Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM4281

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
09/1021 en09/1030
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling art. 19 lid 2 WRO voor 2 woningen; omgekeerde werking Wet geurhinder en veehouderij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 09/1021 en 09/1030

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 27 april 2010.

inzake

I. [eiser I], eiser (09/1021),

II. [eiser II], eiser (09/1030),

beiden wonende te Nederhemert,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel, verweerder,

alsmede

[vergunninghouder], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te Nederhemert.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 21 januari 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft verweerder aan [vergunninghouder] (verder: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van twee woningen en een vrijstaande schuur op het perceel kadastraal bekend [perceel].

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de ingediende bezwaren van elk van de eisers ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Voorts heeft vergunninghouder zich gesteld als partij in het geding en een reactie ingezonden. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 18 maart 2010. Eisers zijn aldaar beiden in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.L van Dalsen-Croes, werkzaam bij de gemeente. Vergunninghouder is in persoon verschenen.

3. Overwegingen

3.1. Het bouwplan waarvoor vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de voormalige Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning is verleend, voorziet in de oprichting van twee woningen en een vrijstaande schuur aan [perceel].

Ten aanzien van het beroep van [eiser II]

3.2. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan tegen een besluit uitsluitend bezwaar worden gemaakt door een belanghebbende.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.3. De rechtbank stelt aan de hand van de stukken vast dat de afstand tussen het in geding zijnde perceel en het perceel van eiser [eiser II] globaal 150 meter bedraagt. Als gevolg van tussenliggende bebouwing bestaat vanaf het perceel van [eiser II] geen of nagenoeg geen zicht op de projectlocatie. Gelet op de afstand tussen beide percelen wordt [eiser II] bovendien niet in zijn bedrijfsvoering beperkt door de verlening van vrijstelling en bouwvergunning. Het belang van [eiser II] is dan ook niet rechtstreeks betrokken bij het besluit tot verlening van de bouwvergunning en vrijstelling.

De rechtbank voegt hieraan toe dat de bouw van andere woningen, waartegen [eiser II] in bezwaar en beroep is opgekomen, in dit geding niet ter beoordeling van de rechtbank kan staan. De stelling van [eiser II] dat verweerder door het toestaan van woningbouw op meerdere plekken aan de Molenstraat de daar aanwezige agrarische bedrijven koud saneert, maakt, wat daar ook van zij, evenmin dat zijn belang rechtstreeks is betrokken bij dit bouwplan.

Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar van [eiser II] dan ook ten onrechte ontvankelijk geacht. Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Het beroep van van Ooijen is om deze reden gegrond. De rechtbank zal daarbij zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [eiser II], met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van het beroep van [eiser I]

3.4. De aanvraag om bouwvergunning is ontvangen vóór 1 juli 2008, zodat daarop ingevolge de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening het daarvóór geldende recht van toepassing is.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat gold ten tijde van belang zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang mag een bouwvergunning slechts, en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met het Bouwbesluit, de bouwverordening of het bestemmingsplan, het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand of voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en niet is verleend.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1991" is op het perceel de bestemming "agrarisch kernrandgebied" van kracht. Het perceel is op de plankaart niet aangeduid als grond waarop woonbebouwing is toegestaan.

Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Ingevolge dit artikellid, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, tweede volzin, van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Ingevolge de derde volzin van dit artikellid wordt, indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: GS) heeft (laatstelijk) bij besluit van 15 november 2005, de lijst van categorieën van gevallen ex artikel 19, tweede lid, van de WRO vastgesteld. Op grond van deze lijst kunnen onder meer voorontwerpplannen voorzien van een positief advies van de provinciale diensten en de VROM-inspectie een basis bieden voor vrijstelling op grond van dit artikel.

3.5. Eiser [eiser I] betoogt dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, en evenmin met het toekomstige bestemmingsplan.

3.5.1. Aan het besluit tot verlening van vrijstelling is het ontwerpbestemmingsplan "Molenstraat Nederhemert" ten grondslag gelegd. De provinciale diensten en de VROM-inspectie hebben omtrent dit ontwerpbestemmingsplan positief geadviseerd. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan met dit ontwerpbestemmingsplan in overeenstemming is. Dit ontwerpbestemmingsplan kon dan ook als basis dienen voor vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het betoog faalt.

3.6. Eiser [eiser I] betoogt dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) aan verlening van vrijstelling in de weg staat. [eiser I] stelt in dit verband dat hij als gevolg van de woningen in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd en dat een goed woon- en leefklimaat in de op te richten woningen niet kan worden gegarandeerd.

3.6.1. Niet in geschil is dat aan de Wgv ook zogeheten omgekeerde werking toekomt, in die zin dat de in deze wet gestelde normen ook van toepassing zijn in het kader van een planologische vrijstelling ten behoeve van de oprichting van geurgevoelige objecten zoals woningen.

3.6.2. De Wgv maakt onderscheid tussen situaties binnen een concentratiegebied en buiten een concentratiegebied en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom.

Niet in geschil is dat het perceel is gelegen buiten een concentratiegebied.

In het bestreden besluit is verweerder er vanuit gegaan dat het perceel binnen de bebouwde kom is gelegen. In het kader van het gevoerde verweer tegen de beroepen heeft verweerder dit standpunt echter verlaten en betoogd dat het perceel geacht moet worden buiten de bebouwde kom te zijn gelegen.

