Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM2181

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
178666 / HA ZA 08-2136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht notaris en accountant.

Eisers in conventie gronden aansprakelijkheid van Hekkelman op de stelling dat op de notaris, destijds als vennoot verbonden aan Hekkelman, primair een resultaatsverbintenis en subsidiair een inspanningsverbintenis rustte om overeenkomstig hun verzoek daartoe te bewerkstelligen dat de panden aan de kinderen van eisers werden overgedragen zonder dat dit tot discussie met de belastingdienst aanleiding zou kunnen geven over de waarde van de overgedragen panden. Meer subsidiair houden eisers Hekkelman aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad.

Ook aan de vorderingen tegen VWGNijhof leggen eisers in conventie ten grondslag primair een resultaatsverbintenis en subsidiair een inspanningsverbintenis. Meer subsidiair achten eisers VWGNijhof aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 178666 / HA ZA 08-2136

Vonnis van 21 april 2010

in de zaak van

1. [eis.1conv./ged.1reconv.],

wonende te [woonplaats],

2. [eis.2conv./ged.2reconv.],

wonende te [woonplaats],

3. [ged.3conv./eis.3reconv.],

wonende te Nijmegen,

4. [eis.4conv./ged.4reconv.],

wonende te [woonplaats],

5. [ged.5conv./eis.5reconv.],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A.A.H.M. van der Wijst te Boxtel,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VWGNIJHOF REGISTERACCOUNTANTS BV,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

HEKKELMAN NOTARISSEN NV,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. P.M. Wilmink te Arnhem.

Eisers zullen hierna gezamenlijk als [eis.conv./gedn.reconv.] worden aangeduid en gedaagden als VWGNijhof respectievelijk Hekkelman. Eiser sub 1 zal hierna ook afzonderlijk ‘[eis.1conv./ged.1reconv.]’ worden genoemd, eiseres sub 2 ‘zijn echtgenote’ en eisers sub 3 tot en met 5 ‘[kinderen XX]’.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in de incidenten van 10 juni 2009 en de gecorrigeerde versie daarvan van 4 augustus 2009;

- het tussenvonnis van 30 december 2009;

- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie met producties van [eis.conv./gedn.reconv.];

- de bij brief van 23 februari 2010 door [eis.conv./gedn.reconv.] in verband met de comparitie van partijen toegezonden producties;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 8 maart 2010.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [eis.1conv./ged.1reconv.] is in gemeenschap van goederen gehuwd met eiseres sub 2. Eisers sub 3 tot en met 5 zijn hun kinderen. [eis.1conv./ged.1reconv.] is via de [naam stichting] houder van alle aandelen in [naam BV] [naam BV] houdt op haar beurt aandelen in [naam BV]. (100%), [naam BV] (100%), [naam BV]. (50%) en [naam BV]. (50%). [naam BV] exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met de aankoop en recycling van complexe metaalrestanten. Blijkens een specificatienota gemeentelijke belastingen van 28 februari 2000 was [eis.1conv./ged.1reconv.] in het belastingjaar 2000 (direct of indirect) eigenaar van een aantal (bedrijfs) panden in Nijmegen.

2.2 VWGNijhof exploiteert een accountantskantoor in Nijmegen. In de periode 1999/2000 was aan dit kantoor (toen nog genaamd VWG Groep Accountants en Belastingadviseurs B.V.) verbonden [betrokkene1] AA (hierna: [betrokkene1]). H. [notaris] was toentertijd als notaris (hierna: de notaris) verbonden aan de maatschap Hekkelman Terheggen en Rieter te Nijmegen.

