Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM7528

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
186733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank

laat eisers toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat is overeengekomen dat eisers aandelen hebben verkocht aan SVL Holding en dat J&S Holding zich heeft verbonden tot betaling van de koopsom aan eisers, althans dat Peters Beheer dit redelijkerwijs aldus mocht begrijpen, en , voor het geval eisers slagen in dat bewijs

draagt J&S Holding op te bewijzen dat de volledige koopsom van de aandelen aan eisers is voldaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 196a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 617
JIN 2010/582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 186733 / HA ZA 09-1194

Vonnis van 26 mei 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.W.E.M. Guzik te Echt, gemeente Echt-Susteren,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J&S HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

De partijen zullen hierna [eiser] Beheer, [eiser] en J&S Holding genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 november 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2010.

Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. [eiser] is bestuurder/aandeelhouder van [eiser] Beheer. [gedaagde] Beheer was voor 50% aandeelhouder van de besloten vennootschap J&S Zuid B.V. (thans JobXion OZ B.V.). De andere aandeelhouder was de besloten vennootschap SVL Holding B.V., waarvan [X] Holding B.V. de moedermaatschappij is. J&S Zuid B.V. en [eiser] waren ook (de enige beherend) vennoten van de vennootschap onder firma J&S Zuid v.o.f. Al de genoemde vennootschappen waren onderdeel van de (grotere) J&S-Groep.

1.2. In verband met de ontvlechting van de J&S-Groep zijn de navolgende overeenkomsten gesloten:

a. de overeenkomst d.d. 6 november 2008, gesloten tussen [eiser] Beheer, [eiser], J&S Holding en (kennelijk) SVL Holding,

b. de “overeenkomst tot koop en verkoop van aandelen en tot beëindiging van een vennootschap onder firma” d.d. 7 november 2008, gesloten tussen [eiser] Beheer, SVL Holding, [X] Holding, J&S Zuid BV en [eiser],

c. een “tussenovereenkomst ter zake van de koop en verkoop van aandelen en beëindiging van een vennootschap onder firma” d.d. 7 november 2008, gesloten tussen dezelfde partijen als genoemd onder b.

1.3. In de overeenkomsten sub 1.2.a en b staat (onder meer) dat [gedaagde] Beheer haar belang/aandelen in J&S Zuid BV verkoopt aan SVL Holding voor de prijs van € 278.600,--, dat J&S Zuid B.V. en [eiser] J&S Zuid v.o.f. zullen ontbinden met ingang van de leveringsdatum van de aandelen en dat [eiser] als vennoot zal uittreden uit J&S Zuid v.o.f.

1.4. Over de betaling van voornoemd bedrag is onder 3 en 4 van de overeenkomst sub 1.2.a opgenomen:

“3. Partij 2 ([eiser] Beheer; de rechtbank) ontvangt van Partij 1 (J&S Holding; de rechtbank) € 278.600,-. Hiervan is reeds € 20.000,- ontvangen. Een opvolgend voorschot wordt betaald in november 2008 ten bedrage van € 8.000,-. In onderling overleg wordt een eventueel 2de voorschot van max. € 8.000,- in december 2008 uitbetaald.

4. Verder krijgt Partij 2 de beschikking over 16 man gedetacheerd personeel vanaf het moment van overdracht van de aandelen in J&S Zuid BV. Het restbedrag (bedrag afhankelijk van de betaalde voorschotten) wordt uiterlijk 30 april of op enig eerder moment betaald onder verrekening van de volgende punten:

a. De marges op gedetacheerd personeel komen voor 100% ten voordele van Partij 2. (....)

b. De leasekosten van de auto van Partij 3 ([eiser]; de rechtbank) komen voor rekening van Partij 1 gedurende de periode van activiteit. Na beëindiging worden deze verrekend. De brandstof is voor rekening van partij 2 of 3.

c. Bestaande en toekomstige vorderingen in rekening courant op partij 2 en/of 3 van J&S Zuid BV en/of J&S Zuid VoF.

d. Oninbare debiteuren, waarop geen kredietlimiet verstrekt wordt door de kredietverzekering van Partij 1.

e. Overige debiteuren per datum afsplitsingactiviteiten Partij 2 van Partij 1. De debiteuren met nog openstaande, maar reeds verloonde facturen worden overgedragen aan Partij 2 en zullen eventuele verrekeningen plaats vinden

f. In overleg kan extra gedetacheerd personeel van Partij 2 of 3 meedraaien op de organisatie J&S, de marge hierop wordt 50-50 verdeeld over partij 1 en 2 of 3.

