Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM2265

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
05/800882-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een korporaal der eerste klasse tot 100 uur werkstraf. De militaire kamer acht bewezen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel is bekomen. Verdachte is tijdens een militaire oefening op de Maas met hoge snelheid met voor een andere boot langs gekruist en heeft vervolgens op korte afstand van die andere boot scherp naar links gestuurd. Hierdoor kwam de boot waarin verdachte voer dwars op de vaarrichting van de andere boot stil te liggen. De achteropkomende boot kon de door verdachte bestuurde boot niet meer ontwijken met een botsing als gevolg. Daarbij is een passagier, het latere slachtoffer, van de door verdachte bestuurde boot overboord geslagen en vervolgens aan zijn hoofd en in zijn gezicht geraakt door de schroef van de buitenboordmotor van de door verdachte bestuurde boot en daardoor zwaar gewond geraakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800882-09

Datum zitting : 12 april 2010

Datum uitspraak : 26 april 2010

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

rang/rnr : korporaal der eerste klasse, [nummer]

ingedeeld bij : [nummer] Geniecompagnie Luchtmobiel te [vestigingsplaats]

officier-raadsman : kapitein J.M. Jansen, 't Harde.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 15 juli 2009 te Hoenzadriel, gemeente Maasdriel, grovelijk,

althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig,

als lid van de bemanning en/of als een persoon die zich aan boord van een

snelle motorboot bevindt en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid

van die snelle motorboot bepaalde, daarmee, zonder in het bezit te zijn van

een geldig (klein) vaarbewijs, met hoge, althans aanzienlijke snelheid

stroomafwaarts heeft gevaren op de rivier de Maas, -zijnde een openbaar voor

de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen-, gaande in de richting

van Hedel en/of gekomen nabij (kilometer)raai 214,5,

terwijl ook in het geval dat uitdrukkelijke voorschriften in het

Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, in strijd met het gestelde in artikel

1.04 van het Binnenvaartpolitiereglement, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft

genomen die volgens goede zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat

schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de

goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het

leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan

een ander schip/andere schepen en/of aan een andere drijvende voorwerpen, aan

oevers en/of aan werken en/of inrichtingen die zich in de vaarweg en/of op de

oevers daarvan bevonden en/of de veiligheid of het vlotte verloop van de

scheepvaart in gevaar werd gebracht, immers

toen aldaar in strijd met het gestelde in artikel 6.09 lid 1 van voormeld

reglement een aan de rechter oever van die rivier varende andere snelle

motorboot, aan bakboordzijde voorbij is gelopen en/of direct naar stuurboord

is gegaan/gevaren en/of daarbij op een afstand van ongeveer 3 a 4 meter,

althans op een (zeer) korte afstand ten opzichte van die andere snelle

motorboot, de koerslijn van die andere snelle motorboot heeft gekruist en/of

vervolgens direct of kort daarna zijn, verdachtes koerslijn (weer) naar

bakboord heeft verlegd en/of (weer) in de koers van die andere snelle

motorboot is terechtgekomen, waarbij hij, verdachte in strijd met het gestelde

in artikel 6.03 lid 4 van voormeld reglement, niet (door tijdige

koerswijziging of door snelheidsverandering) aan dat andere schip de ruimte

heeft gelaten, die die andere snelle motorboot nodig had om zijn koers te

volgen en/of te manoeuvreren en/of

met die door hem, verdachte bestuurde snelle motorboot in aanvaring gekomen

met die andere snelle motorboot, door welke gedraging/en

van hem, verdachte een opvarende (te weten het slachtoffer [naam]),

vanaf die door hem, verdachte bestuurde snelle motorboot, overboord is

geslagen/gevallen/geduwd en/of vervolgens door de door hem, verdachte

bestuurde snelle motorboot is overvaren en/of waarbij en/of waardoor die

overboord geslagen/gevallen persoon, onder andere met het gezicht/hoofd met de

schroef van de buitenboordmotor van die door, hem, verdachte bestuurde snelle

motorboot in aanraking is gekomen, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld

te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft

bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte

en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van

deze was ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 15 juli 2009 in de gemeente Hoenzadriel, gemeente