2.3 In het kader van vermogensplanning heeft VWGNijhof (onder meer [betrokkene1]) [eis.1conv./ged.1reconv.] geadviseerd een aantal van zijn panden in eigendom over te dragen aan zijn kinderen. Het betrof de panden [adres], [adres] alsmede [adres], [adres] en [adres], alle te Nijmegen (hierna: de panden). Op advies van VWGNijhof is gekozen voor een minnelijke taxatie van de panden. Dat hield in dat een makelaar/taxateur van [eis.1conv./ged.1reconv.] en een taxateur van de belastingdienst in overleg een bindende, reële, waarde van de panden zouden vaststellen. Vervolgens is de notaris gevraagd om de overdracht van de panden aan [kinderen XX] voor te bereiden en te effectueren. Nadat de notaris bij brief van 2 december 1999 een ‘ontwerp-brief aan fiscus in tweevoud’ en een ‘ontwerp-overeenkomst in tweevoud’ aan De leeuw heeft toegezonden heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] beide schriftelijke stukken ingevuld en op 9 december 1999 met de notaris besproken. In de ‘ontwerp-brief aan fiscus in tweevoud’ heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] met betrekking tot het pand [adres] te Nijmegen ter plaatse van de vraag over de huurprijs (vraag 7) ingevuld : ‘leegstand’. Een kopie brief aan de fiscus en de minnelijke waarderingsovereenkomst in tweevoud zijn bij brief van 10 december 1999 van de notaris ter tekening aan [eis.1conv./ged.1reconv.] gezonden. Nadat de notaris de door [eis.1conv./ged.1reconv.] op 12 december 1999 gedateerde stukken retour heeft ontvangen, heeft hij deze op 13 december 1999 aan de belastingdienst doorgestuurd. De minnelijke waarderingsovereenkomst is door [eis.1conv./ged.1reconv.], zijn echtgenote en [kinderen XX] getekend. De Inspecteur der Registratie en Successie heeft deze overeenkomst getekend en gedateerd op 17 december 1999. Op grond daarvan is overeengekomen dat de waarde in het economisch verkeer van de aan [kinderen XX] over te dragen panden zal worden getaxeerd en dat die taxatie de grondslag zal vormen voor de eventueel op te leggen aanslag schenkingsrechten. Daaraan voorafgaand heeft op 23 november 1999 de minnelijke taxatie van de panden plaatsgevonden door [taxateur], rijkstaxateur van de Belastingdienst Ondernemingen te Arnhem en [makelaar], makelaar en taxateur verbonden aan Hestia Makelaardij in bedrijfs onroerend goed te Nijmegen. De getaxeerde waarde van de gezamenlijke panden bedroeg ƒ 5.100.000,--. De getaxeerde waarde van het bedrijfscomplex aan de [adres] bedroeg ƒ 1.300.000,--.

2.4 Bij de stukken bevindt zich een ‘huurvoorstel’ met betrekking de bedrijfshallen aan de [adres] van Driessen Makelaardij (hierna: Driessen) namens [eis.1conv./ged.1reconv.] van 20 oktober 1999, gericht aan Verbeek Bedrijfs Onroerend Goed B.V. (hierna: Verbeek) ten behoeve van haar cliënt De Lage Landen, alsmede de schriftelijke reactie daarop van Verbeek. Verder bevindt zich bij de stukken een schriftelijke huurovereenkomst (hierna: huurovereenkomst I) tussen [eis.1conv./ged.1reconv.] als verhuurder en De Lage Landen Translease B.V. als huurder, op grond waarvan De Lage Landen Translease B.V. met ingang van 1 januari 2000 van [eis.1conv./ged.1reconv.] huurt ‘[adres] te Nijmegen, groot 4.727 m2’ voor een huurprijs van ƒ 236.850,-- exclusief btw op jaarbasis. Huurovereenkomst I is door De Lage Landen Translease getekend op 6 december 1999, en is niet door [eis.1conv./ged.1reconv.] getekend. Verder bevindt zich bij de stukken een schriftelijke huurovereenkomst tussen [eis.1conv./ged.1reconv.] en De Lage Landen Translease B.V., op grond waarvan De Lage Landen Translease B.V. met ingang van 1 maart 2000 van [eis.1conv./ged.1reconv.] huurt de bedrijfsruimte aan de [adres] te Nijmegen, ‘betreffende het totale complex, zijnde 7.171 m2 kantoor en opslagruimten ten behoeve van auto’s alsmede het totaal te verharden buitenterrein’, voor een huurprijs van ƒ 400.000,-- exclusief btw op jaarbasis (hierna: huurovereenkomst II). Als bijzondere bepaling is (onder meer) vermeld dat de ‘huurovereenkomst betreffende [adres] te Nijmegen, groot circa 4.737 m2, (…) met ingangsdatum 1 januari 2000, komt hiermede per ingangsdatum van deze overeenkomst te vervallen’. Verder is vermeld dat de verhuurder voornemens is tot verbetering van het gebouw over te gaan. Huurovereenkomst II is door de huurder op 10 februari 2000 getekend en door [eis.1conv./ged.1reconv.] als verhuurder op 19 februari 2000.

