Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM5531

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
25-05-2010
Zaaknummer
187410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident.

Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187410 / HA ZA 09-1301

Vonnis in incident van 28 april 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PPG INDUSTRIES NETHERLANDS B.V.,

mede handelende onder de naam PPG Protective & Marine Coatings,

gevestigd te Hoogezand,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.J. van Steenderen te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

AMANDA SHIPPING COMPANY L.T.D.,

gevestigd te Belize City, Belize,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna PPG en Amanda Shipping genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Amanda Shipping vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd de stelling dat, nu zij buiten de Europese Unie is gevestigd, ingevolge artikel 4 lid 1 EEX-Verordening (hierna te noemen EEX-Vo) de lex fori beslissend is voor de vraag of de rechtbank in dit geval rechtsmacht heeft, onverminderd het bepaalde in artikelen 22 en 23 EEX-Vo. Van een forumkeuze in de zin van artikel 23 EEX-Vo is volgens Amanda Shipping in het onderhavige geval echter geen sprake. In de eerste plaats is er volgens haar in het geheel geen overeenkomst tot stand gekomen tussen PPG en haar zelf. Zij betwist in dit verband dat zij een derde, SIA ADG Shipmanagement (hierna te noemen SIA), opdracht en/of volmacht zou hebben gegeven om in haar naam en/of voor haar rekening bestellingen te plaatsen bij PPG. In de tweede plaats voert zij aan dat de algemene voorwaarden van PPG ook niet van toepassing zijn op de kennelijk door PPG met SIA gesloten overeenkomst.

2.2. PPG voert verweer. Zij stelt dat de rechtbank wel bevoegd is van haar vordering kennis te nemen op grond van artikel 15 van haar algemene voorwaarden. Volgens PPG heeft zij begin 2008 een of meerdere overeenkomsten gesloten met Amanda Shipping ter zake verkoop en levering van verf ten behoeve van m.s. “Amanda”. Amanda Shipping liet zich ten behoeve van de totstandkoming van deze overeenkomst(en) vertegenwoordigen door haar scheepsmanager SIA. PPG heeft SIA, behalve een offerte, ook zogenaamde product summaries gestuurd waarin staat vermeld dat op de geoffreerde goederen en diensten de algemene voorwaarden van PPG van toepassing zijn. Zij heeft hier aan toegevoegd dat, zoals te doen gebruikelijk, de algemene voorwaarden van PPG werden meegestuurd en dat ook werd verwezen naar de website van PPG.

In dit verband heeft PPG verder nog naar voren gebracht dat SIA met enige regelmaat onder meer voor rekening en risico van Amanda Shipping bestellingen plaatste bij PPG en dat zij op elke levering haar algemene voorwaarden van toepassing verklaart.

Subsidiair heeft PPG gesteld dat, in het geval dat er geen overeenkomst zou zijn gesloten tussen PPG en Amanda Shipping, PPG zonder rechtsgrond goederen aan Amanda Shipping heeft geleverd die daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van PPG. De weigering van Amanda Shipping om voor die goederen te betalen, wordt aangemerkt als een onrechtmatige daad jegens PPG. Op basis van artikel 6 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de Nederlandse rechter bevoegd om van deze vordering uit hoofde van onrechtmatige daad kennis te nemen aangezien het resultaat van deze onrechtmatige daad zichtbaar is Nederland.

Meer subsidiair heeft PPG gesteld dat de bevoegdheid van de rechtbank wordt gebaseerd op het feit dat de betaling dient te worden gedaan aan haar filiaal in Geldermalsen, zoals vermeld op de facturen, zodat het in die zin een brengschuld betreft.

2.3. Bij de beoordeling staat voorop dat, nu Amanda Shipping geen woon- of vestigingsplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie maar PPG wel, ingevolge artikel 4 EEX-Vo, artikel 23 EEX-Vo formeel van toepassing is indien er sprake is van een forumkeuze in de zin van dat artikel. Dat ligt nu ter beoordeling voor. Daarbij heeft te gelden dat de geldigheidsvereisten voor die forumkeuze autonoom en exclusief in artikel 23 EEX-Vo worden geregeld en dat andere vereisten niet mogen worden gesteld aan de forumkeuze.

