beide getuigen hebben inderdaad verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte] vroegen waar zij een biertje konden krijgen, maar zij verklaren ook dat door dezelfde jongens aan hen de weg naar het sportcentrum is gevraagd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de inhoud van de verklaringen van de twee getuigen te twijfelen, nu beiden eensluidend verklaren en deze verklaringen worden ondersteund door de camerabeelden, waarop te zien dat één van de mannen de linkerkant, de kant van het sportcentrum, op wijst, terwijl café [café naam], waar [verdachte] de weg naar zegt te hebben gevraagd, aan de rechterkant ligt.

De raadsman heeft aangevoerd dat deze getuigen mogelijk hun verklaringen hebben aangepast aan het verhaal over de overval, dat ongetwijfeld in Barneveld een eigen leven is gaan leiden.

De rechtbank ziet echter niet in waarom deze getuigen ineens zouden verklaren dat [verdachte] en [medeverdachte] niet alleen hebben gevraagd naar een kroeg, zoals door [verdachte] en [medeverdachte] is verklaard, maar daarbij ook zouden verzinnen dat zij de weg vroegen naar het sportcentrum. [getuige4] heeft zijn verklaring daarbij al op 26 oktober 2009 afgelegd, dus relatief kort na de overval. Bovendien zou, in de theorie van [verdachte] en [medeverdachte] dat [getuige4] hen de weg naar [café naam] wees, [getuige4] hen al dan niet opzettelijk de verkeerde kant op hebben gestuurd. [getuige4] wees immers naar links, terwijl [café naam] vanuit [getuige4] gezien aan de rechterkant ligt. Van aanpassing van een verhaal is dus niet gebleken.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het vreemd is dat [getuige3] heeft verklaard dat hij de weg heeft uitgelegd naar het sportcentrum aan één van de jongens, terwijl hij zeker weet dat de andere jongen dat moet hebben gehoord, terwijl de medewerker van [naam] achter de balie, - waarbij kennelijk gedoeld wordt op getuige [getuige5] - dit niet zou hebben gehoord. De rechtbank overweegt dat [getuige3] verklaart dat “de jongen die er later bij kwam” heeft moeten horen dat ze het over [sportcentrum] hadden omdat die jongen er toen bij stond en er naar luisterde. De omstandigheid dat [getuige5] die avond in [naam] heeft gewerkt betekent nog niet dat hij erbij stond en heeft geluisterd toen [getuige3] en [getuige4] de weg naar het [naam] sportcentrum zouden hebben gewezen. Dat hij er op dat moment niet bij stond lijkt juist waarschijnlijker, nu getuige [getuige5] verklaart dat hij de op de camerabeelden afgebeelde situatie, waarop [verdachte], [medeverdachte], [getuige3] en [getuige4] te zien zijn, niet herkent en nu [getuige3] verklaart dat er op dat moment een meisje achter de balie stond. Dat [getuige5] zich niet kan herinneren gehoord te hebben dat er op de bewuste avond is gevraagd naar het [naam] sportcentrum doet dan ook in het geheel geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige3] en [getuige4].

De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de verklaringen van [getuige4] en [getuige3] te twijfelen.

De rechtbank is daarmee van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] in Kiprestaurant [naam] de weg hebben gevraagd naar het sportcentrum.

[verdachte] en [medeverdachte] verklaren dat zij, nadat zij bij Kiprestaurant [naam] zijn geweest, naar café [café naam] zijn gegaan.

[getuige1] verklaart daarover dat hij op dat moment in [café naam] aanwezig is. Hij merkt daar twee mannen op die een biertje drinken en wordt vervolgens aangesproken door één van hen. Deze jongen vraagt aan [getuige1] of hij het [naam] Sportcentrum kent en of hij weet hoe laat dat sportcentrum dichtgaat. [getuige1] antwoordt dat hij het sportcentrum kent en dat het rond 22.00 uur – 22.15 uur sluit. Vervolgens verlaten de mannen het café.

