Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM5098

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
AWB 09/4190
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19, tweede lid, van de WRO. Leges. Geen rechtsmiddelen ingesteld tegen de verlening van de bouwvergunning en de daarmee samenhangende beslissing tot verlening van de vrijstelling brengt mee dat dit besluit formeel in rechte vaststaat. De belastingrechter dient uit te gaan van de juistheid van dit besluit. Verweerder heeft terecht leges geheven ter zake van het verlenen van de vrijstelling van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/859
FutD 2010-1344
NTFR 2010/1401 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/4190

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 20 mei 2010

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Zevenaar, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 14 juli 2009 bij factuur (factuurnummer [000]) een aanslag Leges aanvraag reguliere bouwvergunning opgelegd voor [A] [A-straat 1] te [Y]. Het totaalbedrag aan leges bedraagt € 8.268,37.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 september 2009 de aanslag leges gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 oktober 2009, ontvangen door de rechtbank op 20 oktober 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010 te Arnhem.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van verweerder ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

Door [B] BV (hierna:[B]) is op 30 juni 2008 een verzoek om vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ingediend ten behoeve van de bouw van negen vrijstaande woningen, waaronder [A-straat 1] van eiser, in het plan [A]. De gronden in het plan [A] hebben de bestemming ´groene ruimte´. Voor de bouw van de woningen is een zogenoemde vrijstellingenprocedure in de zin van artikel 19, tweede lid, van de WRO (hierna: de vrijstellingenprocedure) noodzakelijk.

Op 30 juni 2008 was de Legesverordening 2008 van toepassing.

Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening in werking getreden (hierna: Wro). Het verzoek van [B] van 30 juni 2008 om vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO is met inachtneming van de WRO van vóór 1 juli 2008 door verweerder in behandeling genomen.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de - overeenkomstig de voorschriften van de Gemeentewet bekendgemaakte - Legesverordening 2008 2e wijziging zijn de tariefsbepalingen van hoofdstuk 5 van de tarieventabel van vóór 1 juli 2008 van toepassing op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

In artikel 5.8.2. van de tarieventabel, behorende bij de Legesverordening 2008, is bepaald dat indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwplan waarvoor een vergunning moet worden verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO de leges voor de bouwvergunning worden verhoogd met 1,85% van het bedrag van de bouwkosten met een minimum van € 425 en een maximum van € 4.250.

Eiser heeft in januari 2009 een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning op [A-straat 1] in het plan [A]. De aanvraag van eiser is op 5 maart 2009 door verweerder in behandeling is genomen.

Op 10 juli 2009 is de bouwvergunning met inachtneming van de vrijstellingenprocedure aan eiser verleend.

Voor het in behandeling nemen van de aanvraag om de bouwvergunning en de verleende vrijstelling heeft verweerder met dagtekening 14 juli 2009 een aanslag leges aan eiser opgelegd. Het totaalbedrag aan leges van € 8.268,37 is als volgt opgebouwd:

Leges reguliere bouwvergunning (artikel 5.2.5.1) € 3.896,10

Welstandtoezicht (artikel 5.3.2) € 476,17

Leges vrijstellingenprocedure (artikel 5.8.2) € 3.896,10

De aan eiser in rekening gebrachte leges bestaan enerzijds op grond van de artikelen 5.2.5.1 en 5.3.2 van de bij de Legesverordening 2009 behorende tarieventabel uit leges voor de aanvraag om een reguliere bouwvergunning en leges welstandstoezicht en anderzijds op grond van artikel 5.8.2 van de bij de Legesverordening 2008 behorende tarieventabel uit leges ter zake van het volgen van de vrijstellingenprocedure.

Tot de gedingstukken behoren de Verordening op de heffing en invordering van de Leges 2008 (hierna: de Legesverordening 2008) alsmede de bijhorende tarieventabel. Verder behoren tot de gedingstukken de eerste, tweede en derde wijziging van de Legesverordening 2008 en de Verordening op de heffing en invordering van de Leges 2009 (hierna: Legesverordening 2009) en de bijbehorende tarieventabel.

Bij brief van 20 augustus 2009, ontvangen door verweerder op 25 augustus 2009, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de opgelegde leges inzake de vrijstellingenprocedure.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht een aanslag leges inzake de vrijstellingenprocedure aan eiser heeft opgelegd.

Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte leges op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO in rekening zijn gebracht, aangezien verweerder heeft nagelaten om het oude bestemmingsplan tijdig te herzien. Volgens eiser dienen daarom de aan hem in rekening gebrachte leges te vervallen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Hij is van oordeel dat in het kader van de vrijstellingenprocedure de Legesverordening 2008 en voor de aanvraag van de reguliere bouwvergunning de Legesverordening 2009 op de juiste wijze zijn toegepast.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet bepaalt dat rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Ingevolge artikel 2 van de Legesverordening 2008 en de Legesverordening 2009 wordt onder de naam “leges” rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Ingevolge artikel 3 van de Legesverordening 2008 en de Legesverordening 2009 is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend belastingplichtig.

Vaststaat dat de door eiser aangevraagde bouwvergunning op 10 juli 2009 met toepassing van de vrijstelling van artikel 19, tweede lid, van de WRO is verleend.

Voor zover eiser heeft bedoeld dat de gevolgde vrijstellingenprocedure ten onrechte door verweerder is gevolgd, oordeelt de rechtbank als volgt. De vraag of al dan niet terecht de vrijstellingenprocedure is gevoerd, staat niet ter beoordeling aan de belastingrechter maar moet in een bezwaar- en beroepsprocedure tegen de verleende vrijstelling worden uitgemaakt. Tegen de verleende bouwvergunning en de vrijstelling stonden immers de rechtsmiddelen aan eiser ter beschikking van bezwaar bij Burgemeester en wethouders en beroep bij de (algemene) bestuursrechter.

Uit de gedingstukken is gebleken dat het bezwaar van eiser enkel is gericht tegen het bedrag aan leges voor de vrijstelling conform artikel 19, tweede lid, van de WRO. Eiser heeft tegen de verlening van de bouwvergunning en de gevolgde vrijstellingenprocedure echter geen rechtsmiddelen ingesteld, zodat de verleende bouwvergunning en de daarmee samenhangende beslissing tot toepassing van de vrijstelling formeel in rechte vast is komen te staan. De belastingrechter moet derhalve uitgaan van de juistheid van dit besluit.

Gelet op het voorgaande dient de rechtbank er daarom vanuit te gaan dat verweerder de vrijstellingenprocedure van artikel 19, tweede lid, van de WRO terecht heeft gevolgd.

Naar aanleiding van het verzoek van 30 juni 2008 om vrijstelling van het bestemmingsplan en daarbij rekening houdend met de op dat moment geldende wetgeving heeft verweerder derhalve voor het volgen van de vrijstellingenprocedure terecht overeenkomstig de Legesverordening 2008 en de bijbehorende tarieventabel leges ad € 3.896,10 geheven.

Nu niet is gebleken dat verweerder de hoogte van de leges voor de reguliere bouwvergunning – overeenkomstig de Legesverordening 2009 en de bijbehorende tarieventabel – onjuist heeft berekend, verklaart de rechtbank het beroep van eiser ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. G. Schokker, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 mei 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.