Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM4311

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
09/4066
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing inzake declaratiegeschil tussen eiseres en een notaris.

Het bestreden besluit is genomen in strijd met het verbod van reformatio in peius. Verder geeft het bestreden besluit geen blijk van enig onderzoek naar de aard en inhoud van de door de notaris gedeclareerde werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/4066

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 11 mei 2010.

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats],

tegen

de voorzitter van het bestuur van de ring Arnhem van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 september 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft verweerder inzake een declaratiegeschil tussen eiseres en [kandidaat-notaris], kandidaat-notaris te [plaats] (hierna: de notaris), beslist dat de declaratie opnieuw door de notaris moet worden vastgesteld waarbij in overweging is gegeven de declaratie met een derde deel te verminderen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 14 juli 2009 herroepen en beslist dat de declaratie opnieuw door de notaris moet worden vastgesteld waarbij in overweging is gegeven de declaratie met een vijfde deel te verminderen.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder het verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 15 februari 2010. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar zoon, [zoon]. Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Standpunten van partijen

3.1 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het redelijk en billijk en niet ongebruikelijk is dat de notaris zijn advieswerkzaamheden declareert, doch dat in casu de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld en tekort is geschoten in zijn informatieplicht en dat daarom de declaratie verlaagd dient te worden met een vijfde deel. Voorts is hierbij de klacht van eiseres dat de notaris de kosten van de declaratie heeft verrekend met de depotgelden onder zijn beheer niet-ontvankelijk verklaard, omdat geschillen die zien op de wijze van incasseren van de declaratie niet vallen onder het bereik van artikel 55 van de Wet op het notarisambt (Wna).

3.2 Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op de door haar daartoe aangevoerde gronden zal de rechtbank hierna, waar nodig, nader ingaan.

Wettelijk kader

3.3 Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Wna is de notaris verplicht om op verzoek van de cliënt een rekening van zijn honorarium voor ambtelijke werkzaamheden en de overige aan de zaak verbonden kosten op te maken, waaruit duidelijk blijkt op welke wijze het in rekening gebrachte bedrag is berekend.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan – voor zover hier van belang – indien over de in het eerste lid bedoelde rekening geschil ontstaat, de meest gerede partij bij met redenen omkleed schriftelijk verzoek aan de voorzitter van het bestuur van de ring in het arrondissement waar de notaris gevestigd is, een beslissing vragen.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wna – voor zover hier van belang – worden bij verordening beroeps- en gedragsregels van de leden van de KNB vastgesteld.

3.4 Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Verordening beroeps- en gedragsregels licht de notaris cliënten tijdig en duidelijk voor over de financiële consequenties van zijn inschakeling. De notaris mag de kosten van zijn werkzaamheden niet brengen ten laste van een ander(e) (deel van de) opdracht of een andere opdrachtgever.

Beoordeling

3.5 De rechtbank stelt voorop dat zij ervan uitgaat dat verweerder met het bestreden besluit tot uitdrukking heeft gebracht dat naar zijn opvatting het totaalbedrag van de declaratie met een vijfde deel door de notaris dient te worden verlaagd. Er is derhalve niet slechts sprake van een voor de notaris vrijblijvend advies.

Reformatio in peius

3.6 Eiseres heeft – samengevat – betoogd dat zij door het maken van bezwaar in een nadeliger positie is komen te verkeren, daar bij het besluit van 14 juli 2009 de notaris in overweging is gegeven de declaratie met een derde deel te verminderen, terwijl bij het bestreden besluit de notaris in overweging is gegeven de declaratie met een vijfde deel te verminderen.

3.7 Bij brief van 4 februari 2010 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, nu door de notaris geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 14 juli 2009 om de declaratie met een derde deel te verminderen, dit besluit in zoverre in stand dient te blijven. Het aantal door de notaris aan de zaak bestede uren in samenhang met het uurtarief dat hij daarvoor in rekening heeft gebracht in aanmerking nemend, acht verweerder een verlaging van de declaratie met een derde deel gerechtvaardigd.

