Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM5311

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
627616 Cv Expl. 09-5623
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1355, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen werkgever en werknemer is per 1 april 2009 een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van een maand. In de arbeidsovereenkomst is een opleidingskostenbeding opgenomen. Op 9 april 2009 heeft de werknemer de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd met onmiddellijke ingang opgezegd. De werkgever vordert van de werknemer betaling van € 13.000,00 aan opleidingskosten. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er situaties denkbaar, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een werknemer de volledige opleidingskosten moet terugbetalen als hij in de proeftijd wil opzeggen – te denken valt aan situaties waarin de grond voor de opzegging is gelegen in een de werkgever te verwijten handelen – maar een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. De reden dat de werknemer wilde opzeggen was gelegen in de privé-sfeer. Naar het oordeel van de kantonrechter valt niet in te zien dat in deze situatie, waarin de werkgever geen enkel verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de wens het dienstverband reeds in de proeftijd te beëindigen, het toepassen van het opleidingskostenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 652
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/153
AR-Updates.nl 2010-0447
XpertHR.nl 2010-366481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 627616\ CV EXPL 09-5623 \ 266/PM

uitspraak van 19 februari 2010

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap Polytalent B.V.

gevestigd te Eindhoven

eisende partij

gemachtigde mr. S. Schapendonk

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. C. Karharman

Partijen worden hierna Polytalent en [gedaagde partij] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 18 september 2009

- de brief van 10 november 2009 van de zijde van Polytalent, met producties

- de pleitnotities van de gemachtigde van Polytalent, de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde partij] en het proces-verbaal van de comparitie van 20 november 2009

De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

1.1 Op 1 april 2009 is [gedaagde partij] in dienst getreden van Polytalent. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van een maand.

1.2 In artikel 1 van de arbeidsovereenkomst is vermeld:

“De werknemer treedt op 1 april 2009 in dienst bij PolyTalent BV in de functie van medewerker TOP-IT en het verrichten van werkzaamheden bij opdrachtgever [naam opdrachtgever]”

In artikel 12 van de arbeidsovereenkomst is een opleidingskostenbeding opgenomen, dat als volgt luidt:

“Indien werknemer deze overeenkomst voor 30 september 2010 opzegt, worden de opleidingskosten behorende bij het opleidingsproject [naam] ter hoogte van maximaal € 13.000,00 volledig door werknemer aan PolyTalent terug betaald.

De werknemer gaat middels ondertekening van deze overeenkomst akkoord dat alsdan verrekening plaatsvindt met de eindafrekening van de salarisbetaling en indien noodzakelijk, terugvordering gaat plaatsvinden.

In de periode van 1 oktober 2010 tot en met 31 maart 2011 bedraagt, bij ontbinding van het contract tussen werknemer en [naam opdrachtgever] door werknemer, het terug te betalen bedrag 50% van maximaal € 13.000,00. Na 31 maart 2011 is het bedrag nihil.

Indien er na afloop van het opleidingstraject, door opdrachtgever [naam opdrachtgever] geen arbeidsovereenkomst wordt aangeboden aan de werknemer, dan komt de terugbetalings-regeling vanaf 1 oktober 2010 in zijn geheel te vervallen.”

1.3 Bij brief van 9 april 2009 heeft [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd met onmiddellijke ingang opgezegd.

De vordering en het verweer

2. Polytalent vordert dat de kantonrechter [gedaagde partij] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om een bedrag te betalen van € 13.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juni 2009 tot aan de dag van voldoening, buitengerechtelijke incassokosten ad € 800,00 en proceskosten.

3. Polytalent baseert haar vordering op de vaststaande feiten en op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen. Omdat [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst vóór 30 september 2010 heeft opgezegd en er door Polytalent al hoge kosten zijn gemaakt die het maximale bedrag van € 13.000,00 overstijgen, is [gedaagde partij] op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst verplicht om de opleidingskosten ter hoogte van € 13.000,00 volledig aan Polytalent terug te betalen. Omdat [gedaagde partij] zelf het initiatief heeft genomen tot opzegging van de arbeidsovereenkomst is de verplichting om de opleidingskosten terug te moeten betalen ook billijk. Bij brief van 7 mei 2009 heeft de gemachtigde van Polytalent [gedaagde partij] gesommeerd om het bedrag van € 13.000,00 uiterlijk per 8 juni 2009 te betalen.

