Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM2219

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09/2179
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 3:2, 3:9 en 7:12 van de Awb

Afwijzing van aanvraag ter verkrijging van invoervergunning voor exemplaren van de Groene boompython. Twijfel aan de opgegeven fokstatus. Verweerder baseert zich op advies van CITES-commissie.

In het advies van de CITES-commissie is onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de Commissie tot een negatief advies komt. Ook de aanvullende e-mail van de CITES-commissie is onvoldoende. De rechtbank begrijpt dat de CITES-commisie zich met name baseert op een vertrouwelijk rapport van TRAFFIC. Dat een rapport waarop de Commissie zich baseert vertrouwelijk zou zijn, neemt niet weg dat in het advies van de Commissie in voldoende mate inzichtelijk dient te worden gemaakt hoe zij tot haar advies is gekomen.

Onvoldoende is onderbouwd waarop de twijfel aan de opgegeven fokstatus is gebaseerd. De rechtbank ziet geen grond de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, op grond van de door verweerder ter zitting nader ingebrachte motivering, in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/2179

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 23 maart 2010.

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 23 april 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser ter verkrijging van een invoervergunning voor 50 exemplaren van de soort Morelia viridis (Groene boomphyton) afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 16 januari 2009 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 18 januari 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.E. Staal en mr. K.A. van Dartel.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt verweerders standpunt ten grondslag dat eiser niet in aanmerking komt voor een invoervergunning gelet op het door de CITES-commissie (CITES: Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora) gegeven advies van 8 januari 2009, nummer CC09/018, waarin is vermeld dat de commissie onvoldoende gegevens van de fokker Penta Exomania heeft, die de opgegeven fokstatus ondersteunen.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft aangevoerd dat er voldoende duidelijkheid bestaat over de fokstatus van de exemplaren waarvoor de invoervergunning is gevraagd. Eiser wijst er in dit verband op dat de Indonesische overheid bij wet heeft bepaald dat in het wild levende groene boompythons niet gevangen en verhandeld mogen worden. Penta-Exomania is één van de zes kweekfarms waaraan door de Indonesische overheid vergunning is verleend om de soort in kwestie in gevangenschap te fokken en te exporteren.

Voorts heeft eiser erop gewezen dat de Indonesische regering een export Cites-document heeft afgegeven met daarin een verwijzing naar de status van de betreffende exemplaren, te weten Source C. Dit betekent dat de regering verklaart dat het om in gevangenschap gefokte dieren gaat. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat in het besluit op bezwaar niet is gereageerd op het verzoek om inzage in de resultaten van het onderzoek van de Scientific Review Group (hierna: SRG) en van ´the wildlife trade monitoring network´ (hierna: TRAFFIC).

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van Verordening 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het betreffende handelsverkeer (hierna: de Basisverordening), mogen specimens van de in bijlage B bij de verordening genoemde soorten slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming.

De invoervergunning mag enkel worden afgegeven met inachtneming van de in lid 6 opgelegde beperkingen en – voor zover hier van belang – wanneer de bevoegde wetenschappelijke autoriteit, na onderzoek van de beschikbare gegevens en uitgaande van het advies van de wetenschappelijke studiegroep, oordeelt dat het binnenbrengen in de Gemeenschap, rekening houdend met het huidige of te verwachten niveau van de handel, geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a, van de Flora- en faunawet is het verboden planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet geldt, indien is voldaan aan artikel 4, eerste onderscheidenlijk tweede, derde of vierde lid, van de Basisverordening, een vrijstelling van het verbod op het binnen het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in artikel 13 eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de Basisverordening, die vanuit een derde land op het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht of bestemd zijn voor Nederland.

In artikel 54, aanhef en eerste lid onder a en b, van Verordening 865/2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Vo 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de Uitvoeringsverordening) is, voor zover hier van belang, bepaald dat een specimen van een diersoort uitsluitend wordt beschouwd als zijnde in gevangenschap geboren en gefokt indien ten genoegen van een bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit van de betrokken lidstaat, is aangetoond dat het een nakomeling of een afgeleid product van een nakomeling betreft die in een gecontroleerd milieu is geboren of is geteeld als gevolg van de paring of een andere vorm van gametenoverdracht tussen ouderdieren in een gecontroleerd milieu, in het geval van geslachtelijke voortplanting, dan wel uit ouderdieren die zich bij het begin van de ontwikkeling van de nakomeling in een gecontroleerd milieu bevonden, in het geval van ongeslachtelijke voortplanting.

In artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Op grond van artikel 3:2 van de Awb dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een

besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. In het geval dat een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, moet het bestuursorgaan zich op grond van artikel 3:9 van de Awb ervan vergewissen dat dit onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In dat verband dient het advies zowel qua wijze van totstandkoming als qua inhoud te voldoen aan dezelfde eisen van zorgvuldigheid die gelden bij de voorbereiding van het besluit zelf. Daarnaast dient het advies inzichtelijk en logisch te zijn. Daarmee wordt bedoeld dat duidelijk moet zijn of de bevindingen van de adviseur op eigen onderzoek zijn gebaseerd en dat moet worden vermeld of andere deskundigen zijn ingeschakeld en zo ja, welke invloed hun standpunten op het advies hebben gehad. Voorts zullen, om recht te doen aan de eis van inzichtelijkheid van het advies, de onderliggende stukken moeten worden bijgevoegd. In het algemeen geldt nog dat het advies aan strengere eisen moet voldoen naarmate de invloed van het advies op het te nemen besluit groter is. Tot slot zal verweerder zich, alvorens tot besluitvorming over te gaan, ervan moeten vergewissen dat het advies aan de hierboven vermelde eisen voldoet.

De rechtbank stelt vast dat de SRG de wetenschappelijke studiegroep betreft als bedoeld in artikel 17 van de Basisverordening. De CITES-commissie is de door Nederland aangewezen wetenschappelijke autoriteit als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Basisverordening. TRAFFIC is een internationale organisatie, die onder andere toezicht houdt op de handel in ‘wildlife’ en die zich inzet om te zorgen dat de handel in wilde dieren en planten geen bedreiging vormt voor het behoud van de natuur. In dit verband is één van haar taken het voorzien van informatie aan en het verlenen van assistentie bij besluitvormingsprocessen bij CITES.

Procesbelang

Ter zitting is gebleken dat de inleidende aanvraag reeds niet meer kan worden ingewilligd omdat, gelet op de expiratie van de uitvoervergunning van de Indonesische overheid, aan het vereiste van de aanwezigheid van een geldige uitvoervergunning niet meer wordt voldaan. Nu de in de onderhavige zaak voorliggende vraag zich ook bij toekomstige aanvragen van eiser om een invoervergunning voor Morelia viridis zal voordoen, is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft behouden bij een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep.

Feiten en omstandigheden

Verweerder heeft zich in zijn besluitvorming gebaseerd op het advies van de Cites-commissie van 8 januari 2009. In dit advies is het volgende opgenomen:

“In oktober 2008 heeft een delegatie van de SRG een aantal reptielenfokkers in Indonesië bezocht. Tevens hebben vertegenwoordigers van TRAFFIC een onafhankelijk bezoek gebracht aan een aantal Indonesische reptielenfokkers. De resultaten van beide bezoeken zijn besproken in de SRG op 2 december 2008 en zijn reden voor de commissie om de fokstatus van Morelia viridis bij fokker Penta Exomania opnieuw te beoordelen.

De CITES-Commissie beschikt momenteel over onvoldoende gegevens van de fokker Penta Exomania die de opgegeven fokstatus ondersteunen. Voorlopig geeft de commissie daarom een negatief advies. Zodra voldoende informatie is verzameld en beoordeeld zal de commissie haar advies heroverwegen.”