5. Partij 1 stelt kosteloos en op afroep 14 man gedetacheerd personeel aan Partij 2 ter beschikking”.

1.5. In de overeenkomst sub 1.2.b staat over de koopprijs en de betaling daarvan in artikel 3:

“3.1. De Koopprijs voor de Aandelen en vergoeding terzake van beëindiging van Zuid v.o.f. bedraagt in totaal € 278.600,- welke in onderhandse akte verrekend zal worden.

3.2. De Koopprijs dient door Koper ( SVL Holding; de rechtbank) op de Leveringsdatum te worden voldaan door middel van contante betaling aan Verkoper ([eiser] Beheer; de rechtbank).

3.3. Door het passeren van de Akte van levering wordt aan Koper kwijting verleend van haar verplichting tot betaling van de Koopprijs.

3.4. Gelet op de achtergrond van de tussen Partijen gesloten Transactie, zijnde het oogmerk tot opsplitsing van de ‘J&S Groep’ behorende vennootschappen, zullen door Verkoper aan Koper geen garanties of vrijwaringen worden verstrekt, behoudens die welke uitdrukkelijk als zodanig in deze Overeenkomst zijn opgenomen (....)”.

In de artikelen 6 en 9 is opgenomen:

“6.3. De overeenkomst tussen Partijen wordt gesloten om de samenwerkingsrelatie tussen hen, waaronder mede begrepen de aan hen verbonden vennootschappen, te beëindigen en tot opsplitsing van de ‘J&S-Groep’ te komen waarbij zij tegenover elkaar verklaren onvoorwaardelijk af te zien van iedere aansprakelijkheid over en weer, met uitzondering van datgene waartoe deze Overeenkomst hen verbindt, waaronder het recht op aanvullende of vervangende schadevergoeding dan wel vernietiging en ontbinding te bewerkstelligen van deze Overeenkomst”.

“9.1 Deze Overeenkomst met de daarbij behorende Bijlagen bevat alle bepalingen en bedingen die op de in deze Overeenkomst omschreven transactie van toepassing zijn en treden in de plaats van alle andere overeenkomsten en afspraken, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, die vóór de datum van ondertekening van deze Overeenkomst ter zake van de onderhavige transactie tussen Partijen mochten zijn gesloten”.

1.6. In de tussenovereenkomst sub 1.2.c is in de considerans opgenomen:

“a. Tussen Partijen is heden een overeenkomst gesloten met betrekking tot de koop en levering aan Koper door Verkoper van aandelen in de Vennootschap (J&S Zuid BV; de rechtbank) alsmede met betrekking de beëindiging van de tussen de Vennootschap en de heer [eiser] bestaande vennootschap onder firma J&S Zuid V.O.F. (...). Deze overeenkomst zal hierna worden aangeduid als de ‘Overeenkomst Zuid’

(...)”,

waarna de partijen met elkaar het volgende zijn overeengekomen:

“Artikel 1 Tussenzetting [X] Holding

1.1. Partijen komen overeen dat de Overeenkomst Zuid tussen Partijen formeel zal gelden als twee afzonderlijke overeenkomsten, zijnde een eerste overeenkomst tussen Verkoper ([eiser] Beheer; de rechtbank) en de heer [eiser] als verkoper respectievelijk uittredend vennoot enerzijds en [X] Holding als koper respectievelijk toetredend vennoot anderzijds en een tweede naadloos aansluitende overeenkomst tussen [X] Holding als verkoper respectievelijk uittredend vennoot enerzijds en Koper (SVL Holding) en de Vennootschap als koper respectievelijk vennoot anderzijds.

1.2 De formele tussenzetting van [X] Holding in de in artikel 1.1. bedoelde overeenkomsten als contractuele wederpartij van eerst Verkoper en de heer [eiser] en vervolgens van Koper en de Vennootschap behelst geen enkele afwijking van de uit de Overeenkomst Zuid voortvloeiende rechten en verplichtingen. [X] Holding verbindt zich jegens Verkoper en de heer [eiser] tot onverkorte nakoming van de uit de Overeenkomst Zuid jegens Verkoper en de heer [eiser] voortvloeiende leveringsverplichtingen gelijk Koper en de Vennootschap zich jegens [X] Holding verbinden tot onverkorte nakoming. Evenzeer verbinden Verkoper en de heer [eiser] zich jegens [X] Holding tot onverkorte nakoming van de uit de Overeenkomst Zuid voor hen voortvloeiende leveringsverplichtingen, gelijk [X] Holding zich jegens Koper en de Vennootschap tot onverkorte nakoming verplicht.