Maasdriel, als lid van de bemanning en/of als een persoon die zich aan boord

van een snelle motorboot bevond en die tijdelijk zelfstandig de koers en de

snelheid van die snelle motorboot bepaalde,

terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement

ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede

zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich

bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart

waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd

gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan een ander schip/andere schepen

en/of aan een andere drijvende voorwerpen, aan oevers en/of aan werken en/of

inrichtingen die zich in de vaarweg en/of op de oevers daarvan bevonden en/of

de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd

gebracht, immers

toen aldaar met hoge, althans aanzienlijke snelheid stroomafwaarts heeft

gevaren op de rivier de Maas, -zijnde een openbaar voor de scheepvaart

openstaand water in het Rijk gelegen-, gaande in de richting van Hedel en/of

gekomen nabij (kilometer)raai 214,5,

in strijd met het gestelde in artikel 6.09 lid 1 van voormeld reglement een

aan de rechter oever van die rivier varende andere snelle motorboot, aan

bakboordzijde voorbij is gelopen en/of direct naar stuurboord is

gegaan/gevaren en/of (daarbij) op een afstand van ongeveer 3 a 4 meter,

althans op een (zeer) korte afstand ten opzichte van die andere snelle

motorboot, de koerslijn van die andere snelle motorboot heeft gekruist en/of

vervolgens direct of kort daarna zijn, verdachtes koerslijn (weer) naar

bakboord heeft verlegd en/of (weer) in de koers van die andere snelle

motorboot is terechtgekomen, waarbij hij, verdachte in strijd met het gestelde

in artikel 6.03 lid 4 van voormeld reglement, niet door tijdige koerswijziging

of door snelheidsverandering aan dat andere schip de ruimte heeft gelaten, die

die andere snelle motorboot nodig had om zijn koers te volgen en/of te

manoeuvreren en/of

met die door hem, verdachte bestuurde snelle motorboot in aanvaring gekomen

met die andere snelle motorboot, door welke gedraging/en

van hem, verdachte een opvarende (te weten het slachtoffer [naam]),

vanaf die door hem, verdachte bestuurde snelle motorboot, overboord is

geslagen/gevallen/geduwd en/of vervolgens door de door hem, verdachte

bestuurde snelle motorboot is overvaren en/of waarbij en/of waardoor die

overboord geslagen/gevallen persoon, onder andere met het gezicht/hoofd met de

schroef van de buitenboordmotor van die door, hem, verdachte bestuurde snelle

motorboot in aanraking is gekomen,

zijnde de terminologie in deze telastelegging gebezigd in de zin van het

Binnenvaartpolitiereglement;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 april 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door kapitein J.M. Jansen, officier-raadsman te 't Harde.

De officier van justitie, mr. J. Stikkelman heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 100 uren werkstraf subsidiair 50 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn officier-raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de verdediging is gesteld dat - voor zover verdachte al een verwijt kan worden gemaakt - tevens de bootcommandant van de door verdachte bestuurde motorboot, de bestuurder van de achteropkomende motorboot en de bootcommandant van laatstgenoemde boot ditzelfde verwijt kan worden gemaakt. Volgens de verdediging dienen de rollen van betrokkenen op eenzelfde wijze te worden getoetst en behandeld. Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in de vervolging van verdachte, omdat het gelijkheidsbeginsel is geschonden overweegt de militaire kamer het volgende.

