Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM6974

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
665314 Cv Expl. 10-777
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gefixeerde schadevergoeding ex 7: 677 lid 2 jo 7:680 BW wegens onregelmatige beeindiging van arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Werkgever wil aanknopen bij mogelijkheid van tussentijdse opzegging. Nu geen gebruik gemaakt is van deze contractuele mogelijkheid en ook niet is voldaan aan de voorwaarden daartoe, moet aanknoopt worden bij het tijdstip waarop de overeenkomst bij een regelmatige beeindiging had zullen eindigen. Beroep op matiging gehonoreerd omdat eiser zich niet als goed werknemer heeft gedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Wageningen

zaakgegevens 665314 \ CV EXPL 10-777 \ MB\364\mb

uitspraak van 12 mei 2010

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. E.N. Mulder

toevoegingsnummer [nummer]

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Internationaal Transport- en Expeditiebedrijf J. van Reenen Barneveld B.V.

gevestigd te Barneveld

gedaagde partij

gemachtigde mr. P.M.M. Massuger

Partijen worden hierna [eisende partij] en Van Reenen genoemd.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 maart 2010

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 27 april 2010.

2. De feiten

2.1 [eisende partij] (geboren op [dag en maand] 1990) is sinds 15 juni 2009 in dienst bij Van Reenen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten voor een jaar. Daarvoor was [eisende partij] al werkzaam bij Van Reenen op basis van een scholings-overeenkomst. [eisende partij] was laatstelijk werkzaam als loods-/warehousemedewerker tegen een salaris van € 899,59 bruto per maand (exclusief emolumenten en 8% vakantietoeslag).

2.2 In de arbeidsovereenkomst is voorzien in de mogelijkheid van tussentijdse opzegging. Daarbij geldt een opzegtermijn van één maand.

2.3 Op vrijdag 9 oktober 2009 heeft [eisende partij] zich ziek gemeld. Op maandag 12

oktober 2009 heeft [eisende partij] een middag-/avonddienst gewerkt. Op 13 oktober 2009 heeft [eisende partij] niet gewerkt.

2.4 In de week vanaf 19 oktober 2009 was [eisende partij], op basis van een eerder goedgekeurde aanvraag, met vakantie.

2.5 Bij brief van 21 oktober 2009 heeft Van Reenen [eisende partij] het volgende geschreven:

Op 9 oktober 2009 heb je op de terugweg van de training in Houten je ziek gemeld. Je had last van duizeligheid na de simulatie.

De week daarop hebben wij je verschillende malen geprobeerd te bereiken. Zowel mobiel als op de huistelefoon was je niet te bereiken. Ook hebben we een SMS gestuurd. Gevraagd is of je, je op kantoor wilde melden. Ook hieraan heb je geen gehoor gegeven.

Je handelwijze achten wij in strijd met de voor een werknemer geldende regels en voorschriften. Wij vertrouwen er dan ook op dat je middels deze brief schriftelijk op de hoogte bent gesteld. Wij verwachten van je, dat je per ommegaand je meldt bij Van Reenen Transport.

2.6 [eisende partij] heeft deze brief op 22 oktober 2009 ontvangen. Hij heeft naar aanleiding daarvan geen overleg gevoerd met Van Reenen.

2.7 Bij brief van 28 oktober 2009 heeft Van Reenen [eisende partij] het volgende geschreven:

Gelet op het feit dat u zich in de afgelopen periode na herhaalde oproepen niet heeft gemeld, beschouwen wij de arbeidsovereenkomst met u dan ook met ingang van 9 oktober 2009 beëindigd.

Op 9 oktober 2009 meldt u zich met onduidelijke reden telefonisch ziek voor de avonddienst. In de week daarop volgende hebben wij verschillende malen u getracht telefonisch te bereiken. Echter wordt de telefoon niet opgenomen. Ook op de voicemail of sms wordt niet gereageerd. Op vrijdag 16 oktober krijgen wij uw zus aan de lijn. Deze meldt dat u in het geheel niet ziek bent geweest.

In de week daarop hebben wij opnieuw herhaaldelijk u gebeld. Op 21 oktober 2009 hebben wij u schriftelijk verzocht dat u zich ommegaande dient te melden bij de werkgever. Ook hierop hebt u niet gereageerd. (…)

2.8 Bij brief van 19 november 2009 heeft de gemachtigde van [eisende partij] gesteld dat sprak is van een vernietigbaar ontslag, zich het recht voorbehouden om daarop een beroep te doen en aanspraak gemaakt op vergoeding van schade berekend als het verschuldigde loon over de resterende looptijd van de overeenkomst.

2.9 Van Reenen heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie om schade te vergoeden.

3. De vordering en het verweer

3.1 [eisende partij] vordert veroordeling van Van Reenen tot betaling aan [eisende partij] van een bedrag van € 7.192,00 bruto, althans het netto equivalent daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2009.

3.2 [eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een onregelmatige opzegging en dat Van Reenen op de voet van artikel 7:677 lid 2 BW schadeplichtig is. [eisende partij] maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding (op de voet van artikel 7:677 lid 4 jo 7:680 BW) en berekent deze op basis van de loontermijnen (8 maanden x € 899,00) gedurende de resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst.

3.3 Van Reenen voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het primaire verweer van Van Reenen is dat van een onregelmatige opzegging geen sprake is omdat zij [eisende partij] op staande voet heeft ontslagen. Dat verweer gaat niet op omdat dat ontslag op staande voet niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. [eisende partij] is bij brief van 28 oktober 2009 met terugwerkende kracht per 9 oktober 2009 op staande voet ontslagen. Dat ontslag voldoet daarmee niet aan de eis dat het is meegedeeld direct nadat de reden daarvoor is opgekomen. Het ontslag op staande voet “houdt” dus niet. Hetgeen Van Reenen overigens heeft aangevoerd over het in haar ogen ongeoorloofde karakter van het verzuim door [eisende partij], behoeft daarmee geen bespreking meer.