1.3. Verkoper en de heer [gedaagde] alsmede Koper en de Vennootschap vrijwaren [X] Holding uitdrukkelijk voor alle schade en eventuele aanspraken die door [X] Holding geleden zou kunnen worden respectievelijk jegens [X] Holding ingesteld zouden kunnen worden als gevolg van de onderhavige overeenkomst”.

1.7. De levering van de hiervoor bedoelde aandelen heeft plaatsgevonden bij notariële akten van 7 november 2008 en wel als volgt:

a. Bij akte verleden op die datum om 16.05 uur heeft [eiser] Beheer de aandelen die zij hield in J&S Zuid BV geleverd aan [X] Holding.

b. Bij akte verleden op die datum om 16.23 uur heeft [X] Holding de voormelde aandelen geleverd aan SVL Holding voor dezelfde koopsom als voormeld.

1.8. In artikel 2 van deze akten is telkens vermeld:

“1. De koopsom van de Aandelen bedraagt tweehonderd achtenzeventig duizend zeshonderd euro (€ 278.600,=).

2. Koper heeft de koopsom aan Verkoper voldaan en Verkoper verleent hierbij kwijting aan Koper voor zijn verplichting de koopsom te voldoen”.

1.9. Bij brief van 22 april 2009 heeft J&S Holding onder meer aan [gedaagde] geschreven:

“Op 6 november 2008 zijn wij bij akte overeengekomen dat u uw belang in JenS Zuid BV aan mij verkoopt voor een bedrag van € 278.600,-. In artikel 3 van diezelfde overeenkomst is vastgelegd hoe dit bedrag (gefaseerd) aan u betaald wordt. Zo was reeds bij het verlijden van de akte € 20.000,- aan u betaald, terwijl in november 2008 nog eens € 8.000 aan u betaald zou worden. Verder zijn we overeengekomen dat na onderling overleg in december 2008 eventueel een tweede betaling van € 8.000 door mij verricht zou worden. Het restant bedrag zou uiterlijk 30 april 2009 door mij betaald moeten worden onder verrekening van een aantal zaken. Uit coulance heb ik inmiddels € 44.000,- aan u betaald, hoewel ik volgens de overeenkomst slechts € 36.000,- aan u hoefde te betalen (...)”.

1.10. Bij brief van 1 mei 2009 heeft mr. J.A.J. Werner namens J&S Holding onder meer aan [eiser] Beheer en [eiser] geschreven:

“U heeft op 6 november 2008, zowel namens uw vennootschap als in privé een overeenkomst gesloten met cliënte. Namens cliënte spreek ik u daarom hierdoor zowel in hoedanigheid van bestuurder van [eiser] Beheer B.V. als in privé aan.

(...)

Juist is dat cliënte aan u, volledig conform de gemaakte afspraken, op 27 augustus 2008 en in november 2008 aflossingen heeft gedaan van respectievelijk € 20.000,- en € 8.000,-.

In december 2008 heeft u cliënte verzocht om een voorschot van € 4.000,-. Cliënte heeft toen aangegeven daarover te willen spreken naar aanleiding en op basis van de administratie en onder voorwaarde dat u een deugdelijk debiteurenbeheer zou voeren. Afgesproken is daarom, dat u de administratie aan cliënte zou overleggen en dat u de debiteurenstand goed in de gaten zou houden. U bent deze afspraken nooit nagekomen. Cliënte heeft daarom ook niet ingestemd met betaling van een voorschot.

Cliënte heeft op uw verzoek, zij het geheel onverplicht, begin en eind januari aan u nog wel tweemaal een bedrag van € 8.000,- voldaan (...)”.

Het geschil in conventie en in reconventie

2. [eiser] Beheer heeft primair gevorderd J&S Holding te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 507.968,80, subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat J&S Holding is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen de partijen gesloten overeenkomst van 6 november 2008. Het bedrag van de primair gevorderde hoofdsom bestaat (blijkens producties 3 en 5 bij de dagvaarding) uit:

a. de koopsom van het belang/de aandelen in J&S Zuid ad € 278.600,--, voor de betaling waarvan J&S Holding volgens [gedaagde] Beheer op grond van artikel 3 van die overeenkomst van 6 november 2008 aansprakelijk is, verminderd met € 44.000,-- wegens door J&S Holding gedane betalingen en met € 18.320,-- wegens diverse verrekenposten op basis van artikel 4 van de overeenkomst van 6 november 2008, zodat resteert een bedrag van € 216.280,--;

b. € 13.821,60 en € 9.121,20 wegens gederfde marges als bedoeld in artikel 4 sub a van de overeenkomst van 6 november 2008;

c. € 267.246,-- wegens goodwillverlies, en

d. € 1.500,-- wegens buitengerechtelijke kosten.