Op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering heeft het Openbaar Ministerie de exclusieve vervolgingsbevoegdheid. Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van goede procesorde, kan er sprake zijn van verval van het recht tot strafvordering en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijk van het Openbaar Ministerie. Een van de beginselen van een goede procesorde is het gelijkheidsbeginsel. Schending van het gelijkheidsbeginsel kan aan de orde komen wanneer ten aanzien van zaken die gelijk zijn ten aanzien van de feiten, omstandigheden, haalbaarheid en de opportuniteit verschillend wordt beslist. In het algemeen zal slechts dan sprake zijn van een schending indien wordt afgeweken van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Uit de hierna te bespreken feiten blijkt dat alleen verdachte de motorboot heeft bestuurd en met die boot de manoeuvre heeft verricht die ten grondslag ligt aan het ongeval. Dit wordt ook niet door de verdediging bestreden. Daarmee is al gegeven dat tussen het handelen van verdachte en dat van de overige door de raadsman genoemde personen niet een dusdanige gelijkheid is dat het gelijkheidsbeginsel de officier belette om, daar waar hij de andere betrokkenen niet heeft vervolgd, verdachte wel te vervolgen. De omstandigheid dat mogelijk ook de bestuurder van de andere motorboot of andere betrokkenen verwijten kunnen worden gemaakt doet daar niet aan af. Ook overigens is geen sprake van afwijking van een bestendig vervolgingsbeleid. Er is dus geen rechtens ontoelaatbare ongelijke behandeling in gelijke gevallen bij de vervolgingbeslissing door het Openbaar Ministerie. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Het proces-verbaal Scheepvaart Ongevalsanalyse

Het proces-verbaal Scheepvaart Ongevalsanalyse is volgens de verdediging als bewijsmiddel volstrekt waardeloos. Daartoe is aangevoerd dat het erg algemeen van aard is en verre van volledig. Bovendien is het soort vaarweggebruiker niet juist beschreven in dit proces-verbaal.

De militaire kamer overweegt dat het enkele feit dat het proces-verbaal niet volledig is, niet betekent dat hetgeen wel in het proces-verbaal staat vermeld niet bruikbaar is als bewijs. Dat in het proces-verbaal een verkeerd type buitenboordmotor is opgenomen, doet niet af aan de juistheid van de overige onderdelen van het proces-verbaal, zoals bijvoorbeeld de omschrijving van de locatie, de aangetroffen sporen en de technische onderzoeken van de bij het ongeval betrokken vaartuigen. De militaire kamer zal derhalve dit proces-verbaal – met uitzondering van het gedeelte dat ziet op het type motor – tot het bewijs bezigen.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 15 juli 2009 bevond verdachte zich te Hoenzadriel, gemeente Maasdriel, aan boord van een snelle militaire motorboot en was lid van de bemanning van die motorboot. Tevens was hij de persoon die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van die snelle motorboot bepaalde. Hij heeft met de betreffende motorboot met hoge snelheid stroomafwaarts gevaren op de rivier de Maas, -zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen-, gaande in de richting van Hedel en gekomen nabij (kilometer) raai 214,5.

Verdachte is toen aldaar een aan de rechter oever van die rivier varende andere snelle militaire motorboot, aan bakboordzijde voorbij gelopen en direct na het passeren van die andere snelle boot naar stuurboord gegaan. Daarbij heeft hij de koerslijn van die andere snelle motorboot gekruist. Vervolgens direct of kort daarna heeft hij zijn koerslijn (weer) naar bakboord verlegd. Hij is toen (weer) in de koers van die andere snelle motorboot terechtgekomen.

Verdachte is vervolgens met die door hem bestuurde snelle motorboot dwars op de vaarrichting van de achteropkomende snelle motorboot gekomen en vervolgens door de boot aangevaren. Een opvarende (te weten het slachtoffer [naam]) is vanaf de door verdachte bestuurde snelle motorboot overboord geslagen en vervolgens door die

motorboord overvaren. Daarbij en daardoor is het slachtoffer onder andere met zijn gezicht/hoofd met de schroef van de buitenboordmotor van de door verdachte bestuurde snelle motorboot in aanraking gekomen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, met uitzondering van het onderdeel “zonder in het bezit te zijn van een geldig (klein) vaarbewijs”.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de vereiste mate van schuld ontbreekt, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is van onvoorzichtigheid, onoplettendheid, onachtzaamheid of verwaarlozing van geboden zorgvuldigheid in de vorm van goed zeemanschap. Er zou eerder sprake zijn van een kleine inschattingsfout bij het varen voorlangs de achteropkomende boot. Verdachte heeft het resultaat niet gewild. Weliswaar heeft verdachte de vaarmanoeuvre ingezet die aan de basis van het ongeval heeft gelegen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat niet alles is gedaan om een ongeval te voorkomen.