Bij faxbericht van 8 januari 2010 is van de zijde van verweerder een e-mail van verweerder van 20 maart 2009 overgelegd waarin aan de CITES-commissie de bezwaren uit het bezwaarschrift worden voorgelegd. Voorts is bij dit faxbericht de reactie die de CITES-commissie daarop heeft gegeven bij schrijven van 8 april 2009, overgelegd. In dit schrijven is het volgende opgenomen:

“De SRG-delegatie heeft tijdens haar missie in Indonesië geen bezoek gebracht aan de fokfaciliteit Penta Exomania. De SRG-delegatie geeft in haar rapport aan geen mening te kunnen vormen over de reptielenfokkers die niet bezocht zijn. Vertegenwoordigers van TRAFFIC hebben wel een bezoek gebracht aan Penta Exomania, samen met een delegatie van het Indonesische Ministry of Forestry. De constateringen van TRAFFIC staan in het vertrouwelijke rapport ‘Wildlife trade from Asean to the EU - Issues with the trade in captive-bred reptiles from Indonesia. TRAFFIC constateerde dat bij Penta Exomania geen fok met reptielen plaatsvond op commerciële schaal en dat de meeste dieren waarschijnlijk uit het wild afkomstig zijn.”

Voorts is in het schrijven van 8 april 2009 op de vraag hoe er bij het fokken van reptielen in gevangenschap een nadelig effect zou kunnen zijn op de in het wild levende populatie het volgende geantwoord:

“Er kan een nadelig effect zijn indien de dieren niet gefokt zijn, maar uit het wild afkomstig. De CITES-Commissie betwijfelt of de fokstatus C van de 50 in te voeren Morelia viridis, groene boompythons, voldoet aan de eisen gesteld in Resolutie 10.16 en heeft informatie opgevraagd bij de Indonesische Wetenschappelijke Autoriteit. Er zijn nog geen gegevens ontvangen. Zodra voldoende informatie ontvangen is, zal de commissie haar negatieve advies heroverwegen.”

Beoordeling van het geschil.

De rechtbank is van oordeel dat in het advies van de CITES-commissie van 8 januari 2009 onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de Commissie tot een negatief advies komt. In dit advies is vermeld dat er in oktober 2008 onafhankelijke bezoeken zijn gebracht aan reptielenfokkers in Indonesië en dat de resultaten van het bezoek in december 2008 zijn besproken in de SRG. In het advies is niet kenbaar gemaakt wat de resultaten van de bezoeken waren en waarom deze resultaten reden waren voor de commissie om de fokstatus van Morelia viridis bij fokker Penta Exomania opnieuw te beoordelen.

Ook de aanvullende e-mail van 8 april 2009 van de CITES-commissie acht de rechtbank onvoldoende. Uit de e-mail begrijpt de rechtbank dat de CITES-commisie zich met name baseert op een vertrouwelijk rapport van TRAFFIC. Dat een rapport waarop de Commissie zich baseert vertrouwelijk zou zijn, neemt niet weg dat in het advies van de Commissie in voldoende mate inzichtelijk dient te worden gemaakt hoe zij tot haar advies is gekomen.

Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarop de twijfel aan de opgegeven fokstatus van de 50 exemplaren van de groene boompythons is gebaseerd. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12, eerste lid van de Awb. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder aangegeven dat ze vlak voor de zitting telefonisch contact hebben gehad met de CITES-commissie. Tijdens dat telefoongesprek heeft de vertegenwoordiger van de CITES-commissie nadere informatie verschaft, die het negatieve advies van de CITES-commissie zou ondersteunen. Verweerders gemachtigden hebben ook naar voren gebracht waar die nadere informatie onder meer uit bestond.

Voorop staat dat deze nadere informatie slechts telefonisch is ontvangen, zodat de precieze inhoud daarvan onduidelijk is gebleven. Eveneens is onvoldoende duidelijk geworden of deze informatie betrekking heeft op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval. Evenmin is duidelijk geworden of deze informatie afkomstig is van de CITES-commissie zelf dan wel van (een) andere deskundige instantie(s), zoals TRAFFIC. Voorts is onvoldoende naar voren gekomen of verweerder zich ervan heeft vergewist of deze nadere informatie voldoet aan de eisen, die voortvloeien uit het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb. De rechtbank ziet dan ook geen grond de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, op grond van de door verweerder nader ingebrachte motivering, in stand te laten. Verweerder zal derhalve, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op in totaal € 62,30 aan reiskosten (€ 17,90) en verletkosten (€ 44,40). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 62,30;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mrs. D.J. Post en I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Schanze-de Vries, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 23 maart 2010.