3. [gedaagde] heeft gevorderd J&S Holding te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 29.400,--, vermeerderd met wettelijke rente.

Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat partijen zijn overeengekomen dat door J&S Holding aan [gedaagde] Beheer over te dragen medewerkers in de in Duitsland gelegen woning van [gedaagde] zouden worden gehuisvest tegen een “in dat verband gebruikelijke vergoeding”. Omdat die (voor een bepaalde opdrachtgever - Van den Heuvel - werkzame) medewerkers niet aan [eiser] Beheer zijn overgedragen, is [eiser] deze vergoeding tot het gevorderde bedrag misgelopen.

4. J&S Holding heeft het gevorderde gemotiveerd weersproken op gronden die hierna zo nodig aan de orde zullen komen. Zij heeft van haar kant in reconventie gevorderd [eiser] Beheer en [eiser] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van (primair) € 117.815,50.

J&S Holding heeft daaraan ten grondslag gelegd (a) dat zij een bedrag van € 44.000,-- onverschuldigd aan [eiser] Beheer heeft voldaan, (b) dat JobXion een vordering die zij had op [gedaagde] tot een bedrag van € 54.495,50 aan haar heeft overgedragen waarvan J&S Holding thans betaling vordert en (c) dat zij voor een bedrag van € 29.226,45 kosten heeft moeten maken en schade heeft geleden door de handelwijze van [eiser], zoals nader gespecificeerd in de conclusie van eis in reconventie.

5. Subsidiair heeft J&S Holding gevorderd [eiser] Beheer en [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 62.320,--, vermeerderd met wettelijke rente. Dat bedrag bestaat uit € 44.000,-- wegens onverschuldigde betaling en het door [eiser] Beheer en [eiser] (hiervoor onder 2.a bedoelde) erkende bedrag ad € 18.320,--. Daarnaast heeft J&S Holding subsidiair gevorderd, zo begrijpt de rechtbank, te verklaren voor recht dat [eiser] Beheer en [eiser] aansprakelijk zijn voor de door J&S geleden schade en hen te veroordelen aan haar te betalen de schade nader op te maken bij staat.

6. [eiser] Beheer en [eiser] hebben het gevorderde gemotiveerd weersproken op gronden die hierna zo nodig aan de orde zullen komen.

De beoordeling van het geschil

In conventie

De vordering sub 2.a

7. J&S Holding heeft allereerst opgeworpen dat niet zij, maar [X] Holding de koopsom van de aandelen aan [eiser] Beheer verschuldigd is en dat [eiser] Beheer dus ten onrechte J&S Holding daartoe in rechte heeft betrokken. Zij heeft daarvoor aangevoerd dat de overeenkomst van 6 november 2008 nader is uitgewerkt in een uitgebreide onderhandse akte van 7 november 2008, waarin is neergelegd dat SVL Holding de koper van de aandelen was en dat SVL Holding de koopsom diende te betalen. Daarnaast is bij overeenkomst van diezelfde datum [X] Holding in de overeenkomst “tussengeschoven”. Door deze tussenzetting is de eerste overeenkomst van 7 november 2008 gesplitst in twee afzonderlijke overeenkomsten: één tussen [eiser] Beheer en [eiser] als verkoper respectievelijk uittredend vennoot enerzijds en [X] Holding als koper, respectievelijk toetredend vennoot anderzijds en een tweede naadloos aansluitende overeenkomst tussen [X] Holding als verkoper, respectievelijk uittredend vennoot enerzijds en SVL Holding en J&S Zuid als koper, respectievelijk vennoot anderzijds. Deze overeenkomsten zijn gevolgd door de aktes van levering van 7 november 2008.

8. [eiser] heeft daarover tijdens de comparitie namens [eiser] Beheer nader het volgende gesteld:

“De vordering betreft in de eerste plaats betaling van het restant van de koopsom zoals overeengekomen in de overeenkomst van 6 november 2008. In deze overeenkomst is neergelegd dat J&S Holding de koopsom zou betalen. Wij hebben niet een andere afspraak gemaakt. Dit volgt ook niet uit de overeenkomsten van 7 november 2008. Deze overeenkomsten komen ook niet in de plaats van die van 6 november 2008. Deze overeenkomsten van 7 november 2008 zijn alleen gesloten met het oog op een ontvlechting tussen SVL en [X] Holding. Deze overeenkomsten van 7 november zijn opgesteld door de notaris. Ik heb die in goed vertrouwen getekend. De details van deze overeenkomsten zijn niet met mij doorgenomen. Er was mij verzekerd dat mijn positie was veilig gesteld. Ik heb nog wel gevraagd om de overeenkomst van 6 november 2008 als bijlage bij de stukken te doen. Artikel 3.1 van de overeenkomst van 7 november 2008 heb ik er ook in laten zetten. Het is nooit mijn bedoeling geweest om kwijting te verlenen voor de betaling van de koopsom. Er zou betaald worden door J&S Holding. Dat blijkt ook uit de brieven die zijn overgelegd als productie 44 en 45 van de conclusie van antwoord in reconventie. Er is geen nadere afspraak gemaakt dat [X] Holding zou betalen”.

