Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM2191

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09/3267
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door eigen toedoen niet behouden van werk.

In het bestreden besluit is de opgelegde maatregel gebaseerd op artikel 17 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Ede. Artikel 17 van de Maatregelenverordening strookt evenwel niet met artikel 18, tweede lid, van de Wwb en is derhalve onverbindend, nu in dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid een maatregel op te leggen, terwijl artikel 18, tweede lid, van de Wwb een verplichting behelst. Hieruit volgt dat verweerder artikel 17 van de Maatregelenverordening niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen.

Beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Op het moment dat eiser door eigen toedoen zijn werk niet heeft behouden, had hij nog geen bijstandsuitkering, noch is gebleken dat hij zich voor dat moment reeds had gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Nu de verplichting, genoemd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb, eerst van toepassing is vanaf de dag van melding, kan het door eiser betoonde tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb, niet als niet nakoming van de verplichting in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, van de Wwb worden beschouwd. Daardoor kan de gedraging van eiser evenmin in een in artikel 7 van de Maatregelenverordening genoemde categorie worden ingedeeld. Dit brengt mee dat de hoogte en de duur van de maatregel niet aan de hand van artikel 8 van de Maatregelenverordening kunnen worden vastgesteld. Ook overigens ontbreekt in de Maatregelenverordening de grondslag voor het verlagen van de bijstand, zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb. Herroeping van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/3267

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 11 maart 2010.

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. G.J. de Kaste,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 30 juni 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2009 heeft verweerder met ingang van 1 januari 2009 een maatregel ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) opgelegd, inhoudende de verlaging van de uitkering van eiser gedurende één maand met 100%.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Voorts heeft eiser een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 4 maart 2009 (registratienummer AWB 09/643) heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar – onder wijziging van de grondslag – ongegrond verklaard en het besluit van 29 januari 2009 gehandhaafd, met dien verstande dat de maatregel niet opnieuw ten uitvoer wordt gelegd.

Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 8 december 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Klok.

Bij beslissing van 22 december 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de rechtbank. Bij brieven van 25 januari 2010 hebben verweerder respectievelijk eiser toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt. De rechtbank heeft het onderzoek op 28 januari 2010 gesloten.

3. Overwegingen

Procesbelang

Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft bij het voorliggende beroep omdat de maatregel niet ten uitvoer is gelegd. Eiser heeft gesteld wel procesbelang te hebben.

Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Maatregelenverordening wordt – voor zover van belang – de duur van de maatregel verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. Dit artikel brengt met zich dat ondanks de omstandigheid dat de maatregel niet wordt geëffectueerd, belang bestaat bij beoordeling van de opgelegde maatregel. Bij het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de nieuw opgelegde maatregel, kan de rechtmatigheid van de eerder opgelegde maatregel immers niet (meer) ter discussie worden gesteld, hetgeen ter zitting ook door de gemachtigde van verweerder is erkend. Gelet op het vorenstaande kan eiser in zijn beroep worden ontvangen.

Het bestreden besluit

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser ontving sinds 4 november 2008 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Met ingang van 18 november 2008 is eiser in het kader van een dienstverband bij uitzendbureau [uitzendbureau] (hierna: [uitzendbureau]) werkzaamheden gaan verrichten bij [inlener] te [plaats] (hierna: [inlener]) voor 40 uur per week. Op 3 december 2008 is eiser niet op zijn werk bij [inlener] verschenen. Eiser was die dag ziek geworden en had daarvan zijn ploegbaas bij [inlener] in kennis gesteld. De inlening van eiser is vervolgens beëindigd en eiser heeft een bijstandsuitkering aangevraagd.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit – overeenkomstig het advies van de commissie voor de Bezwaarschriften – het standpunt ten grondslag gelegd dat de inlening is geëindigd doordat eiser zonder bericht niet op het werk is verschenen en doordat er eerdere (communicatie)problemen waren tussen eiser en [inlener] en dat eiser daarmee door eigen toedoen werk niet heeft behouden. Eisers bijstandsuitkering is dan ook terecht overeenkomstig het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 17 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Ede (hierna: Maatregelenverordening) met ingang van 1 januari 2009 voor de duur van één maand met 100% verlaagd, aldus verweerder. De uitkering is op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2009 alsnog aan eiser uitbetaald. Gelet op het feit dat eiser er inmiddels in is geslaagd werk te vinden en te behouden heeft verweerder besloten hernieuwde tenuitvoerlegging achterwege te laten.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft in dat verband – kort gezegd – aangevoerd dat geen sprake is van een tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan. Volgens eiser was er ten aanzien van zijn ziekmelding sprake van miscommunicatie. Voorts betwist eiser dat de opdrachtgever niet verder wilde met hem. Verder kan eiser zich niet vinden in de grondslag van het bestreden besluit; de bepaling in artikel 17 van de Maatregelenverordening is volgens hem te vaag en voor teveel uitleg vatbaar. Eiser verzoekt om vergoeding van de door hem geleden schade.

De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

In artikel 18, tweede lid, van de WWB is bepaald – voor zover van belang – dat, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elk vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel 18 tweede lid, van die wet. De raad van de gemeente Ede heeft invulling gegeven aan de in dit artikel genoemde verplichting door vaststelling van de Maatregelenverordening.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is – voor zover van belang – bepaald dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Maatregelenverordening – voor zover van belang – wordt, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, overeenkomstig de verordening een maatregel opgelegd.