4. [gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer. Hij betwist niet dat er opleidingskosten zijn gemaakt door Polytalent, maar hij stelt zich op het standpunt dat Polytalent had kunnen wachten met het maken van de opleidingskosten tot de proeftijd voorbij was. Door de kosten voorafgaand aan de proeftijd te maken èn een proeftijdbeding op te nemen in de arbeidsovereenkomst bestaat het risico dat de ten behoeve van de werknemer gemaakte kosten voor niets zijn gemaakt. Dit is een risico dat voor rekening van de werkgever dient te komen, aldus [gedaagde partij]. Hij heeft in dit verband verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 12 december 2008 (LJN: BG1213). Voorts heeft hij gesteld dat sommige van de opleidingsmodules al voor zijn indiensttreding door hem waren gevolgd, zodat hij er geen voordeel van heeft gehad, en dat het volgen van de opleiding verplicht was. Tot slot stelt [gedaagde partij] dat Polytalent de opleidingskosten niet specifiek voor hem heeft gemaakt en dat er ten onrechte geen glijdende schaal is opgenomen in het opleidingskostenbeding.

De beoordeling

5. De kantonrechter stelt voorop dat in de tussen Polytalent en [gedaagde partij] gesloten arbeidsovereenkomst in artikel 12 een opleidingskostenbeding is opgenomen. In dat beding is geen onderscheid gemaakt tussen een opzegging tijdens de proeftijd of een opzegging buiten de proeftijd. Dit brengt mee dat het opleidingskostenbeding in beginsel ook geldt tijdens de proeftijd.

6. Voor zover [gedaagde partij] met zijn stelling dat het opleidingskostenbeding geen glijdende schaal bevat bedoeld heeft te stellen dat het beding daarom niet geldig is, volgt de kantonrechter dit standpunt niet. Door Polytalent is toegelicht dat zij in opdracht van de [naam opdrachtgever] werknemers opleidt en klaarstoomt om in dienst te treden van de [naam opdrachtgever]. In 94% van de gevallen volgt na de arbeidsovereenkomst met Polytalent dan ook een vaste

aanstelling bij de [naam opdrachtgever]. Indien de werknemer na het dienstverband met Polytalent geen vast dienstverband bij de [naam opdrachtgever] krijgt, vervalt de terugbetalingsregeling. Indien de werknemer wel een vast dienstverband bij de [naam opdrachtgever] krijgt, is een glijdende schaal van toepassing, zoals beschreven in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst. Deze gang van zaken, die door [gedaagde partij] niet is betwist, brengt mee dat vanaf het moment dat een vast dienstverband wordt aangegaan een glijdende schaal van toepassing is, zodat het beding voldoet aan de daaraan door de Hoge Raad op dit punt gestelde eis (vergelijk Hoge Raad 10 juni 1983, NJ 1983, 796).

7. De kantonrechter begrijpt de overige stellingen van [gedaagde partij] aldus, dat toepassing van het opleidingskostenbeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en dat het opleidingskostenbeding om die reden niet moet worden toegepast. De meest verstrekkende stelling die [gedaagde partij] in dit verband heeft ingenomen komt er op neer dat het hanteren van een opleidingskostenbeding het karakter van de proeftijd frustreert. Wanneer immers € 13.000,00 moet worden betaald om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, wordt het recht om op te zeggen illusoir. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er situaties denkbaar, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een werknemer de volledige opleidingskosten moet terugbetalen als hij in de proeftijd wil opzeggen – te denken valt aan situaties waarin de grond voor de opzegging is gelegen in een de werkgever te verwijten handelen – maar een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. De reden dat [gedaagde partij] wilde opzeggen was gelegen in de privé-sfeer. De reistijd naar het werk viel hem tegen. [gedaagde partij] is getrouwd en heeft een jonge tweeling. Hij kreeg ruzies met zijn echtgenote over het late tijdstip van arriveren. Uitsluitend vanwege deze privé-situatie heeft [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst opgezegd. Naar het oordeel van de kantonrechter valt niet in te zien dat in deze situatie, waarin de werkgever geen enkel verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de wens het dienstverband reeds in de proeftijd te beëindigen, het toepassen van het opleidingskostenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uit het door [gedaagde partij] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 december 2008 kan evenmin worden afgeleid dat een werkgever de opleidingskosten van een werknemer die tijdens de proeftijd de arbeidsovereenkomst opzegt, niet kan terug vorderen. In die zaak had de werkgever de vordering gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de werknemer. Daarvan was geen sprake, omdat het de werknemer vrijstond de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd op te zeggen. In de betreffende zaak was tussen werkgever en werknemer kennelijk geen opleidingskostenbeding overeengekomen.