[getuige1] ziet enkele weken later de camerabeelden van Kiprestaurant [naam] bij “Opsporing Verzocht”. Hij neemt contact op met de politie omdat hij de mannen op de beelden herkent als de mannen die hem op 21 oktober 2009 in café [café naam] de weg vroegen naar het sportcentrum. Hij zegt honderd procent zeker te weten dat het om dezelfde mannen gaat.

Ook [getuige6] verklaart dat zij op 21 oktober 2009 in café [café naam] aan het werk is. Ook zij ziet twee mannen, van wie één bij haar twee biertjes bestelt. Bij zijn bestelling vraagt de man aan haar of zij het sportcentrum [naam] aan de [adres] kent en of zij weet tot hoe laat dit sportcentrum is geopend. [getuige6] vertelt de man dat zij denkt dat het sportcentrum tot 21.00 uur of 22.00 uur is geopend. Zij hoort vervolgens vijf minuten later dat de man dezelfde vraag aan [getuige1] stelt, die zij hoort antwoorden dat het sportcentrum tot 22.00 uur open is.

Ook [getuige6] ziet enkele weken later, op 24 november 2009, de camerabeelden van Kiprestaurant [naam] bij “Opsporing Verzocht” en zij neemt dan opnieuw contact op met de politie. Zij stelt dat de mannen die aan haar de weg vroegen naar het Achmea Sportcentrum dezelfde mannen zijn die te zien zijn op de camerabeelden, waarbij zij zo zeker is dat zij vergissing uitsluit.

De raadsman heeft ook over deze getuigen aangevoerd dat ook zij mogelijk zijn beïnvloed door verhalen over de overval in Barneveld. Deze getuigen hebben echter kort na de overval al een verklaring afgelegd. Verder is helemaal niets aangevoerd waaruit eventuele beïnvloeding zou kunnen blijken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de inhoud van deze verklaringen te twijfelen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] niet alleen in Kiprestaurant [naam] de weg naar het sportcentrum hebben gevraagd, maar ook dat zij vervolgens in café [café naam] naar de openingstijden van het sportcentrum hebben geïnformeerd.

De vraag die ten slotte moet worden beantwoord, is of [medeverdachte] en [verdachte], die de weg naar en de openingstijden van het sportcentrum hebben gevraagd, daarna ook de overval op dit sportcentrum hebben gepleegd.

Signalementen

In het dossier bevinden zich twee verklaringen van mensen die bij de overval aanwezig waren: [betrokkene1] en [betrokkene2].

[betrokkene1] verklaart over de overvallers dat zij beiden een bivakmuts droegen. Zij verklaart over de ene overvaller dat zij aan de groen/bruine ogen kon zien dat het een jonge jongen was, die iets kleiner dan 1.72 meter en smal van postuur was. Deze jongen droeg een spijkerbroek van het merk “Replay”, een zwarte blouse en grijze, wollen handschoenen. Hij sprak Nederlands, maar dan wel straattaal. Over de andere jongen, de jongen die het wapen droeg, kan zij niets verklaren, omdat ze het wapen van die jongen steeds in de gaten hield.

[betrokkene2] verklaart over de overvallers dat het ging om mannen die goed Nederlands spraken zonder een duidelijk accent. Hij hoorde daarbij tevens dat het de mannen onderling een andere taal spraken dan Nederlands, wellicht een Oostbloktaal, en dat de ene man de andere man “[naam]”noemde. Verder verklaart hij dat één van de overvallers iets kleiner dan 1.76 meter en tenger van postuur was. Deze man droeg een zwarte jas en een spijkerbroek van het merk “Replay”. De tweede overvaller was ongeveer even groot als de eerste overvaller en had eveneens een tenger postuur. Ook deze jongen droeg een zwarte jas. [betrokkene2] kan van beide daders niet zeggen of zij handschoenen droegen en kan ook niets zeggen over de schoenen die zij droegen. Hij merkt daarbij wel op dat het geen hagelwitte sportschoenen zullen zijn geweest, omdat hij denkt dat dergelijke schoenen hem wel waren opgevallen.