2.4. In artikel 23 EEX-Vo zijn vormvoorschriften gesteld aan de forumkeuzeovereenkomst. In sub a van het desbetreffende artikel staat vermeld dat een forumkeuzeovereenkomst kan worden gesloten bij een schriftelijke overeenkomst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst. Als schriftelijk in de zin van sub a wordt tevens elke elektronische mededeling aangemerkt, waardoor de overeenkomst duurzaam wordt geregistreerd, zo volgt uit lid 2 van artikel 23 EEX-Vo. De rechtbank dient in dit verband te onderzoeken of de forumkeuze het voorwerp heeft uitgemaakt van een wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt. In sub b en sub c van artikel 23 EEX-Vo is vervolgens bepaald dat ook een vorm wordt toegelaten die door de handelwijze die tussen partijen gebruikelijk is geworden dan wel, in de internationale handel, een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

2.5. PPG heeft haar stelling dat de rechtbank op grond van het forumkeuzebeding in haar algemene voorwaarden bevoegd is van de vordering kennis te nemen, onderbouwd aan de hand van e-mailberichten van 5 en 6 november 2007, alsmede van zogenaamde quotations van 21 januari 2008 en product summaries van diezelfde datum, gericht aan SIA. Tevens heeft zij facturen overgelegd van haar zelf gericht aan SIA.

Hieruit blijkt echter nog niet dat is voldaan aan de in artikel 23 EEX-Vo neergelegde vormvoorschriften en evenmin blijkt daaruit dat SIA in deze Amanda Shipping rechtsgeldig heeft vertegenwoordigd. Nu Amanda Shipping heeft betwist dat er sprake is van een geldige forumkeuze in de zin van artikel 23 EEX-Vo waar zij aan is gebonden, is het thans aan PPG om (verder) bewijs te leveren van haar stelling ter zake.

2.6. Indien PPG niet slaagt in het haar op te dragen bewijs en niet kan worden aangenomen dat er een geldige forumkeuze in de zin van artikel 23 EEX-Vo is, ligt ter beoordeling voor of de rechtbank dan wellicht bevoegd is op grond van de subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen. Thans kan reeds worden geconcludeerd dat dit niet het geval is. PPG stelt subsidiair dat er sprake zou zijn van onrechtmatig handelen omdat Amanda Shipping facturen onbetaald laat. Wat daar ook van zij, zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom een schending van een contractuele verplichting tot betaling tevens onrechtmatig is. Die toelichting ontbreekt. Ongerechtvaardigde verrijking kwalificeert naar Nederlands recht niet als een onrechtmatige daad.

Met betrekking tot de meer subsidiaire grondslag wordt opgemerkt dat PPG daar ook niet in kan worden gevolgd. Nog daargelaten dat uit de overgelegde stukken niet blijkt van een brengschuld valt zonder afdoende toelichting, die ontbreekt, ook niet in te zien waarom een brengschuld tot de bevoegdheid van deze rechtbank zou leiden.

Een en ander leidt tot de conclusie dat in het geval PPG niet slaagt in het haar opgedragen bewijs, er vanuit moet worden gegaan dat de lex fori beslissend is voor het antwoord op de vraag welk gerecht bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Volgens artikel 2 Rv komt aan deze rechtbank evenwel geen rechtsmacht toekomt. Er is verder ook geen bepaling in het Nederlandse recht, als zijnde lex fori, waarop de rechtsmacht van deze rechtbank kan worden gegrond. PPG kan dan niet in haar vordering worden ontvangen.

2.7. Indien PPG wel slaagt in het haar opgedragen bewijs is er grond om de rechtbank bevoegd te achten van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Daarbij heeft te gelden dat, indien Amanda Shipping rechtsgeldig is vertegenwoordigd door SIA, de forumkeuze aan haar als vertegenwoordigde wordt toegerekend.

2.8. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. draagt PPG op te bewijzen dat zij met SIA als rechtsgeldig vertegenwoordiger van Amanda Shipping een forumkeuze in de zin van artikel 23 EEX-Vo is overeengekomen;

3.2. bepaalt dat, indien PPG het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. D.T. Boks in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op 24 augustus 2010 van 12.00 tot 16.00 uur,

3.3. bepaalt dat PPG binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)- en aan de wederpartij moet berichten of hij bewijs door getuigen wil leveren en zo ja, onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen.

3.4. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)

- om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen en de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

3.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle bewijsstukken die zij nog in het geding willen brengen aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

3.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.