[eiser] stelt zich dus, zo begrijpt de rechtbank, op het standpunt dat is overeengekomen dat [eiser] Beheer de aandelen heeft verkocht aan SVL Holding en dat J&S Holding zich heeft verbonden tot betaling van de koopsom aan [eiser] Beheer, althans dat [eiser] Beheer dit redelijkerwijs aldus mocht begrijpen.

Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door J&S Holding zal [gedaagde] Beheer volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. haar stelling moeten bewijzen. Tot die bewijslevering zal [gedaagde] Beheer worden toegelaten.

9. Als [eiser] Beheer slaagt in het bewijs en het er dus voor moet worden gehouden dat J&S Holding tot betaling van de koopsom van de aandelen is gehouden, moet aan de orde komen het verweer van J&S Holding dat de koopsom volledig aan [eiser] Beheer is voldaan. J&S Holding heeft daarvoor verwezen naar artikel 2 van de notariële akte van 7 november 2008, waar staat dat de koopsom is voldaan en dat [gedaagde] Beheer daarvoor kwijting heeft verleend. [eiser] Beheer heeft nader, onder verwijzing naar de brieven van 22 april 2009 en 1 mei 2009 gesteld dat uit die brieven volgt dat de koopsom nog niet volledig aan [eiser] Beheer is voldaan. Op grond van artikel 150 Rv. rust op J&S Holding de bewijslast van haar stelling (bevrijdend verweer) dat de koopsom volledig aan [eiser] Beheer is voldaan. Zij zal tot dat bewijs worden toegelaten.

10. Er is aanleiding, uit een oogpunt van proceseconomie, om - indien en voor zover [eiser] Beheer en J&S Holding het aan hen opgedragen bewijs door middel van het horen van getuigen willen leveren - alle door de partijen op te roepen getuigen in één ronde te horen. Naar verwachting zullen de partijen immers allen (grotendeels) dezelfde getuigen willen horen. Het wordt aan de advocaten van de betrokkenen overgelaten het oproepen van de getuigen onderling af te stemmen.

De vorderingen sub 2.b

11. [eiser] Beheer heeft ten aanzien van deze vordering gesteld dat zij de in artikel 4 sub a van de overeenkomst van 6 november 2008 bedoelde marges heeft gederfd, omdat J&S Holding in gebreke is gebleven klanten en medewerkers aan [eiser] Beheer over te dragen, waartoe zij op grond van de artikelen 4 en 5 van die overeenkomst was gehouden. Zo zouden zeven medewerkers (betrokkenen) met ingang van 1 mei 2009 naar [eiser] Beheer overgaan, hetgeen niet is gebeurd. Als gevolg daarvan stelt [eiser] Beheer gedurende de weken 17 - 22 van 2009 € 13.821,60 aan marges te hebben gederfd. Verder zou J&S Holding in de weken 12 - 22 van 2009 drie medewerkers aan [eiser] Beheer ter beschikking stellen voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van opdrachtgevers (bedrijf B). Ook daarmee is J&S Holding volgens [eiser] Beheer in gebreke gebleven als gevolg waarvan zij € 9.121,20 aan marges heeft gederfd.

12. Aangenomen dat J&S Holding in dit opzicht op enigerlei wijze is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, J&S Holding heeft het betwist, dan nog moet deze vordering worden afgewezen. Immers, van een tekortkoming is pas sprake c.q. een verplichting tot vergoeding van schade bestaat pas wanneer de schuldenaar in verzuim is, voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is. Dat dat laatste zich hier voordoet is gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat [eiser] Beheer J&S Holding een laatste mogelijkheid heeft geboden alsnog aan haar verplichtingen op dit onderdeel te voldoen. Integendeel, J&S Holding heeft aangevoerd dat [eiser] Beheer nimmer heeft gevraagd om (meer) personeel (conclusie van antwoord in conventie onder 46) en [gedaagde] Beheer heeft dat niet weersproken. Daarom kan niet worden aangenomen dat J&S Holding ter zake in verzuim was. Daargelaten kan dan worden of, zoals J&S Holding heeft opgeworpen, het bepaalde in artikel 6.3 van de overeenkomst van 7 november 2008 aan schadevorderingen als de onderhavige in de weg staan.