2.5 Na 1 januari 2000 heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] het bedrijfscomplex [adres] te Nijmegen gerenoveerd/verbouwd. Bij de stukken bevindt zich een factuur van W. Ariëns Bouwkundig teken- en adviesburo B.V. van ƒ 1.018.524,08 met betrekking tot ‘renovatie Mercuriusstraat/Fabrieksweg’. Ook bevinden zich bij de stukken in opdracht van [eis.1conv./ged.1reconv.] op 30 juni 2000 door Driessen vervaardigde taxatierapporten van de panden. De gezamenlijke onderhandse verkoopwaarde van de panden wordt door Driessen getaxeerd op ƒ 8.850.000,--, en de onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfscomplex aan de [adres] op ƒ 4.000.000,--. Daarbij is onder meer rekening gehouden met het feit dat dit bedrijfscomplex is verhuurd tegen een jaarhuur van ƒ 400.000,-- exclusief btw. [eis.1conv./ged.1reconv.] heeft die taxaties laten vervaardigen met het oog op hypotheekverlening door ING ten behoeve van [kinderen XX].

2.6 De panden zijn bij notariële akte tot levering van 29 december 2000 aan [kinderen XX] overgedragen. Daarbij is als koopprijs de op 23 november 1999 getaxeerde waarde van ƒ 5.100.000,-- gehanteerd. Van dat bedrag heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] ƒ 3.000.000,-- aan [kinderen XX] geschonken. Het restant is door [kinderen XX] voldaan, op basis van een bankkrediet van ING ter zekerheid waarvoor een hypotheekrecht en pandrechten aan de bank zijn verstrekt. In artikel 7.4 van de notariële akte van levering is onder meer het volgende bepaald:

“Reeds vanaf 1 januari tweeduizend komen de baten de koper ten goede, zijn de lasten voor zijn rekening en draagt hij het risico van het verkochte.”

2.7 De verschuldigde overdrachtsbelasting ten bedrage van ƒ 306.000,-- is door de belastingdienst in rekening-courant verrekend met de notaris. De kinderen [eis.1conv./ged.1reconv.] hebben een aanslag schenkingsrecht ontvangen, gedateerd 12 februari 2003.

2.8 In 2002 is de belastingdienst een onderzoek gestart naar mogelijk door [eis.1conv./ged.1reconv.] in 2000 gedane onjuiste en/of onvolledige aangiften overdrachtsbelasting en schenkingsrecht. Blijkens het proces-verbaal van de FIOD-ECD Midden Nederland (productie 9 bij de conclusie van antwoord van Hekkelman) werd [eis.1conv./ged.1reconv.] verdacht van zeven strafbare feiten en is omtrent de aanleiding van het onderzoek het volgende vermeld:

“Tijdens een regulier boekenonderzoek door (…) aangevangen op 1 juli 2002, is geconstateerd dat [eis.1conv./ged.1reconv.] panden die hij in privé bezat tegen een te lage waarde heeft overgedragen aan zijn kinderen. [eis.1conv./ged.1reconv.] moet hebben geweten dat deze waarde te laag was. Nadat [eis.1conv./ged.1reconv.] de panden ultimo 1999 had laten taxeren voor ƒ 5.100.000 heeft hij tot een bedrag van in totaal ƒ 2.763.642 aan de panden laten verbouwen alvorens hij ze ultimo 2000 aan zijn kinderen heeft overgedragen voor de getaxeerde waarde van ƒ 5.100.00. Tevens heeft hij in de periode tussen de taxatie en de overdracht lucratieve huurcontracten afgesloten. Hierdoor is de reële overdrachtswaarde fors hoger. (…)”