4.2 De kantonrechter merkt overigens op dat Van Reenen voor de datum van het ontslag aanhaakt bij de ziekmelding op 9 oktober 2009 terwijl gesteld noch gebleken is dat Van Reenen die ziekmelding eerder dan in zijn brief van 28 oktober 2009 in twijfel heeft getrokken.

4.3 Het staat voorts vast dat er geen toestemming is van UWV Werkbedrijf om het dienstverband op te zeggen terwijl er evenmin een ontbindingsbeschikking van de kantonrechter ligt. Daarmee staat tevens vast dat de opzegging onregelmatig is en dat Van Reenen schadeplichtig is.

4.4 [eisende partij] maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding, die hij berekent op het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor de tijd dat het dienstverband bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (artikel 7:680 lid 1 BW).

Van Reenen stelt dat voor de berekening van de schadevergoeding aangeknoopt moet worden bij de datum waarop het dienstverband bij opzegging had kunnen eindigen en stelt dat dat is per 30 november 2009. Daarnaast doet zij een beroep op matiging gelet op de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot het ontslag.

4.5 De kantonrechter overweegt het volgende. Voor zover de stellingen van Van Reenen zo begrepen moeten worden dat gematigd dient te worden gelet op de contractueel overeengekomen mogelijkheid om tussentijds op te zeggen, snijden deze geen hout. Er ís immers niet tussentijds opgezegd en de daarvoor benodigde toestemming van UWV Werkbedrijf is niet gevraagd. Ook is geen ontbinding van de overeenkomst verzocht. Er is dus geen sprake van een eerdere datum waartegen rechtsgeldig kon worden opgezegd en waarbij kan worden aangeknoopt ter vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding.

4.6 Voor de vraag of de gevorderde schadevergoeding met het oog op de omstandigheden van het geval bovenmatig is, acht de kantonrechter het volgende van belang.

In de ziekmelding en de afwezigheid die, volgens Van Reenen, aanleiding hebben gegeven tot het ontslag, ziet de kantonrechter op zichzelf geen aanleiding om te matigen. Daarbij speelt een rol dat er eerder geen klachten waren over het functioneren van [eisende partij] en dat Van Reenen wist dat de vader van [eisende partij] ernstig ziek was en dat dat [eisende partij] aangreep.

4.7 Aan Van Reenen kan echter wel worden toegegeven dat [eisende partij] zich niet heeft gedragen zoals dat van een goed werknemer verwacht mag worden. [eisende partij] had adequater kunnen en moeten handelen door te reageren op de verzoeken van Van Reenen om contact op te nemen en uit te leggen wat er aan de hand was. [eisende partij] heeft ter verklaring aangevoerd dat zijn mobiele telefoon niet meer functioneerde en dat hij dus niet wist dat Van Reenen hem op die telefoon had gebeld. Als dat zo is, dan komt dat voor rekening van [eisende partij] terwijl dat voorts niet verklaart waarom de berichten die Van Reenen heeft achtergelaten via de vaste telefoon [eisende partij] geen aanleiding hebben gegeven om contact op te nemen met zijn werkgever. Ook op de door hem ontvangen brieven heeft [eisende partij] niet gereageerd. Hoe dan ook, van [eisende partij] had verwacht mogen worden dat hij zelf het initiatief zou hebben genomen om een en ander uit te leggen aan zijn werkgever. Ter comparitie is gebleken dat Van Reenen heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan, omdat zij überhaupt geen contact kreeg met [eisende partij]. Los van het feit dat Van Reenen ervoor had moeten kiezen om andere – minder verstrekkende - maatregelen te nemen dan zij heeft gedaan, had [eisende partij] deze gang van zaken kunnen vermijden althans kunnen beïnvloeden.

4.8 De kantonrechter acht in het licht van het voorgaande de gevorderde schadevergoeding bovenmatig en wijst een bedrag toe van € 3.600,00 bruto, althans het netto equivalent daarvan.

4.9 Volledigheidshalve merkt de kantonrechter ten slotte op dat zij bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde schadevergoeding bovenmatig is, aan het gegeven dat [eisende partij] in de eerste maanden van 2010 gedurende enige tijd ander werk heeft gehad en dus inkomsten heeft genoten, geen betekenis toekent. Dat geldt ook voor de – door Van Reenen gestelde maar door [eisende partij] betwiste - mogelijkheid om een WW-uitkering aan te vragen.

4.10 Tegen de vordering ter zake van de rente is geen verweer gevoerd zodat deze voor toewijzing gereed ligt.

4.11 Van Reenen wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1 veroordeelt Van Reenen tot betaling aan [eisende partij] van een bedrag van € 3.600,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2 veroordeelt Van Reenen in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisende partij] tot op heden begroot op een totaal bedrag van € 795,93, bestaande uit € 87,93 aan exploitkosten, € 208,00 aan vastrecht en € 500,00 aan salaris gemachtigde;

5.3 bepaalt dat Van Reenen van het totaalbedrag aan proceskosten het door [eisende partij] zelf betaalde deel van het vastrecht van € 52,00 moet betalen aan (de gemachtigde van) [eisende partij] en het restantbedrag van € 156,00 aan de griffier van de rechtbank te Arnhem, waarvoor een acceptgirokaart wordt toegestuurd;

5.4 verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2010.