De vordering sub 2.c

13. Wat betreft het verlies aan goodwill heeft [eiser] Beheer gesteld dat zij door het niet overgaan van vier klanten een verlies aan goodwill heeft van € 89.082,-- per jaar en dat er gelet op de “huidige economische malaise van kan worden uitgegaan dat het circa drie jaar zal duren alvorens [eiser] Beheer B.V. andere gelijkwaardige opdrachtgevers zal hebben kunnen verwerven”.

14. Deze vordering moet als onvoldoende toegelicht worden afgewezen. [eiser] Beheer heeft daarover niet meer gesteld dan hetgeen hiervoor is vermeld. Zij heeft daarbij wel verwezen naar productie 5 bij de dagvaarding, maar die productie is zonder toelichting niet te begrijpen. Daarin is achter elk van de desbetreffende bedrijven een bedrag wegens (kennelijk) gederfde marges vermeld en dat is vervolgens vermenigvuldigd met drie (jaar). Hoe het bedrag aan gederfde marges tot stand komt en waarom het verlies aan goodwill gelijk is aan het bedrag van de gederfde marges blijkt daaruit niet. Ook nadat J&S Holding deze vordering had betwist - onder andere met het verweer dat [gedaagde] Beheer ter zake niet aan haar stelplicht had voldaan - heeft [eiser] Beheer haar vordering en genoemde productie 5 niet nader toegelicht, terwijl dat wel op haar weg had gelegen.

De vordering sub 3

15. [eiser] heeft gesteld dat tussen partijen is afgesproken dat voor de door J&S Holding aan [eiser] Beheer over te dragen opdrachtgever Van den Heuvel werkzame medewerkers in de in Duitsland gelegen woning van [eiser] zouden worden gehuisvest. Omdat J&S Holding in gebreke is gebleven de betreffende opdrachtgever en de voor die opdrachtgever werkzame personen over te dragen is [eiser] de vergoeding voor het gebruik misgelopen.

J&S Holding heeft betwist dat zij deze overeenkomst met [eiser] heeft gesloten.

16. Hiervoor (rechtsoverweging 12) is overwogen dat J&S Holding wat betreft het overdragen van klanten/medewerkers aan [gedaagde] Beheer niet in verzuim was. Dat betekent dat de onderhavige vordering, die er eveneens op is gebaseerd dat J&S Holding in dit opzicht op enigerlei wijze is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, reeds daarom moet worden afgewezen. Daar komt nog bij dat [eiser] de omvang van de schade in het geheel niet heeft toegelicht. Hij heeft immers niet aangegeven om hoeveel medewerkers het zou gaan, hoe lang zij in zijn woning zouden verblijven en wat de verblijfsvergoeding (per persoon) zou zijn. Deze vordering stuit daarnaast dus ook af op de onvoldoende onderbouwing van de schade.

In reconventie

De vordering sub 4.a

17. Volgens J&S Holding heeft zij in totaal € 44.000,-- aan [eiser] Beheer betaald in verband met de koop van de aandelen. Omdat de koopsom niet door haar maar door [X] Holding aan [eiser] Beheer verschuldigd is, is dit bedrag onverschuldigd betaald.

18. Of J&S Holding enig bedrag onverschuldigd aan [eiser] Beheer heeft betaald, is mede afhankelijk van de vraag of [eiser] Beheer slaagt in het onder 8 bedoelde bewijs. Alvorens te beslissen zal dat moeten worden afgewacht. Overigens wordt reeds nu overwogen dat het op 28 augustus 2008 door J&S Holding aan [eiser] Beheer betaalde bedrag van € 20.000,-- in ieder geval niet onverschuldigd is betaald. Dat bedrag is op 28 augustus 2008 door J&S Holding aan [eiser] Beheer voldaan met het oog op de tussen hen te sluiten overeenkomst. Die overeenkomst is tot stand gekomen op 6 november 2008 en daarin wordt in artikel 3 ook verwezen naar deze betaling. Dat kort daarna tussen de partijen mogelijk andere afspraken zijn gemaakt, betekent zonder nadere toelichting, die ontbreekt, nog niet dat het bedrag van € 20.000,-- onverschuldigd is betaald.