2.9 Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is (onder meer) [eis.1conv./ged.1reconv.] als verdachte gehoord, evenals [betrokkene1]. Ook [kinderen XX] zijn gehoord. De processen-verbaal van verhoor bevinden zich bij de stukken. Naar aanleiding van het onderzoek door de FIOD heeft de belastingdienst een zogenaamde nadeelberekening opgesteld. Daaruit blijkt dat de belastingdienst bij de berekening van de na te heffen overdrachtsbelasting is uitgegaan van een overdrachtsprijs van ƒ 8.885.000,-- en bij de berekening van het schenkingsrecht van een schenking van ƒ 2.261.666 per kind.

2.10 Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 5 juli 2007 is bewezen verklaard, zakelijk weergegeven, dat [eis.1conv./ged.1reconv.] op 29 december 2000 opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst of Hoofd Ondernemingen Arnhem ingeleverde aangiften schenkingsrecht en overdrachtsbelasting te lage schenkingsbedragen en te lage belastbare bedragen aan belasting heeft doen opgeven, terwijl beide feiten ertoe strekten dat te weinig belasting (overdrachtsbelasting en schenkingsrecht) werd geheven.

2.11 Bij brieven van 26 september 2008 hebben [eis.conv./gedn.reconv.]VWGNijhof en Hekkelman op grond van (een) beroepsfout (en) aansprakelijk gesteld voor de als gevolg daarvan door hen geleden schade.

3. De vordering in conventie

3.1 [eis.conv./gedn.reconv.] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht zal verklaren dat VWGNijhof en Hekkelman, gezamenlijk althans zelfstandig, toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen, althans onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eis.conv./gedn.reconv.];

b. primair VWGNijhof en Hekkelman hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [eis.conv./gedn.reconv.], des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, van een bedrag ter zake van schadevergoeding, welk bedrag opgemaakt dient te worden bij staat en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2008, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, althans subsidiair VWGNijhof en Hekkelman zal veroordelen tot betaling aan [eis.conv./gedn.reconv.] van een bedrag ter zake van schadevergoeding, welk bedrag opgemaakt dient te worden bij staat en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2008, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, met bepaling welke gedaagde welk gedeelte van de schadevergoeding dient te betalen; meer subsidiair VWGNijhof, althans Hekkelman zal veroordelen tot betaling aan [eis.conv./gedn.reconv.] van een bedrag ter zake van schadevergoeding, welk bedrag opgemaakt dient te worden bij staat en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2008, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

c. voor het vaststellen van de door VWGNijhof en Hekkelman te betalen schade de zaak zal verwijzen naar de schadestaat procedure;

d. VWGNijhof en Hekkelman zal veroordelen om gezamenlijk dan wel ieder zelfstandig het bedrag van € 100.000,-- als voorschot op de uit te betalen schadevergoeding aan [eis.conv./gedn.reconv.] te voldoen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;

e. VWGNijhof en Hekkelman zal veroordelen om aan [eis.conv./gedn.reconv.] binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis de kosten van het geding te voldoen, onder bepaling dat indien gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is, alsmede de nakosten ten bedrage van € 131,--.

3.2 Aan die vorderingen hebben [eis.conv./gedn.reconv.] zakelijk samengevat ten grondslag gelegd dat zowel (de accountant van) VWGNijhof als (de notaris van) Hekkelman toerekenbaar zijn tekort geschoten in de nakoming van hun contractuele verplichtingen jegens [eis.conv./gedn.reconv.], althans dat zij jegens [eis.conv./gedn.reconv.] onrechtmatig hebben gehandeld, als gevolg waarvan [eis.conv./gedn.reconv.] schade hebben geleden.