Door de politie werden na de aanhouding signalementsgegevens van [verdachte] en [medeverdachte] vastgelegd. [verdachte] is 1.75 meter lang en [medeverdachte] 1.76 meter en beiden hebben een slank of tenger postuur. Beide verdachten zijn geboren in 1990 en kunnen in dat opzicht worden omschreven als “jonge jongens”. Beide verdachten spreken Nederlands. Tijdens de doorzoeking van de woning van de vader van [verdachte] zijn een zwarte jas en een spijkerbroek van het merk “Replay”in beslag genomen , bij de doorzoeking van de woning van de vader van [medeverdachte] zijn een zwarte jas en grijze, wollen handschoenen in beslag genomen.

Voorts is de voornaam van [verdachte] “[naam]”.

[verdachte] en [medeverdachte] voldoen dus in overwegende mate aan de door [betrokkene1] en [betrokkene2] opgegeven signalementen en bij hen zijn bovendien kledingstukken in beslag genomen die overeenkomen met de kledingstukken die de overvallers droegen.

De raadsman heeft over deze signalementen aangevoerd dat:

- de overvallers een Oostbloktaal spraken en dat daardoor dus niet uitgesloten is dat het woord “[naam]”een gewoon woord betreft en geen naam is.

- [betrokkene2] over de spijkerbroek die hij heeft gezien, verklaart dat hij het merkje van “Replay”op de linkerachterzak van de broek heeft waargenomen, terwijl onderzoek van de politie heeft uitgewezen dat Replay helemaal geen broeken op de markt heeft met het merk op de linkerachterzak. Dergelijke valse merkbroeken, waarbij het merkteken op een verkeerde plaats wordt gezet, komen echter wel veel voor in het voormalig Oostblok, dat weer de stelling dat de overvallers mensen uit het voormalig Oostblok waren, ondersteunt.

- op de camerabeelden te zien is dat [verdachte] die dag overwegend witte sportschoenen droeg terwijl [betrokkene2] juist verklaart dat de overvallers geen hagelwitte sportschoenen droegen.

- [verdachte] degene zou zijn geweest met het vuurwapen in zijn handen. Echter, [verdachte] is linkshandig terwijl de persoon met het vuurwapen dit wapen in zijn rechterhand zou hebben gehouden.

- [medeverdachte] zich op 19 oktober 2009 in het Spaarne Ziekenhuis te Hoofddorp heeft laten behandelen aan een duidelijk zichtbaar ontstoken rechteroog. [betrokkene1] noch [betrokkene2] verklaart dat hij of zij een dergelijke ontsteking heeft waargenomen aan het oog van één van de overvallers. Wanneer [medeverdachte] of [verdachte] betrokken waren geweest bij de overval, hadden zij dit moeten zien.

De rechtbank overweegt als volgt.

- Allereerst stelt zij vast dat zowel [betrokkene1] als [betrokkene2] verklaren dat beide overvallers goed Nederlands spraken en dat [verdachte] en [medeverdachte] ook beiden goed Nederlands spreken. [betrokkene1] verklaart daarbij dat zij denkt dat de overvallers een soort straattaal spraken, [betrokkene2] denkt dat het, naast Nederlands, gaat om een soort “Oostbloktaal”.

In het dossier bevindt zich een verklaring van een oud-klasgenoot van [medeverdachte]; mevrouw [getuige7]. Zij verklaart dat [medeverdachte] haar vorig schooljaar heeft verteld dat hij een geheimtaal/ eigen taal had met een vriend van hem, in welke taal zij de klinkers in een woord weg lieten.

De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat, wanneer men de klinkers in de woorden weg laat, de geformuleerde zinnen klinken als een Nederlandse straattaal dan wel een “Oostblokachtige” taal. Dit maakt dat het feit dat beide overvallers, naast Nederlands, ook nog een andere taal spraken, aan een bewezenverklaring niet in de weg hoeft te staan. [medeverdachte] sprak immers met een vriend een eigen taal en de rechtbank acht het niet onaannemelijk dat dit [verdachte] is.