De vordering sub 4.b

19. JobXion B.V. (de rechtsopvolgster van J&S Zuid B.V.) heeft een vordering die zij stelde te hebben op [eiser] tot een bedrag van € 54.495,50 op 23 april 2009 overgedragen aan [X] Holding. In de akte van cessie staat onder andere:

“de hiervoor bedoelde vordering tussen de Schuldeiser en de Schuldenaar beloopt in hoofdsom (i) een bedrag ad € 23.872,22 inclusief BTW ter zake van reeds aan de Schuldenaar verzonden facturen, welke als bijlage b1 in kopie bij deze akte zijn gevoegd en (ii) een nog te berekenen bedrag ter zake van aan de Schuldenaar nog door te berekenen kosten en te corrigeren pinpasopnamen ad € 30.623,28 conform het als bijlage b2 aan deze overeenkomst gehechte overzicht”

en

“De Verkrijger weet dat de Schuldenaar de vordering geheel of gedeeltelijk betwist”.

[X] Holding heeft deze vordering vervolgens op 19 oktober 2009 onder dezelfde voorwaarden overgedragen aan J&S Holding.

20. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat JobXion een vordering tot voormeld bedrag op haar had. Hij heeft opgeworpen dat de bij de akte van cessie gevoegde overzichten/facturen (bijlagen b1 en b2) onvolledig en/of onjuist zijn en onder vermelding van de factuurnummers en overlegging van bewijsstukken aangegeven welke facturen onjuist zijn en waarom en welke facturen al zijn betaald. Van het in de bijlage b2 opgevoerde totaalbedrag heeft [eiser] een bedrag van € 8.862,-- erkend.

21. Tegenover dat gemotiveerde verweer heeft J&S ter comparitie slechts gesteld dat “de vordering wordt onderbouwd aan de hand van de bijlagen B1 en B2 die zijn gevoegd bij de akte van cessie” en dat het “gaat (...) om nota’s die [eiser] onbetaald heeft gelaten en pinopnames die niet zijn verantwoord”. Daarmee heeft J&S Holding evenwel niet kunnen volstaan. Het had, gegeven het gemotiveerde en met bescheiden gestaafde verweer van [eiser], op haar weg gelegen haar stellingen op dit onderdeel nader te onderbouwen. De vordering van J&S Holding zal daarom als onvoldoende toegelicht worden afgewezen, behoudens wat betreft een bedrag van € 8.862,--, waarvan de verschuldigdheid door [eiser] is erkend.

De vordering sub 4.c

22. Deze vordering betreft, zo blijkt uit de toelichting in de conclusie van eis in reconventie en de daarbij overgelegde producties (32 t/m 37):

I. de kosten van een door [gedaagde] gebruikte lease auto ad € 24.806,60,

II. de kosten van het inhuren door [eiser] van personeel op kosten van J&S Uitzendbureau ad € 1.375,20,welke vordering door deze vennootschap is gecedeerd aan J&S Holding,

III. de kosten van het huren door [eiser] van gereedschappen op kosten van J&S Bouw Oost ad € 3.044,60, welke vordering door deze vennootschap eveneens is gecedeerd aan J&S Holding.

Het totaal van deze kosten bedraagt € 29.226,45, zoals ook door J&S Holding in de conclusie van eis is berekend. Daarbij wordt opgemerkt dat tijdens de comparitie namens J&S Holding is verklaard dat het leasecontract inmiddels is afgekocht voor € 9.219,13 en niet voor € 10.000,--, zoals door haar aanvankelijk was berekend. Dat betekent dat het onder I genoemde bedrag moet worden bijgesteld tot (€ 24.806,60 – € 10.000 + € 9.219,13 =) € 24.025,73.

Bij het voorgaande wordt tevens opgemerkt dat J&S Holding haar totale vordering sub 4.c kennelijk heeft willen beperken tot € 19.320,--. Het totaal van het primair gevorderde bedraagt immers € 117.815,50, waarvan € 44.000,-- wegens onverschuldigde betaling (de vordering sub 4.a) en € 54.495,50 wegens de gecedeerde vordering sub 4.b, zodat voor de vordering sub 4.c resteert een bedrag van € 19.320,--. De rechtbank zal dan ook van laatstgenoemd bedrag uitgaan. Ten slotte wordt opgemerkt dat J&S Holding ook nog heeft gesteld dat zij schade heeft geleden omdat [gedaagde] namens J&S Uitzendbureau toezeggingen heeft gedaan die zij niet na kon komen. Ter zake daarvan heeft J&S Holding evenwel geen vordering ingesteld, zodat daarop verder niet behoeft te worden ingegaan.