Volgens de verdediging is het stilvallen van de boot het meest cruciale onderdeel in de aanloop tot en de oorzaak van de aanvaring. Het stilvallen van de boot was een van buiten komende oorzaak die in redelijkheid niet te voorzien was, als gevolg waarvan verdachte niet meer in staat was om adequaat te handelen en een ongeval te voorkomen. Verdachte kon er op dat moment niets aan doen dat de voortgang van de boot werd verstoord. Volgens de verdediging was er wel sprake van goed zeemanschap; verdachte wist als bestuurder wat hij deed en was voor, tijdens en na het ongeval zeer alert. De ruimte tussen de boten was niet heel groot, maar ook zeker niet klein.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat verdachte wel degelijk over een geldig vaarbewijs beschikte. Verder verschillen de getuigenverklaringen volgens de verdediging nogal op cruciale factoren, waaronder alertheid, tussenafstanden, snelheden, en dergelijke. Volgens de verdediging is hier sprake van een specifieke beroepssituatie, waarbij in militair verband is opgetreden terwijl de manier van omgang met elkaar speels was. De wetgever kan volgens de verdediging niet bedoeld hebben dat in een dergelijk verband het inzetten van hinderlijke vaarbeweging bestraft zou moeten worden. Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat aanwezigheid van een korf om de buitenboordmotor aanmerkelijke bescherming zou bieden.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Vaarbewijs

De militaire kamer is van oordeel dat – zoals ook door de officier van justitie en de verdediging gesteld – het onderdeel “zonder in het bezit te zijn van een geldig (klein) vaarbewijs” niet wettig en overtuigend is bewezen.

Stilvallen van de boot

De militaire kamer verwerpt het verweer dat het stilvallen van de boot een van buiten komende oorzaak was die in redelijkheid niet was te voorzien. Daartoe overweegt de militaire kamer het navolgende. De verdachte heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij met vol gas links langs de andere boot is gevaren, deze heeft ingehaald, naar rechts heeft gestuurd, voor de andere boot is gevaren, vervolgens weer naar links is gevaren en dat tijdens deze laatste manoeuvre de schroef uit het water kwam, omdat de boeggolf het water wegtrok, waardoor de boot zijn stuwing miste. Verdachte heeft daarbij voorts verklaard dat het voor elkaar langs varen juist gebeurde om boeggolven op te wekken zodat degene die daar over vaart gaat “opwippen” . Uit deze lezing van verdachte volgt dat het stil vallen van de motor komt doordat de boeggolf, die hij welbewust met zijn stuurbewegingen had opgewekt, het water wegtrok. Er is dus geen sprake van een van buiten komende oorzaak. Juist nu de golven het doel hadden de boot die daarover vaart te doen opwippen kan het stilvallen van de motor, doordat de door verdachte bestuurde boot door zijn manoeuvres kennelijk zelf over die golven vaarde en de schroef daardoor uit het water kwam, evenmin als redelijkerwijs onvoorzienbaar worden beschouwd.

Binnenvaartpolitiereglement

Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever de toepasselijkheid van het Binnenvaartpolitiereglement in een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een militaire oefening, heeft willen uitsluiten. Evenmin kan gesteld worden dat het voornoemde reglement niet ziet op situaties waarin “de manier van omgang met elkaar speels is”. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Afstand

Verdachte is een andere snelle motorboot aan bakboordzijde voorbij gelopen en direct naar stuurboord gegaan. Daarbij heeft hij de koerslijn van die andere snelle motorboot gekruist. Volgens de verdediging was de ruimte tussen de boten op dat moment zeker niet klein. Verder is aangevoerd dat de getuigenverklaringen onder andere op dit punt verschillen. De militaire kamer verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het navolgende.