De rechtbank constateert dat verweerder met het vorenstaande erkent dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het in artikel 7:11 van de Awb besloten liggende verbod van reformatio in peius en het bestreden besluit niet langer handhaaft voor zover daarbij de declaratie is verlaagd met een vijfde deel in plaats van een derde deel. Het beroep dient reeds vanwege de strijd met het verbod van reformatio in peius gegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van de overige beroepsgronden overweegt de rechtbank als volgt.

Incassering van de declaratie en depotkwestie

3.8 Eiseres heeft aangevoerd dat de in de bezwaarfase door de notaris overgelegde rekening ten bedrage van € 833,- die in het bestreden besluit is beoordeeld, verschilt met het door de notaris, door middel van verrekening met de depotgelden onder zijn beheer, ingehouden bedrag van € 834,16. Deze rekening biedt daarom geen onderbouwing voor het verschil van € 1,16.

3.9 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit terecht het standpunt ingenomen dat de in artikel 55, tweede lid, van de Wna voorziene regeling van declaratiegeschillen niet ziet op de wijze van incasseren van de declaratie. Dit brengt mee dat de klacht van eiseres in zoverre buiten het bereik van deze bepaling valt en om die reden in deze procedure niet aan de orde kan komen.

Het vorenstaande geldt evenzeer voor het geschil tussen eiseres en de notaris over de gelden die de notaris in depot heeft gehouden.

Onderzoek naar de gedeclareerde werkzaamheden

3.10 Eiseres heeft voorts betwist dat de notaris advieswerkzaamheden voor haar heeft verricht. Zij heeft gesteld dat zij hem ook nooit om advies heeft gevraagd en dat de notaris haar nimmer heeft verteld dat hij haar kosten in rekening zou brengen voor advieswerkzaamheden.

3.11 De rechtbank constateert dat het bestreden besluit geen blijk geeft van enig onderzoek naar de aard en inhoud van de door de notaris gedeclareerde werkzaamheden. Verweerder was daartoe naar het oordeel van de rechtbank wel gehouden. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 april 2003, LJN: AF7629, waarin zij overweegt dat de memorie van toelichting bij artikel 55, tweede lid, van de Wna uitdrukkelijk vermeldt dat de toetsing van het aan de voorzitter van het bestuur van de ring ingevolge deze bepaling voorgelegde geschil over een declaratie van een notaris een volledige is (Kamerstukken II 1993/94, 23 706, nr. 3, p. 47-48). In deze uitspraak heeft de ABRvS voorts geoordeeld dat de voorzitter weliswaar een zekere ruimte toekomt bij de wijze waarop hij de aan hem ingevolge artikel 55, tweede lid, van de Wna toegekende bevoegdheid inkleedt, maar dat hij de bij hem voorgelegde declaratie in volle omvang op haar juistheid dient te beoordelen. Dit brengt mee dat de voorzitter zich mede inhoudelijk een oordeel dient te vormen over de door de notaris gedeclareerde werkzaamheden.

3.12 De rechtbank stelt daarbij vast dat op de rekening van de notaris geen data zijn vermeld waarop de gestelde gesprekken met eiseres hebben plaatsgevonden. Voorts vermeldt de rekening dat er gesprekken met mr. A.J. de Bie, advocaat van eiseres, op 18 april, 13 mei en 27 juni 2008 van in totaal vier en een half uur hebben plaatsgevonden, terwijl volgens De Bie, zoals blijkt uit diens door eiseres in geding gebrachte urenoverzicht, de gesprekken op die data in totaal drie uur en 25 minuten hebben geduurd. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de door de notaris opgemaakte rekening niet voldoet aan het bepaalde in artikel 55, eerste lid, van de Wna.

Conclusie

3.13 Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank derhalve onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

3.14 Zoals onder 3.7 is overwogen, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:11 van de Awb. Voorts volgt uit het onder 3.13 overwogene dat het bestreden besluit genomen is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

3.15 Nu niet gebleken is van door eiseres gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het bestreden besluit;

III. draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

IV. bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mrs. J.H.A. van der Grinten, als voorzitter, D.J. Post en J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 11 mei 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 11 mei 2010.