Het begrip "bebouwde kom" is in de Wgv niet gedefinieerd. Zoals blijkt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 november 2009 (LJN BK4331), kan het begrip bebouwde kom worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de verkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen de bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur.

De rechtbank is van oordeel dat het perceel is gelegen binnen de bebouwde kom. Zoals blijkt uit de tot de gedingstukken behorende (lucht)foto's, bevindt het perceel zich in een gebied van lintbebouwing waarbinnen een groot aantal woningen op beperkte afstand van elkaar aanwezig is. Het lint loopt vrijwel ononderbroken door tot de kern van Nederhemert. Hoewel niet doorslaggevend, ziet de rechtbank nadere aanwijzingen voor haar standpunt in de omstandigheid dat het gebied is aangewezen als 30 km/u-zone en in de omstandigheid dat (zoals is aangegeven in het rapport Geur van De Roever van 5 juli 2009) het perceel op grond van de beleidsregels voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening eveneens geacht wordt binnen de bebouwde kom te liggen.

3.6.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c van de Wgv, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied en binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht (2 OUe/m3).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object, ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 6, derde lid, voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 4, eerste lid.

3.6.4. Niet in geschil is dat [eiser I] een agrarisch bedrijf exploiteert waar zowel vleesstieren als melkvee/jongvee wordt gehouden. De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bevat wel bepalingen ten aanzien van de geuremissiefactor van vleesstieren, maar niet ten aanzien van de geuremissiefactor van melkvee/jongvee. Op de vleesstieren is derhalve artikel 3 van de Wgv van toepassing, en op het melkvee/jongvee is artikel 4 van de Wgv van toepassing.

3.6.5. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de woningen - na aanpassing waarbij de woningen enigszins zijn verschoven - buiten de geurcontour van 2 OUe/m3 zijn geprojecteerd. Uit het nadien opgestelde (eerdergenoemde) rapport Geur kan hetzelfde worden afgeleid. Partijen betwisten dit ook niet. Artikel 3 van de Wgv staat dan ook niet aan verlening van vrijstelling in de weg.

3.6.6. Evenmin is in geschil dat de afstand tussen de stal waarin het melkvee/jongvee wordt gehouden (in het rapport Geur aangeduid als stal 2) en de geprojecteerde woningen minder dan 100 meter bedraagt. Het bouwplan verdraagt zich in zoverre niet met artikel 4 van de Wgv.

3.6.7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niettemin vrijstelling kan worden verleend voor het bouwplan. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat de vrijstelling niet tot een (verdergaande) beperking van de bedrijfsvoering van het bedrijf van [eiser I] leidt, nu op kortere afstand van de stal reeds andere woningen aanwezig zijn, die bepalend zijn voor de bedrijfsvoering van [eiser I]. Volgens verweerder wordt voorts geen afbreuk gedaan aan een goed woon- en leefklimaat in de woningen, nu het onderhavige bouwplan is gesitueerd buiten de geurcontour van 2,0 OUe/m3.

3.6.8. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover het verweerder vrij zou staan om anders dan bij de in de Wgv bedoelde verordening af te wijken van de in die wet gestelde normen, de met de Wgv te beschermen belangen ten minste een zware motiveringsplicht met zich brengen.

De motivering die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder, door de afwijking van de minimale afstand ingevolge artikel 4 van de Wgv aanvaardbaar te achten vanwege het gegeven dat wel wordt voldaan aan de ingevolge artikel 3 geldende norm van 2,0 OUe/m3, heeft miskend dat de Wgv in de artikelen 3 en 4 twee afzonderlijke normenstelsels kent, waaraan in beginsel beide moet worden voldaan. Bij de berekening van de geurcontour van 2,0 OUe/m3 zijn uitsluitend de in het bedrijf aanwezige vleesstieren betrokken, en niet het aanwezige melkvee/jongvee. Het gegeven dat de woningen buiten die geurcontour zijn gesitueerd heeft dan ook, anders dan verweerder heeft aangenomen, geen betekenis voor de vraag welke invloed het melkvee/jongvee heeft op het woon- en leefklimaat in die woningen.

De rechtbank voegt hieraan toe dat in de ruimtelijke onderbouwing niet nader is ingegaan op de gevolgen van de afwijking van de bedoelde afstandsnorm voor het woon- en leefklimaat.

Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsplicht.

3.6.9. De rechtbank ziet echter aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank dat de raad van de gemeente Zaltbommel op 14 januari 2010 de Geurverordening gemeente Zaltbommel 2010 heeft vastgesteld. Ingevolge artikel 11 van deze verordening is, in afwijking van de waarde (de afstand), genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a van de Wgv voor een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom als waarde (afstand) van toepassing 50 meter. Vastgesteld kan worden dat het bouwplan met deze inmiddels geldende norm in overeenstemming is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een herroeping van de verleende vrijstelling en bouwvergunning.

3.7. Nu niet gebleken is van door eisers in beroep gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- verklaart het bezwaar van [eiser II] niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het aan [eiser II] gerichte vernietigde besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het aan [eiser I] gerichte vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- gelast dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht, elk ten bedrage van € 145 aan hen vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.A.J. de Gier, voorzitter, mr. H.J.M. Besselink en mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 27 april 2010.