Verdachte heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij hierbij op 3 à 4 meter voor de andere boot langs is gevaren. Ook het slachtoffer heeft verklaard dat de afstand tussen de boten op dat moment heel kort was, 2 à 3 meter. Vervolgens verklaart hij dat hij denkt dat het een grotere afstand zou zijn, omdat het nooit 2 meter kan zijn. Uit zijn verklaring blijkt in ieder geval dat de afstand heel kort was. Volgens getuige [1] voer de boot 10 meter voor de andere boot langs. Getuige [2] schat dat de onderlinge afstand tussen de boten voor het incident 6 à 7 meter was. Volgens getuige [3] was een aanvaring niet meer te voorkomen omdat er nog maar een aantal meters tussen de boten zat. Getuigen [4] en [5] weten niet (meer) hoe groot de afstand tussen de boten onderling was.

Weliswaar hebben de getuigen niet exact hetzelfde aantal meters genoemd in hun verklaringen, maar het gaat om schattingen van afstanden op water waarbij de desbetreffende boten met hoge snelheid voeren en de betrokken getuigen niet veel ervaring hebben in het schatten onder die omstandigheden .Uit alle hierboven genoemde verklaringen blijkt in ieder geval dat de onderlinge afstand tussen de beide bij het ongeval betrokken boten gering was, zelfs zo gering dat daardoor een aanvaring niet meer te voorkomen was. Dit maakt dat niet kan worden gezegd dat verdachte voor het voorlangs kruisen van de ander boot zich ervan heeft vergewist dat dit zonder gevaar kon geschieden. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachte de koerslijn van de andere snelle motorboot op zeer korte afstand ten opzichte van die andere snelle motorboot heeft gekruist en dat hij daarmee in strijd met het gestelde in artikel 6.09 lid 1 van het Binnenvaartpolitiereglement heeft gehandeld.

Vervolgens direct of kort daarna heeft verdachte zijn koerslijn (weer) naar bakboord verlegd. Hij is toen (weer) in de koers van die andere snelle motorboot terechtgekomen. Daarop is de aanvaring gevolgd. Blijkens het proces-verbaal Scheepvaart Ongevalsanalyse kon de achteropvarende motorboot de onverwachte en abrupte wending niet ontwijken en de aanvaring niet meer voorkomen. Volgens verdachte kon de andere snelle motorboot niet meer stoppen. Getuige [3] heeft verklaard dat doordat er nog maar een aantal meters tussen de boten zat, een aanvaring niet meer te voorkomen was.

Gelet op het vorenoverwogene is de militaire kamer van oordeel dat verdachte niet (door tijdige koerswijziging of door snelheidsverandering) aan de andere snelle motorboot de ruimte heeft gelaten, die die andere snelle motorboot nodig had om zijn koers te volgen en te manoeuvreren. Daarmee heeft verdachte gehandeld in strijd met het gestelde in artikel 6.03 lid 4 van voormeld reglement.

Goede zeemanschap

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte wist als bestuurder wat hij deed en voor, tijdens en na het ongeval zeer alert was en dat aldus wel sprake was van goed zeemanschap. De militaire kamer verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende. Goed zeemanschap wordt vaak uitgelegd als varen met gebruik van het gezonde verstand, dat wil zeggen met kundigheid en vaardigheid, alsmede met overleg handelen en vooruitzien. Enkel weten wat je doet en alert zijn is daarvoor onvoldoende. Verdachte heeft door te varen op de wijze zoals hierboven omschreven voorzienbare risico’s genomen. Door aldus te handelen heeft hij niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap en door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en schade werd veroorzaakt aan een ander schip en de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht. Derhalve heeft verdachte, ook in het geval dat uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, gehandeld in strijd met het gestelde in artikel 1.04 van het Binnenvaartpolitiereglement.

Schuld

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vereiste mate van schuld ontbreekt. Dit verweer wordt door de militaire kamer verworpen. De militaire kamer is van oordeel dat geen sprake is van een kleine inschattingsfout. Verdachte heeft met hoge snelheid en op zeer korte afstand van een achteropkomende snelle motorboot twee manoeuvres verricht, met als enkel doel boeggolven te veroorzaken om de andere boot te laten opwippen. Getuige [6] en slachtoffer hebben verklaard dat de laatste wending naar bakboord een abrupte en scherpe wending was. Dit is tevens te zien op verschillende door betrokkenen gemaakte tekeningen. Door met dusdanige snelheid op zo’n korte afstand van een achteropkomende snelle motorboot een zo scherpe bocht te maken dat de schroef van de boot uit het water komt, heeft verdachte naar het oordeel van de militaire kamer aanmerke¬lijk onvoorzichtig gehandeld. Dat er in dit geval sprake van een specifieke beroepssituatie, waarbij in militair verband is opgetreden terwijl de manier van omgang met elkaar speels was, doet hier niet aan af.