Dit geldt ook voor het woord “[naam]”. Het kan best zijn dat dit woord in een andere taal niet alleen een voornaam betreft, maar ook een andere betekenis kan hebben, maar dan blijft nog staan het gegeven dat “[naam]”in het Nederlands een voornaam is en de voornaam van [verdachte] “[naam]” is. [betrokkene2] verklaart dat de ene dader, “dader 2”, tegen de ander, “dader 1”, de naam [naam] noemde, waarbij het op hem overkwam dat hij dit deed om diens aandacht te krijgen. [betrokkene2] verklaart het te hebben opgevat dat “dader 1” [naam] heet. De mogelijkheid dat “[naam]”in een “Oostbloktaal” ook nog een andere betekenis heeft doet er niet aan af dat de verklaring van [betrokkene2] over het gebruik van het woord [naam] door een van de daders, te weten zodanig dat het leek dat daarmee de naam van de ander werd gebruikt, en de overeenkomst met de voornaam van [verdachte] bijdragen aan de bewijslevering.

- [betrokkene2] verklaart over de spijkerbroek dat het merkje aan de linkerkant van de broek zat. Uit de verklaring van [betrokkene2] is echter niet af te leiden of hij bedoeld heeft de linkerkant, gezien vanuit de overvaller óf de linkerkant, gezien vanuit zichzelf. Het is dan ook aannemelijk dat, waar de raadsman het heeft over het merkje op de rechterachterzak, ook [betrokkene2] het heeft over een merkje op de rechterachterzak, maar dan omschreven vanuit zijn eigen perspectief: dus de linkerachterzak. Nu een dergelijk verschil in perceptie goed mogelijk is en [betrokkene2] zelf in tweede instantie ook verklaart dat het heel goed zou kunnen dat het de rechter achterzak was , is de rechtbank van oordeel dat aan het feit dat [betrokkene2] in eerste instantie verklaart over een merkje op de linkerachterzak, terwijl “Replay” kennelijk alleen maar spijkerbroeken heeft met het merk op de rechterachterzak, geen waarde moet worden toegekend.

- Dit geldt ook voor de schoenen. [betrokkene2] verklaart dat hij denkt dat de daders geen hagelwitte schoenen droegen, maar hij sluit dat ook niet uit want hij heeft de schoenen niet gezien. Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] overwegend witte schoenen draagt, maar ook is te zien dat deze schoenen tevens donkere vlakken bevatten. Te zien is ook dat de schoenen van [medeverdachte] donker zijn. De schoenen van [verdachte] waren dus in ieder geval niet hagelwit, de schoenen van [medeverdachte] waren donker.

Bovendien waren [verdachte] en [medeverdachte] met de auto in Barneveld en kan het dus zelfs zo zijn dat [verdachte] zijn schoenen heeft verwisseld. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook het feit dat [betrokkene2] verklaart dat hij denkt dat de overvallers geen hagelwitte schoenen droegen, terwijl [verdachte] die dag in Kiprestaurant [naam] witte schoenen met donkere vlakken droeg, niet maakt dat [verdachte] en [medeverdachte] niet meer aan het signalement kunnen voldoen.

- Het is niet vast te stellen of er bij de overval gebruik is gemaakt van een vuurwapen of van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (zodat de rechtbank bij een eventuele bewezenverklaring zal uitgaan van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp), waarbij de rechtbank wel opmerkt dat [betrokkene2] heeft verklaard dat hij dacht dat het vuurwapen nep was.