8. De overige door [gedaagde partij] aangevoerde omstandigheden leiden evenmin tot het oordeel dat het toepassen van het onkostenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Naar aanleiding van de stelling dat Polytalent had kunnen wachten met het maken van de opleidingskosten tot de proeftijd voorbij was overweegt de kantonrechter het volgende. Door Polytalent is toegelicht dat zij geen normaal detacheringsbedrijf is, maar dat zij in opdracht van de [naam opdrachtgever] werknemers opleidt en klaarstoomt om in dienst te treden van de [naam opdrachtgever]. De opleiding van [gedaagde partij] begon al op 2 april 2009. De opleidingen, aldus Polytalent, worden op voorhand ingekocht. Gelet op de hoogte van de opleidingskosten worden opleidingen pas ingekocht als er zes werknemers zijn die aan deze opleidingen kunnen deelnemen. De kosten van de opleiding worden in rekening gebracht bij de [naam opdrachtgever]. Omdat [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst al zo snel heeft opgezegd, heeft Polytalent de kosten niet in rekening kunnen brengen bij de [naam opdrachtgever].

Gelet op deze constructie, die op zichzelf niet door [gedaagde partij] is betwist, kan naar het oordeel van de kantonrechter van Polytalent niet worden verwacht dat zij wacht met het inkopen van opleidingen totdat de proeftijd van alle aan de opleiding deelnemende medewerkers is verstreken. Derhalve kan ook de omstandigheid dat Polytalent opleidingskosten maakt tijdens de proeftijd en daarmee een zeker risico loopt, niet tot de conclusie leiden dat toepassing van het opleidingskostenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

9. Met betrekking tot de hoogte van de gemaakte opleidingskosten heeft [gedaagde partij] naar voren gebracht dat deze kosten niet specifiek voor hem zijn gemaakt. Polytalent heeft een totaalbedrag moeten betalen, ongeacht het aantal deelnemers. Daartegenover is door Polytalent gesteld dat zij alleen opleidingen inkoopt als er minimaal zes deelnemers zijn, omdat de opleidingskosten per projectdeelnemer anders te hoog zouden worden. De kantonrechter overweegt dat door [gedaagde partij] niet is betwist dat de cursussen uitsluitend werden ingekocht als er minimaal zes deelnemers waren en hij heeft ook niet betwist dat er sprake was van zes deelnemers. Onder deze

omstandigheden moet worden geoordeeld dat de opleidingskosten wel degelijk specifiek voor [gedaagde partij] zijn gemaakt.

10. Dat [gedaagde partij] al een deel van de cursusmodules had gedaan en daarom, zoals hij stelt, geen voordeel heeft gehad van de gevolgde cursussen leidt ook niet tot het oordeel dat het terugvorderen van de opleidingskosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst is besproken welke cursussen door [gedaagde partij] gevolgd moesten worden. Hoewel hij een aantal modules al had gehaald door middel van zelfstudie, is door Polytalent aangegeven dat hij toch alle cursusmodules moest volgen, omdat de [naam opdrachtgever] het van belang vond dat de opleiding klassikaal werd gevolgd. [gedaagde partij] heeft daar kennelijk mee ingestemd. Vervolgens zijn door Polytalent opleidingskosten gemaakt, ook voor die cursusmodules waarvan [gedaagde partij] stelt dat hij daarvan geen voordeel heeft gehad. Onder deze omstandigheden is de vraag of [gedaagde partij] al dan niet voordeel heeft gehad van de gevolgde cursussen naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant. Voor het overige heeft [gedaagde partij] de hoogte van de opleidingskosten, die door Polytalent zijn begroot op ruim € 19.000,00 en die zijn onderbouwd met stukken, niet betwist, zodat de kantonrechter van de juistheid daarvan uitgaat.

11. Gelet op vorenstaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat de gevorderde opleidingskosten van € 13.000,00 toewijsbaar zijn. De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, die niet afzonderlijk zijn betwist, zijn eveneens toewijsbaar.

12. [gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde partij] om aan Polytalent te betalen € 13.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 13.000,00 vanaf 8 juni 2009 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Polytalent begroot op € 75,75 aan dagvaardingskosten, € 208,00 aan vast recht en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.E.M. Messer-Dinnissen en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2010.