Zwaar lichamelijk letsel

Het slachtoffer heeft bij het incident – ondermeer – het volgende letsel opgelopen: fracturen aan schedel, kaak- en jukbeen en een lichte hersenschudding). Het slachtoffer is onder behandeling bij een plastisch chirurg en een kaakchirurg. Thans zijn de botbreuken genezen, maar het slachtoffer heeft wel nog vergroeiingen aan zijn jukbeen aan de rechterkant, het litteken aan de rechterkant van zijn gezicht is nog zichtbaar. Bovendien heeft hij nog geen gevoel in zijn gezicht aan de rechterkant en blijft het gezicht aan de rechterkant hangen wanneer hij emoties toont. Dit levert naar het oordeel van de militaire kamer zwaar lichamelijk letsel op als bedoeld in artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht..

Causaal verband

Naar het oordeel van de militaire kamer is er sprake van causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het door het slachtoffer opgelopen letsel zodat het opgelopen letsel aan verdachte toe te rekenen valt. De situatie waardoor de snelle motorboot van verdachte is stilgevallen en daardoor werd aangevaren door een achteropkomende andere snelle motorboot, was door de verdachte in het leven geroepen en was voor hem redelijkerwijs voorzienbaar . Het verweer van de verdediging dat aanwezigheid van een korf om de buitenboordmotor aanmerkelijke bescherming zou bieden, doet niet af aan de verwijtbaarheid van verdachte.

Bewezenverklaring

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Primair:

hij op 15 juli 2009 te Hoenzadriel, gemeente Maasdriel, aanmerkelijk onvoorzichtig

als lid van de bemanning en als een persoon die zich aan boord van een

snelle motorboot bevindt en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid

van die snelle motorboot bepaalde, daarmee, met hoge, snelheid

stroomafwaarts heeft gevaren op de rivier de Maas, -zijnde een openbaar voor

de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen-, gaande in de richting

van Hedel en gekomen nabij (kilometer) raai 214,5,

terwijl ook in het geval dat uitdrukkelijke voorschriften in het

Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, in strijd met het gestelde in artikel

1.04 van het Binnenvaartpolitiereglement, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft

genomen die volgens goede zeemanschap en door omstandigheden waarin dat

schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en de

goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het

leven van personen in gevaar werd gebracht en schade werd veroorzaakt aan

een ander schip en de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar

werd gebracht, immers

toen aldaar in strijd met het gestelde in artikel 6.09 lid 1 van voormeld

reglement een aan de rechter oever van die rivier varende andere snelle

motorboot, aan bakboordzijde voorbij is gelopen en direct naar stuurboord

is gegaan/gevaren en daarbij op een (zeer) korte afstand ten opzichte van die andere

snelle motorboot, de koerslijn van die andere snelle motorboot heeft gekruist en

vervolgens direct of kort daarna zijn, verdachtes koerslijn (weer) naar

bakboord heeft verlegd en (weer) in de koers van die andere snelle

motorboot is terechtgekomen, waarbij hij, verdachte in strijd met het gestelde

in artikel 6.03 lid 4 van voormeld reglement, niet (door tijdige

koerswijziging of door snelheidsverandering) aan dat andere schip de ruimte

heeft gelaten, die die andere snelle motorboot nodig had om zijn koers te

volgen en te manoeuvreren en

met die door hem, verdachte bestuurde snelle motorboot in aanvaring gekomen

met die andere snelle motorboot, door welke gedraging(en)

van hem, verdachte een opvarende (te weten het slachtoffer [naam]),

vanaf die door hem, verdachte bestuurde snelle motorboot, overboord is

geslagen en vervolgens door de door hem, verdachte bestuurde snelle motorboot

is overvaren en waarbij en waardoor die overboord geslagen persoon, onder andere met het gezicht/hoofd met de