Wanneer er sprake is geweest van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, is het niet onlogisch dat een linkshandige [verdachte] dit in zijn rechterhand houdt. Hij kan immers toch niet schieten met het wapen en door het wapen in zijn rechterhand te houden, houdt hij zijn “goede” linkerhand vrij om zichzelf eventueel te verdedigen, andere geweldsacties toe te passen of de mee te nemen goederen te pakken. Het feit dat [verdachte] linkshandig is, staat dus in deze niet aan een bewezenverklaring in de weg.

- In het dossier bevindt zich een medische verklaring over het oog van [medeverdachte]. In deze verklaring staat dat [medeverdachte] zich op 19 oktober 2009 in het ziekenhuis aan een oogontsteking heeft laten behandelen, dat hij op 22 oktober 2009, een dag ná de overval, opnieuw in het ziekenhuis is geweest en dat toen is geconstateerd dat het oogheelkundig beeld was verbeterd. Het kan dus best zo zijn dat op 21 oktober 2009 voor een geneeskundige leek helemaal niets meer aan het oog was te zien, net zoals het kan zijn dat iemand die een vuurwapen op zich gericht krijgt helemaal niet let op details als een oogontsteking. Aan het feit dat [medeverdachte] twee dagen voor de overval een oogontsteking had terwijl de medewerkers van het sportcentrum daarover niets verklaren, hecht de rechtbank dan ook geen waarde.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] voldoen aan het door de betrokken medewerkers opgegeven signalement van de overvallers, dat de voornaam van [verdachte] overeenkomt met de naam die volgens een van de aangevers door de ene overvaller tegenover de andere werd gebruikt en dat soortgelijke kleding als die de overvallers droegen bij hen thuis is aangetroffen.

De door de raadsman aangevoerde punten over dit signalement, de kleding en het ontstoken oog van [medeverdachte] houden geen stand.

Steunbewijs?

[verdachte] en [medeverdachte] voldoen dus aan de opgegeven signalementen van de overvallers en hebben die dag in Barneveld naar het sportcentrum geïnformeerd. Bevinden zich in het dossier verder nog overige bewijsmiddelen die de stelling van de officier van justitie dat [verdachte] en [medeverdachte] de overval hebben gepleegd zouden kunnen onderbouwen of ontkrachten?

De rechtbank overweegt als volgt.

- [medeverdachte] is een bekende van [werkneemster]. Zij was ten tijde van de overval werkneemster van het sportcentrum . Uit de telefoongegevens van [medeverdachte] volgt dat [medeverdachte] op 20 en 21 oktober 2009 vele malen met haar heeft gebeld, waarvan de laatste keer een uur voor de overval was.

Op 13 november 2009 wordt er door het sportcentrum toestemming gegeven om op donderdag 19 november 2009 een reconstructie te maken van de overval, teneinde deze beelden te kunnen tonen bij “Opsporing Verzocht”. Een dag na het geven van de toestemming, 14 november 2009, is er geen enkel telefonisch contact meer tussen [medeverdachte] en [werkneemster] (waar zij elkaar vóór 14 november 2009 nog telkens een aantal malen per dag belden). Bovendien verwijdert [werkneemster] die dag het profiel van [medeverdachte] als contact van haar Hyves-pagina.

Op de dag van de uitzending van “Opsporing Verzocht” zoekt [werkneemster] via Hyves nog eenmaal contact met zowel [verdachte] als met [medeverdachte]. Dat is opvallend, omdat [werkneemster] altijd heeft ontkend dat zij [verdachte] kende.

[werkneemster] verklaart verder dat [medeverdachte] een keer met haar is mee geweest naar het sportcentrum en de rechtbank ziet geen reden om aan haar verklaring te twijfelen.

- Zowel de telefoon van [medeverdachte] als de telefoon van [verdachte] heeft uitgeschakeld gestaan ten tijde van de overval. In het licht van de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] hierover, namelijk dat zij geen bereik hadden of dat de batterij van hun telefoon leeg was, onaannemelijk. De raadsman heeft daarover aangevoerd dat het, wanneer [medeverdachte] en [verdachte] bij de overval betrokken waren geweest, logisch was geweest dat deze toestellen gelijktijdig waren uitgezet. De rechtbank overweegt daarover dat er geen reden is aan te nemen dat medeplegers van een overval altijd gelijktijdig hun telefoon uitzetten. Het feit dat de toestellen niet gelijktijdig zijn uitgezet, doet niet af aan het gegeven dat beide toestellen op het tijdstip van de overval uit hebben gestaan.

