Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM5513

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
25-05-2010
Zaaknummer
197217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vordering van de Ontvanger om de informatieverplichting waartoe gedaagde is veroordeeld in een eerder vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren (ex art. 586 Rv wordt afgewezen. Er kan voorshands van worden uitgegaan dat gedaagde voldoende inspanningen verricht om aan zijn informatieverplichting te voldoen, maar onduidelijk is of hij redelijkerwijs in staat is daaraan te voldoen, zodat er onvoldoende grond is om aan die informatieverplichting lijfsdwang te verbinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 197217 / KG ZA 10-149

Vonnis in kort geding van 18 mei 2010

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/OOST,

mede kantoorhoudende te Winterswijk,

eiser,

advocaat mr. M.J.W. Hoogstrate te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. L.J. Speijdel te Enschede.

Partijen zullen hierna de Ontvanger en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling op 30 maart 2010

- de pleitnota van de Ontvanger

- de pleitnota van [gedaagde]

- de aanhouding ten einde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen de bij de firma Dusseldorp in dozen opgeslagen administratie in te zien

- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 27 april 2010

- de vervolgpleitnota van de Ontvanger.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is vanaf ongeveer 1999 tot en met 2004 (indirect/feitelijk) bestuurder geweest van verschillende vennootschappen. [X] Holding B.V. (hierna: [X]) was (indirect) aandeelhouder van deze vennootschappen.

2.2. [gedaagde] is in verband met zijn rol bij (de vennootschappen van) [X] op 7 mei 2008 door het gerechtshof te Arnhem onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor onder meer oplichting en het deelnemen aan en het leiden van een criminele organisatie.

2.3. Uit strafrechtelijk financieel onderzoek d.d. 22 juni 2006 blijkt dat [gedaagde] in de periode 29 december 1999 tot en met 29 september 2004 een wederrechtelijk voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen van in totaal

€ 1.620.875,35.

2.4. De rechtbank Zutphen (sector straf) heeft bij vonnis van 14 juli 2009 (hierna: het ontnemingsvonnis) het door [gedaagde] verkregen wederrechtelijk voordeel vastgesteld op

€ 1.592.826,73 en [gedaagde], ter ontneming van dat voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat. [gedaagde] heeft tegen het ontnemingsvonnis hoger beroep ingesteld.

2.5. Vanaf 2006 heeft de Ontvanger een reeks belastingaanslagen opgelegd en dwangbevelen uitgevaardigd aan [gedaagde] ter inning van een opeisbare belastingschuld van [gedaagde] van in totaal € 807.947,00 exclusief invorderingsrente en kosten. [gedaagde] heeft de belastingschuld niet betaald.

2.6. Nadat de Ontvanger, zonder succes, heeft geprobeerd de dwangbevelen door middel van executoriale beslagen ten uitvoer te leggen, heeft de Ontvanger [gedaagde] op

13 oktober 2008 gedagvaard voor de rechtbank Zutphen (sector civiel). De Ontvanger heeft in die procedure, kort samengevat, gevorderd dat zowel de betalings- als de informatieverplichting van [gedaagde] wordt afgedwongen door middel van tenuitvoerlegging door lijfsdwang.

2.7. De rechtbank Zutphen heeft bij verstekvonnis van 3 december 2008 de vordering van de Ontvanger toegewezen. [gedaagde] is op 17 april 2009 daartegen in verzet gekomen.

2.8. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Zutphen van

16 december 2009 met zaakgegevens 102553 / HA ZA 09-557 (hierna: het vonnis van de rechtbank Zutphen) is het verstekvonnis vernietigd voor zover daarbij lijfsdwang is opgelegd, en is [gedaagde], voor zover van belang, veroordeeld om:

“binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan de Ontvanger te verstrekken:

a) alle door de Ontvanger gewenste inlichtingen en gegevens omtrent het resterende bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van

€ 1.592.826,73 en

b) gegevens en inlichtingen die kunnen leiden tot de opsporing van dit bedrag”

2.9. Dit vonnis is op 11 januari 2010 aan [gedaagde] betekend. [gedaagde] heeft niet gereageerd.

2.10. De Ontvanger heeft bij brief van 9 februari 2010 [gedaagde] een laatste termijn van één week gesteld om alsnog aan het vonnis van de rechtbank Zutphen te voldoen.