schroef van de buitenboordmotor van die door, hem, verdachte bestuurde snelle

motorboot in aanraking is gekomen, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld

te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft

bekomen

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

Door de verdediging is – in het geval de militaire kamer tot een bewezenverklaring zou komen – ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat er sprake is van een situatie waarin verdachte een aanvaring niet kon afwenden en er sprake is van een overmachtssituatie. De militaire kamer interpreteert dit verweer zo dat een beroep is gedaan op afwezigheid van alle schuld. Dit verweer wordt verworpen. De militaire kamer verwijst daarbij naar het overwogene onder 3 waarbij bewezen is verklaard dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Derhalve is sprake van schuld, zodat een beroep op afwezigheid van alle schuld niet kan slagen.

6. De motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 18 maart 2010.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter zake van het tenlastegelegde gerekwireerd tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. De officier van justitie is tot deze eis gekomen, vanwege het onverantwoorde gedrag van verdachte en het ernstige en blijvende letsel dat daarvan het gevolg is. In het voordeel van verdachte heeft hij bij zijn eis meegewogen de blanco documentatie van verdachte, dat verdachte het slachtoffer regelmatig heeft bezocht en de vriendschapsrelatie die hij heeft met het slachtoffer. Voorts heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat aan verdachte destijds een transactie is aangeboden, te weten een werkstraf voor de duur van 100 uren.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is matiging van de straf bepleit wegens de omstandigheden en het voorbeeldige gedrag van verdachte in het algemeen en zijn rol direct na het ongeval en de persoonlijke band met het slachtoffer voor en tijdens de herstelperiode na het ongeval in het bijzonder.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Het is aan verdachtes schuld te wijten dat het slachtoffer ernstig letsel heeft bekomen. Verdachte was tijdens een militaire oefening bestuurder van een boot. Tijdens die oefening voeren de militaire snelle motorboten aanvankelijk evenwijdig aan elkaar. Op enig moment wilde verdachte boeggolven maken voor een andere boot. Hij is daartoe met hoge snelheid met de door hem bestuurde boot voor die andere boot langs gekruist. Bij de laatste bocht naar links heeft verdachte op korte afstand van de andere boot scherp naar links gestuurd. Door die manoeuvre is de schroef van de door hem bestuurde boot uit het water gekomen en kwam deze boot dwars op de vaarrichting van de andere boot stil te liggen. De achteropkomende boot kon de door verdachte bestuurde boot niet meer ontwijken en botste aan bakboordzijde op deze boot. Daarbij is een passagier, het latere slachtoffer, van de door verdachte bestuurde boot overboord geslagen en vervolgens aan zijn hoofd en in zijn gezicht geraakt door de schroef van de buitenboordmotor van de door verdachte bestuurde boot en daardoor zwaar gewond geraakt. Verdachte dook direct “conform procedure man overboord” achter de drenkeling aan en haalde hem met hulp van een ander uit het water.

De militaire kamer rekent het verdachte zwaar aan dat hij voorafgaande aan het ongeval onvoorzichtig heeft gehandeld. Het is een ernstig feit met ernstige gevolgen. Verdachte ontkent niet dat het een en ander is voorgevallen, maar legt de schuld buiten zichzelf.

In het voordeel van verdachte houdt de militaire kamer er rekening mee dat het voorval plaatsvond in een setting waarbij de militairen op kameraadschappelijke wijze met elkaar omgingen en over en weer mensen werden nat gespat. De militaire kamer heeft voorts acht geslagen op een uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Verdachte heeft het slachtoffer na het voorval regelmatig opgezocht en is naar zijn zeggen goed bevriend met het slachtoffer.

Alles overwegend, acht de militaire kamer de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De militaire kamer komt tot de oplegging van een werkstraf van na te melden duur.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende honderd (100) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op vijftig (50) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. A.T.M. Vrijhoeven (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en kolonel mr. B.F.M. Klappe (militair lid),

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze militaire kamer op 26 april 2010.