- Het geven dat de bij de overval gebruikte en meegenomen zaken - zoals de bivakmutsen en de sleutelbos- niet zijn teruggevonden, is niet zo opmerkelijk dat daaraan de conclusie moet worden verbonden dat verdachte niets met de overval te maken kán hebben.

- De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit de uitwerkingen van de getapte telefoongesprekken niet ondubbelzinnig is op te maken dat [medeverdachte] en [verdachte] hun verhalen over het gebeuren op 21 oktober 2009 op elkaar afstemmen. De rechtbank is tevens van oordeel dat uit deze uitwerkingen ook niet ondubbelzinnig volgt dat [medeverdachte] en [verdachte] niets met de overval te maken hebben. Nu de uitgewerkte tekst op twee manieren kan worden geïnterpreteerd, zowel in het voordeel als in het nadeel van [medeverdachte] en [verdachte], zal de rechtbank zal deze uitwerkingen niet bezigen tot het bewijs.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank het volgende vast:

- [verdachte] en [medeverdachte] zijn op 21 oktober 2009 in Barneveld geweest en hebben daar in Kiprestaurant [naam] en in café [café naam] naar de route naar en de sluitingstijd van het sportcentrum geïnformeerd.

- [verdachte] en [medeverdachte] voldoen aan de door de betrokken medewerkers opgegeven signalementen, bezitten een aantal van de genoemde kledingstukken, spreken een eigen taal en de voornaam van [verdachte] is [naam], welke naam door één van de overvallers is genoemd;

- [medeverdachte] kent [werkneemster], een medewerkster van het sportcentrum, en heeft de dagen voor de overval, tot aan een uur voor de overval, veelvuldig telefonisch contact met haar. De dag nadat er door het sportcentrum toestemming is gegeven voor het maken van opnames voor het programma “Opsporing Verzocht” is er geen enkel telefonisch contact meer tussen [werkneemster] en [medeverdachte]. Bovendien verwijdert [werkneemster] die dag [medeverdachte] als contact van haar Hyves-profiel. Op de dag van de uitzending van “Opsporing Verzocht” zoekt [werkneemster] nog eenmaal contact via Hyves met zowel [medeverdachte] als [verdachte], terwijl zij zegt [verdachte] niet te kennen.

- De telefoon van [medeverdachte] en van [verdachte] hebben ten tijde van de overval uitgeschakeld gestaan.

Alles afwegende en alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] en [medeverdachte] tezamen en in vereniging op 21 oktober 2009 te Barne¬veld de overval op het [sportcentrum] hebben gepleegd, waarbij gedreigd is met geweld.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat bij deze overval daadwerkelijk geweld is gebruikt. [verdachte] zal hiervan (partieel) worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij 21 oktober 2009 te Barneveld tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en een mobiele

telefoon en sleutels toebehorende aan [sportcentrum] of [betrokkene1] of

[betrokkene2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en bedreiging met geweld tegen die [betrokkene1] en[betrokkene2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader hun gezicht/hoofd hebben afgedekt met bivakmutsen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op enheeft gehouden in de richting van die [betrokkene1] en [betrokkene2] en die [betrokkene1] en [betrokkene2] dreigend mondeling heeft/hebben toegevoegd "waar is het geld...waar is het geld...meekomen...waar is het geld, waar is de kluis...is dit alles?..." en"als zij (verdachten) de politie achter zich aan zouden krijgen, zij die [betrokkene1] en[betrokkene2] zouden doodschieten",

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 4 mei 2010;

• een advies van Reclassering Nederland, gedateerd 25 mei 2010, betreffende verdachte.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat, gelet op de ernst van het feit en de houding van verdachte maar ook gelet op de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij geen relevante documentatie heeft, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte nog jong is, geen relevante documentatie heeft en met het feit dat hij zijn leven voor zijn aanhouding redelijk op orde had en dit leven ook ná detentie weer op de rit moet krijgen.