3. Het geschil

3.1. De Ontvanger vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de verplichting van [gedaagde] om de Ontvanger alle door hem gewenste inlichtingen te verstrekken over het resterende bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 1.592.826,73 en de verplichting gegevens en inlichtingen te verschaffen die kunnen leiden tot de opsporing van dit bedrag, door middel van lijfsdwang tegen [gedaagde] ten uitvoer kan worden gelegd en daarbij te bepalen dat de lijfsdwang onmiddellijk na het wijzen van dit vonnis toegepast kan worden gelegd, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. De Ontvanger stelt dat [gedaagde] tot op heden geen enkele betaling heeft verricht ter voldoening van zijn belastingschuld en dat hij ondanks dat hij bij vonnis van de rechtbank Zutphen is veroordeeld tot het verstrekken van inlichtingen en gegevens over het resterende bedrag van het door [gedaagde] wederrechtelijk verkregen voordeel en tot het verstrekken van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de opsporing van dat bedrag, aan die informatieverplichting niet heeft voldaan. De Ontvanger stelt dat nu [gedaagde] blijft weigeren aan dat vonnis te voldoen en de Ontvanger geen andere (verhaals)mogelijkheden heeft om tot (gedeeltelijke) voldoening van de belastingschuld van [gedaagde] te komen, het thans noodzakelijk is om de tenuitvoerlegging van de informatieverplichting waartoe [gedaagde] bij dat vonnis is veroordeeld, bij lijfsdwang toe te staan. De Ontvanger stelt een spoedeisend belang te hebben omdat naarmate de tijd verstrijkt de kans groter wordt dat de middelen waarover [gedaagde] inlichtingen moet verschaffen verdwijnen en bovendien de invorderings¬rente en de kosten van het “open houden” van het dossier [gedaagde] oplopen.

3.3. [gedaagde] voert als verweer dat hoewel hij zich voldoende inspant, hij thans niet in staat is om aan zijn informatieverplichting als bedoeld in het vonnis van de rechtbank Zutphen te voldoen, zodat de gevorderde lijfsdwang niet kan worden toegewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vordering van de Ontvanger komt er kort gezegd op neer dat de Ontvanger verlof wordt verleend tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang van het vonnis van de rechtbank Zutpen, waarin [gedaagde] een informatieverplichting is opgelegd ten aanzien van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.592.826,73.

4.2. Uitgangspunt is dat op grond van het bepaalde in artikel 585 e.v. Rv in kort geding tenuitvoerlegging bij lijfsdwang kan worden toegestaan om nakoming van voormeld vonnis van de rechtbank Zutphen te verzekeren. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:

a. er moet sprake zijn van feiten en omstandigheden, welke meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist;

b. er moet aannemelijk zijn dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden;

c. bij afweging van de belangen van partijen, dient het belang van de Ontvanger toepassing van lijfsdwang te rechtvaardigen; en

d. [gedaagde] moet in staat zijn aan de verplichtingen waarvoor tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt verlangd, te voldoen.

4.3. Vast staat dat in het strafrechtelijk onderzoek tegen [gedaagde] de administratie van de aan [gedaagde] gelieerde vennootschappen, waaronder [X], door de FIOD-ECD in beslag is genomen. Die administratie is vervolgens aan de boedel van de inmiddels gefailleerde vennootschappen ter beschikking gesteld en staat thans opgeslagen in een grote hoeveelheid verhuisdozen in twee trailers in een loods van de firma Dusseldorp te Lichtenvoorde. Mr. A.A.I. Baks is de curator van de gefailleerde vennootschappen.

4.4. [gedaagde] betwist dat hij over een bedrag van € 1.592.826,73, dan wel over een substantieel deel van dat bedrag, beschikt. Hij stelt dat hij die betwisting niet kan onderbouwen omdat hij ondanks zijn inspanningen, zoals die blijken uit de door hem overgelegde correspondentie met mr. Baks en de heer Hofman van de FIOD, de aanzienlijke en weinig toegankelijke administratie bij Dusseldorp, nog niet voldoende heeft kunnen inzien. Volgens [gedaagde] is in die administratie informatie aanwezig over het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. [gedaagde] verwacht in die administratie bankafschriften van de vennootschappen aan te treffen, waarmee hij de geldstromen van de vennootschappen wil aantonen.