23. [eiser] heeft de verschuldigdheid van de bedragen onder 21.II en III ter zitting erkend. Dat volgt ook uit de berekening van de vordering van [eiser] Beheer in conventie zoals hiervoor vermeld onder 2.a. In de daar bedoelde verrekenpost van € 18.320,-- zijn begrepen de onder II en III genoemde bedragen van € 1.375,20 en € 3.044,60, zo volgt uit de als productie 3 bij de dagvaarding gevoegde specificatie. In dat licht bezien is het verweer van [eiser] dat hij een factuur van Bo-Rent van € 773,24 (welk bedrag is begrepen in het bedrag van € 3.044,60) niet kent, onvoldoende. Of deze bedragen toewijsbaar zijn hangt overigens af van de uitkomst van de onder 8 en 9 bedoelde bewijsopdrachten, zodat die moet worden afgewacht alvorens kan worden beslist. Als de uitkomst is dat J&S Holding het door [eiser] Beheer gevorderde bedrag wegens de koop/verkoop van de aandelen verschuldigd is, moet de vordering immers in zoverre worden afgewezen, omdat [eiser] Beheer de bedragen onder II en II al bij de berekening van de gevorderde restant koopsom heeft betrokken.

24. Wat betreft de kosten van de lease auto (de vordering sub 21.I) wordt het volgende overwogen.

Blijkens de door J&S Holding overgelegde producties 32 t/m 34 gaat het om de leasetermijnen over de maanden november 2008 t/m september 2009, bekeuringen, brandstofkosten, kosten van overschrijding van het aantal kilometers en kosten van afkoop van het leasecontract. Behoudens de kosten voor het afkopen van het leasecontract heeft [gedaagde] de verschuldigdheid van deze kosten onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat [eiser] die kosten verschuldigd is volgt uit de onder 2.a. genoemde verrekenpost van € 18.320,--. Daarin zijn begrepen de leasetermijnen van november 2008 t/m april 2009, brandstofkosten, kosten wegens overschrijding van het aantal kilometers en bekeuringen, alles voor een bedrag van in totaal € 9.349,27. In dat licht bezien is het verweer van [eiser] dat hij de brandstofkosten tot een bedrag van € 1.622,94 betwist (welk bedrag is begrepen in de bedoelde verrekenpost van € 18.320,--) onvoldoende. Uit de thans door J&S Holding overgelegde onweersproken specificatie blijkt dat deze kosten berekend t/m oktober 2009 in totaal € 15.587,47 bedragen. Of deze vordering tot het bedrag van € 9.349,27 toewijsbaar is hangt eveneens af van de uitkomst van de onder 8 en 9 bedoelde bewijsopdrachten. Voor het meerdere, te weten een bedrag van (€ 15.587,47 - € 9.349,27 =) € 6.238,20 is de vordering toewijsbaar, zij het tot een bedrag van € 5.550,93 omdat, zoals overwogen, J&S Holding haar vordering heeft beperkt tot € 19.320,--. Met de toewijsbare en/of verrekenbare vorderingen ad € 1.375,20 + € 3.044,60 + € 9.349,27 + € 5.550,93 is dat bedrag bereikt. Reeds daarom behoeft de vraag of [eiser] gehouden is de afkoopsom van het leasecontract aan J&S Holding te betalen, niet meer aan de orde te komen.

Bij het voorgaande wordt nog opgemerkt dat J&S Holding tijdens de comparitie te kennen heeft gegeven dat zij haar vordering voor zover het betreft de verschuldigde leasetermijnen wil vermeerderen, maar zij heeft dat niet gedaan, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden.

25. Dat J&S Holding, behalve de hiervoor besproken schadeposten, nog meer of andere schade heeft geleden is gesteld noch gebleken. Reeds daarom moet de subsidiaire vordering, (voor zover die al aan de orde moet komen) inhoudende de veroordeling van [eiser] Beheer en [eiser] aan J&S Holding te betalen een schadevergoeding nader op te maken bij staat, worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

26. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

laat [eiser] Beheer toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat is overeengekomen dat [eiser] Beheer de aandelen heeft verkocht aan SVL Holding en dat J&S Holding zich heeft verbonden tot betaling van de koopsom aan [gedaagde] Beheer, althans dat [eiser] Beheer dit redelijkerwijs aldus mocht begrijpen, en, voor het geval [eiser] Beheer slaagt in dat bewijs,

draagt J&S Holding op te bewijzen dat de volledige koopsom van de aandelen aan [eiser] Beheer is voldaan,

bepaalt dat, indien [eiser] Beheer en J&S Holding het bewijs door middel van getuigen willen leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.C.P. Giesen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op vrijdag 3 september 2010 van 12:00 tot 17:00 uur,

bepaalt dat [eiser] Beheer en J&S Holding binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)- en aan de wederpartij moet berichten of hij bewijs door getuigen wil leveren en zo ja, onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen.

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl) -

om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen en de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op de datum waarop nadere dag- en uurbepaling wordt verzocht,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle bewijsstukken die zij nog in het geding willen brengen aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

in conventie en in reconventie

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.

Coll.: ED