Beoordeling van de standpunten

Verdachte heeft zich, tezamen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan een overval op een sportcentrum. Daarbij is er gedreigd met een vuurwapen. Het moeten voor de twee personen die op dat moment in het sportcentrum aan het werk waren zeer angstige momenten zijn geweest. Dat de impact op hen groot is geweest, blijkt ook uit de slachtofferverklaring van één van hen.

Verdachte heeft puur voor zijn eigen financiële gewin een sportcentrum met een vuurwapen overvallen en daarbij op geen enkel moment rekening gehouden met de gevolgen van een dergelijk feit voor de slachtoffers. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Gelet op de ernst van het feit is zij van oordeel dat geen enkel andere straf passend is dan een gevangenisstraf van nader te noemen duur. Daarbij heeft zij rekening gehouden met het feit dat er geen daadwerkelijk geweld is toegepast en dat er niemand gewond is geraakt. Was dit wel het geval geweest, dan was de op te leggen straf aanzienlijk hoger uitgevallen.

Verdachte is nog jong en lijkt zijn leven op orde te hebben. Toch heeft verdachte een overval gepleegd. Om verdachte voor de toekomst ervan te weerhouden wederom een dergelijk feit te plegen, acht de rechtbank het noodzakelijk een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

De tijd door verdachte voor dit feit eerder in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, zal overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf worden afgetrokken.

6.a De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van de geleden schade.

De benadeelde partij [bet[betrokkene2] vordert een bedrag van 1650 euro voor vergoeding van geleden immateriële schade.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De benadeelde partij is als gevolg van de overval ernstig geschrokken en heeft hinder ondervonden. Dit is aan verdachte toe te rekenen, ook al is daar een andere dader bij betrokken geweest. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is niet mogelijk om in deze strafprocedure de exacte omvang van de immateriële schade vast te stellen. De rechtbank weegt daarbij mee dat benadeelde zijn vordering mede baseert op de stelling dat hij onder bedreiging van een vuurwapen zijn sleutelbos moest afgeven en op de impact die dit op hem had, terwijl uit zijn aangifte en getuigenverklaring volgt dat de sleutelbos door de daders zelf is weggenomen en dat benadeelde daar pas achteraf achter kwam. De rechtbank acht wel aannemelijk gemaakt dat de totale schade van de benadeelde voor dit moment naar maatstaven van billijkheid in ieder geval moet worden geschat op € 500.-. De rechtbank zal dit bedrag dus toewijzen en zal daarbij tevens de schadevergoedings¬maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, zijnde 10 dagen vervangende hechtenis.

De raadsman heeft verzocht om, gelet op de geringe draagkracht van verdachte, te bepalen dat deze vordering niet hoofdelijk zal worden toegewezen. De rechtbank stelt echter vast dat de schade door twee daders is veroorzaakt en ziet daarin aanleiding om te bepalen dat verdachte gehouden is de volledige schade te voldoen, met dien verstande dat indien zijn mededader betaalt, ook verdachte van betaling zal zijn gekweten. Dat verdachte geringe draagkracht zou hebben, hetgeen overigens niet nader is onderbouwd, doet daaraan niet af.

De benadeelde zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Wellicht dat de benadeelde de schade kan verhalen via de burgerlijke rechter.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 9 (negen) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [bet[betrokkene2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde – met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [betrokkene2] zal zijn gekweten- tegen kwijting aan [betrokkene2], wonende aan de [adres], te betalen € 500, - (zegge: vijfhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene2], wonende aan de [adres] te betalen € 500, - , (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. B.F.M. Klappe (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. E. de Boer,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.A.M. Janssen (griffier),

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2010.