4.5. Volgens de Ontvanger is [gedaagde] er niet in geslaagd aan te tonen dat hij niet meer beschikt over het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.592.826,73. De Ontvanger betwist dat [gedaagde] aan de hand van de administratie bij Dusseldorp de inlichtingen kan geven waartoe hij is veroordeeld. [gedaagde] moet volgens de Ontvanger aantonen dat hij niet meer over het wederrechtelijk verkregen voordeel beschikt en dat kan hij niet aan de hand van die administratie doen, omdat die administratie gaat over zijn vennootschappen en niet de privé-administratie van [gedaagde] betreft. De bankafschriften van de vennootschappen die [gedaagde] zoekt, zijn bovendien niet relevant voor de informatieverplich¬ting van [gedaagde] omdat die al onderzocht zijn in de strafprocedure en gebruikt zijn voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en dus al verdisconteerd zijn in het ontnemings¬vonnis, aldus de Ontvanger. De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] alleen met het overleggen van zijn privé-administratie kan aantonen wat er met het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebeurd.

4.6. Los daarvan stelt de Ontvanger dat hij bij de secretaresse van mr. Baks heeft geverifieerd dat de laatste afspraak van [gedaagde] bij Dusseldorp om de administratie door te zoeken op 25 maart 2010, dus nog voor de eerste kort gedingzitting van 30 maart 2010, is geweest. De Ontvanger stelt dat daaruit blijkt dat [gedaagde] sindsdien geen onderzoek meer heeft gedaan naar de administratie bij Dusseldorp, nu hij daarvoor toestemming nodig heeft van mr. Baks en hij die niet heeft gevraagd. Daartegenover stelt [gedaagde] dat hij na de schorsing van de zitting van 30 maart 2010 drie dagen in de week verder heeft gezocht in de administratie bij Dusseldorp en dat hij thans bijna halverwege is met het uitzoeken van de administratie. [gedaagde] heeft op 12 april 2010 de Ontvanger drie brieven gestuurd met daarbij diverse bankafschriften van twee privé-bankrekeningen van [gedaagde].

4.7. Nu die gestelde mededeling van de secretaresse van mr. Baks niet is onderbouwd door de Ontvanger en gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde], is onvol¬doende aannemelijk geworden dat [gedaagde] ná 25 maart 2010 niet meer in de administratie bij Dusseldorp heeft gezocht om aan zijn informatieverplichting te kunnen voldoen. Voorts is van belang dat lijfsdwang een ultimum remedium is, waarvan terughoudend gebruik moet worden gemaakt en dat [gedaagde] in appel is gegaan tegen het ontnemingsvonnis, waardoor thans niet onherroepelijk vast staat dat hij een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en dat dit een bedrag van € 1.592.826,73 bedraagt. Verder is onduidelijk wat zich precies bevindt in de bij Dusseldorp opgeslagen administratie, zodat voorshands niet kan worden vastgesteld of [gedaagde] inzage in die administratie nodig heeft voor het verschaffen van inlichtingen en gegevens waartoe hij is veroordeeld bij vonnis van de rechtbank Zutphen. In dat kader is van belang dat [gedaagde] onvoldoende weersproken heeft gesteld dat ook zijn privé-administratie in beslag is genomen door de FIOD en dat hij zijn privé-administratie niet terug heeft gekregen. De Ontvanger heeft ter zitting erkend dat het niet uitgesloten is dat de privé-administratie van [gedaagde], welke administratie volgens de Ontvanger kan aantonen wat er met het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebeurd, en waarmee [gedaagde] dus kan voldoen aan zijn informatieverplichting, zich bevindt tussen de administratie bij Dusseldorp. Hiermee staat onvoldoende vast dat de inlichtingen en gegevens omtrent het weder¬rechtelijk verkregen voordeel die [gedaagde] aan de Ontvanger moet verstrekken zich niet bevinden in de administratie bij Dusseldorp.

4.8. Gelet op het voorgaande kan er voorshands van worden uitgegaan dat [gedaagde] voldoende inspanningen verricht om aan zijn informatieverplichting in het vonnis van de rechtbank Zutphen te voldoen, maar dat het onduidelijk is of [gedaagde] redelijkerwijs in staat is om daaraan te voldoen, zodat er onvoldoende grond is om aan die informatieverplichting lijfsdwang te verbinden. De vordering van de Ontvanger om (de informatieverplichting als bedoeld in) het vonnis van de rechtbank Zutphen uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren zal dan ook om die reden worden afgewezen. Gelet hierop behoeven de overige weren geen bespreking.

4.9. De Ontvanger zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- betaald vast recht € 65,75

- in debet gesteld vast recht € 197,25

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt de Ontvanger in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.079,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 18 mei 2010.