Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM4555

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
09/3191
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP3717, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu het vrijstellingsverzoek dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wro per 1 juli 2008 en de bouwvergunning daarna is aangevraagd, is, ingevolge art. 9.1.10, lid 3, Invoeringswet Wro jo. art. 5.10, lid 1, Crisis- en herstelwet, de WRO van toepassing op de aangevraagde bouwvergunning. Verweerder heeft voor zowel het verzoek om vrijstelling als de aanvraag bouwvergunning terecht en op juiste wijze de procedure op grond van de WRO gevolgd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 9.1.10
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 3.6
Crisis- en herstelwet 5.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/3191

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 18 mei 2010.

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M. Bos,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel, verweerder,

alsmede

[vergunninghouder], partij ex artikel 8:26 van de Awb, vergunninghouder,

te [woonplaats].

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 23 juni 2009, verzonden 26 juni 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2009, verzonden 3 april 2009, heeft verweerder met gebruikmaking van de op grond van artikel 19, eerste lid van de - inmiddels vervallen - Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende vrijstelling, bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van een woning, op het perceel [perceel].

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is namens eiser door mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen, beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 21 augustus 2009 heeft [vergunninghouder] zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 26 februari 2010. Namens eiser is mr. Bos, voornoemd, verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R. van Heeringen en J.J.W.G. van den Oetelaar. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Breukers, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch.

3. Overwegingen

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2002, nr. 200005196/1; www.raadvanstate.nl), heeft eiser als eigenaar van het aangrenzende perceel een rechtstreeks bij de verlening van de bouwvergunning betrokken belang in de zin van art. 1:2 lid 1 Awb. Gelet hierop moet eiser naar het oordeel van de rechtbank, anders dan vergunninghouder heeft betoogd, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden beschouwd.

Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (IWro) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 3.6 van de op 31 maart 2010 in werking getreden Crisis- en herstelwet (Chw) wordt aan artikel 9.1.10 van de IWro een (derde) lid toegevoegd, luidende: Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 5.10, eerste lid van de Chw treedt artikel 3.6 van deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt dit artikel terug tot en met 1 juli 2008.

De rechtbank stelt vast dat vergunninghouder op 23 juni 2008, derhalve vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro, heeft verzocht om vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, eerste lid van de - inmiddels vervallen - WRO. De aanvraag om bouwvergunning is vervolgens ingediend op 10 februari 2009. Ingevolge het bepaalde in artikel 9.1.10, derde lid van de IWro blijft ten aanzien van de aangevraagde bouwvergunning het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing nu het verzoek om vrijstelling te verlenen dateert van voor 1 juli 2008.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder voor zowel het verzoek om vrijstelling als de aanvraag bouwvergunning terecht en op juiste wijze de procedure op grond van de – inmiddels vervallen – WRO heeft gevolgd.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kern Rossum, herziening 1997”, nu op de plankaart ter plaatse niet is voorzien in een bouwperceel. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen is een vrijstelling benodigd.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dit project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

De rechtbank stelt vast dat gedeputeerde staten van Gelderland bij besluit van 6 maart 2009 een verklaring van geen bezwaar hebben verleend voor het voorliggende bouwplan.

Namens eiser is, kort samengevat, betoogd dat verweerder in redelijkheid geen toepassing aan artikel 19, eerste lid, van de WRO had mogen geven omdat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing en dat het toevoegen van nieuwe bebouwing haaks staat op het planologische beleid van verweerder. Daarnaast wijst eiser erop dat het bouwplan niet past binnen het ontwerpbestemmingsplan “Rossum en Hurwenen”.

De bevoegdheid om vrijstelling te verlenen in artikel 19, eerste lid, van de WRO is geformuleerd als een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank mag de wijze waarop verweerder gebruik maakt van deze bevoegdheid om die reden slechts terughoudend toetsen. De beslissing ten aanzien van de vrijstelling dient echter wel te zijn gebaseerd op deugdelijk onderzoek naar de relevante feiten en de af te wegen belangen, en te zijn voorzien van een toereikende en voor derden kenbare motivering.

De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet past binnen het bepaalde in de StructuurvisiePlus 2004-2015. In de structuurvisie is aangegeven dat het toevoegen van nieuwe bebouwing in het gebied waarin het betreffende perceel is gelegen niet gewenst is. Het is ter plaatse alleen mogelijk om aanwezige bebouwing te vervangen door nieuwbouw, zodat geen toename van woningen zal plaatshebben in het betreffende gebied. De rechtbank stelt tevens vast dat het bouwplan niet past in de planvoorschriften van het ontwerpbestemmingsplan “Rossum en Hurwenen”. Op de bijbehorende plankaart is namelijk voor het betreffende perceel geen bouwvlak ten behoeve van een woning opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat door verweerder in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende gemotiveerd is waarom het plan desondanks wel past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat omdat het ontwerpbestemmingsplan een conserverend bestemmingsplan is de gevraagde vrijstelling niet eerder in het (ontwerp)bestemmingsplan zal worden vertaald dan nadat de gevraagde vrijstelling is verleend.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het bouwplan thans strijdig is met de huidige en toekomstige stedenbouwkundige planologische visie van verweerder. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de in het dossier aanwezige adviezen ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing die verweerder aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, waaronder het advies van bureau Lantschap van 19 maart 2007, onvoldoende steun bieden voor het standpunt dat het bouwplan past binnen het toekomstige beleid van verweerder. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat in de ruimtelijke onderbouwing wel de StructuurvisiePlus 2004-2015 is meegewogen, maar niet het ten tijde van het primaire en het bestreden besluit reeds bekende ontwerpbestemmingsplan “Rossum en Hurwenen”.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de van het bestreden besluit deel uitmakende ruimtelijke onderbouwing niet aangemerkt kan worden als een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Derhalve is in dit geval niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 19, eerste lid, van de WRO voldaan, zodat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of verweerder, gelet op de daarbij in aanmerking te nemen belangen, in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,--;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. A.G.A. Nijmeijer en mr. B.N. Crol, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman als griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 18 mei 2010.