In artikel 7, aanhef, van de Maatregelenverordening is bepaald dat gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in drie categorieën.

Ingevolge artikel 7, derde lid, onder b, van de Maatregelenverordening behoort het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid tot de derde categorie.

In artikel 8, eerste lid, onder c, van de Maatregelenverordening wordt, onverminderd artikel 2, tweede en derde lid, van de verordening, de maatregel vastgesteld op honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.

In artikel 17 van de Maatregelenverordening is bepaald dat als de belanghebbende tekortschietend besef betoont voor de voorziening in het bestaan op een andere wijze dan in de voorgaande artikelen omschreven, of indien de belanghebbende verplichtingen voortvloeiend uit de wet, andere dan in de voorgaande artikelen omschreven niet of onvoldoende nakomt, het college aan belanghebbende een maatregel kan opleggen. Bij die beslissing wordt zo mogelijk aansluiting gezocht bij de in deze verordening omschreven gedragingen.

Ten aanzien van de gedragingen

Niet in geschil is dat de inlening van eiser is beëindigd. In geschil is de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er bij eiser sprake is van verwijtbare gedragingen die ertoe hebben geleid dat eiser door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken is gebleken dat verweerder informatie heeft ingewonnen bij zowel eisers werkgever, [uitzendbureau], als de inlener [inlener]. Daaruit is naar voren gekomen dat eisers laatste werkdag bij [inlener] 2 december 2008 is geweest. Eiser is ziek geworden maar heeft zich niet ziek gemeld bij zijn werkgever [uitzendbureau] en is zonder bericht niet verschenen op het werk. Voorts zijn er meerdere communicatieproblemen geweest waardoor [inlener] niet verder wilde met eiser. Deze zijn er in gelegen dat eiser al een keer eerder zonder bericht niet op het werk is verschenen. Voorts functioneerde eiser niet goed bij [inlener]. Volgens [inlener] presenteerde eiser zich in eerste instantie goed, maar deed hij op de werkvloer absoluut niet wat er van hem verwacht werd.

Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij zich enkel bij zijn ploegbaas heeft ziek gemeld en niet (tijdig) bij zijn werkgever [uitzendbureau] en [inlener]. Daarmee is de onjuiste wijze van ziekmelden gegeven. Voorts heeft eiser het bestaan van communicatieproblemen met [inlener] als ook het niet goed functioneren door hem betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn betoog evenwel niet aannemelijk gemaakt met behulp van bewijsstukken, zodat eiser er niet in is geslaagd de gegevens die verweerder heeft verkregen bij [uitzendbureau] en bij [inlener] te ontkrachten.

Door zich niet (tijdig) ziek te melden bij de daartoe aangewezen instanties en niet op het werk te verschijnen, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank door eigen toedoen de algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden en daarmee een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB betoond. Gesteld noch gebleken is dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat verweerder op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen.

Ten aanzien van de maatregel

Verweerder heeft in het bestreden besluit het opleggen van een maatregel gebaseerd op artikel 17 van de Maatregelenverordening, waarin is neergelegd dat onder bepaalde voorwaarden het college een maatregel kan opleggen. In de Maatregelenverordening wordt mitsdien uitgegaan van een bevoegdheid. De rechtbank stelt evenwel vast dat artikel 18, tweede lid, van de WWB een verplichting inhoudt tot het verlagen van de bijstandsuitkering. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat artikel 17 van de Maatregelenverordening niet strookt met artikel 18, tweede lid, van de WWB en derhalve onverbindend is. Hieruit volgt dat verweerder artikel 17 van de Maatregelenverordening niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank zal om die reden het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank overweegt dat in artikel 8 van de Maatregelenverordening de vaststelling van de hoogte en duur van de maatregel is geregeld. Deze vaststelling vindt plaats aan de hand van de categorie, waarin de maatregelwaardige gedraging in kwestie, is ingedeeld. De indeling in categorieën is geregeld in artikel 7 van de Maatregelenverordening. Artikel 7 van de Maatregelenverordening ziet echter – gelet op de letterlijke tekst van dit artikel – enkel op gedragingen, waardoor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB niet of onvoldoende is nagekomen. De verplichting, genoemd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, is eerst van toepassing vanaf de dag van melding. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting had eiser, op het moment dat hij door eigen toedoen zijn werk bij [uitzendbureau] en [inlener] niet heeft behouden, nog geen bijstandsuitkering, noch is gebleken dat hij zich voor dat moment reeds had gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Het door eiser betoonde tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet als niet nakoming van de verplichting in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, van de WWB worden beschouwd. Daardoor kan de gedraging van eiser evenmin in een in artikel 7 van de Maatregelenverordening genoemde categorie worden ingedeeld. Dit brengt mee dat de hoogte en de duur van de maatregel niet aan de hand van artikel 8 van de Maatregelenverordening kunnen worden vastgesteld.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat ook overigens in de Maatregelenverordening de grondslag ontbreekt voor het verlagen van de bijstand, zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank overgaan tot het herroepen van het besluit van 29 januari 2009.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 322 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding eisers verzoek om schadevergoeding te honoreren nu eiser dit verzoek op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 29 januari 2009;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mrs. E. Klein Egelink en G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 11 maart 2010.