3.3 Zowel VWGNijhof als Hekkelman hebben verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4. De vordering in voorwaardelijke reconventie

4.1 Uitsluitend voor het geval zij aansprakelijk zou zijn voor de eventuele schade geleden door [kinderen XX] heeft Hekkelman gevorderd dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eis.1conv./ged.1reconv.] zal veroordelen om aan Hekkelman te vergoeden al hetgeen Hekkelman aan [kinderen XX] dient te vergoeden vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het moment waarop Hekkelman dit bedrag voldoet.

4.2 Daaraan ligt ten grondslag de opvatting dat [eis.1conv./ged.1reconv.] gehouden was om de notaris op de door hem gestelde vragen juiste antwoorden te geven èn dat hij, nu hij dat heeft nagelaten, gehouden is de schade te vergoeden die Hekkelman als gevolg daarvan lijdt. Bovendien was [eis.1conv./ged.1reconv.], gelet op de precontractuele goede trouw die met zich brengt dat hij zich mede diende te laten leiden door de belangen van zijn kinderen, gehouden zijn kinderen juist en volledig te informeren èn is hij, nu hij dat niet heeft gedaan, jegens zijn kinderen gehouden om hen de schade te vergoeden die zij als gevolg van het door [eis.1conv./ged.1reconv.] (doen) hanteren van een onjuiste waardering van het registergoed, hebben geleden. In de onderlinge verhouding tussen [eis.1conv./ged.1reconv.] en Hekkelman dient [eis.1conv./ged.1reconv.] deze schade integraal voor zijn rekening te nemen, zowel omdat deze door hem is veroorzaakt als ook omdat de billijkheid dit klaarblijkelijk eist.

4.3 [eis.conv./gedn.reconv.] hebben verweer gevoerd. Daarop zal, indien de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld is vervuld, hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling

Aansprakelijkheid van Hekkelman jegens de [eis.conv./gedn.reconv.]

5.1 [eis.conv./gedn.reconv.] gronden aansprakelijkheid van Hekkelman op de stelling dat op de notaris, destijds als vennoot verbonden aan Hekkelman, primair een resultaatsverbintenis en subsidiair een inspanningsverbintenis rustte om overeenkomstig hun verzoek daartoe te bewerkstelligen dat de panden aan [kinderen XX] werden overgedragen zonder dat dit tot discussie met de belastingdienst aanleiding zou kunnen geven over de waarde van de overgedragen panden. Meer subsidiair houden [eis.conv./gedn.reconv.] Hekkelman aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. [eis.conv./gedn.reconv.] stellen dat zij allen als cliënt bij de aan de notaris verstrekte opdracht dienen te worden aangemerkt omdat zij blijkens de akte van levering ook allen voor de notaris zijn verschenen, maar in ieder geval dient [eis.1conv./ged.1reconv.] als cliënt van de notaris te worden aangemerkt. Volgens Hekkelman (conclusie van antwoord par. 113/114) is slechts [eis.1conv./ged.1reconv.] opdrachtgever. Volgens [eis.conv./gedn.reconv.] is de notaris in de nakoming van de op hem rustende contractuele verplichtingen toerekenbaar tekort geschoten op de onder 49 in de dagvaarding geschetste wijze.

5.2 Als meest verstrekkende verweer heeft Hekkelman aangevoerd dat de notaris ten tijde van de hem verweten werkzaamheden verbonden was aan de maatschap Hekkelman Terheggen & Rieter, dat Hekkelman is opgericht in 2007 en niet de rechtsopvolger onder algemene titel is van de genoemde maatschap. Hekkelman valt daarom, zo betoogt zij, geen verwijt te maken ter zake van de in geding zijnde werkzaamheden zodat de vordering tegen haar reeds om die reden moet worden afgewezen. De juistheid daarvan kan in het midden blijven omdat, zoals hierna nog zal blijken, de tegen de notaris ingestelde vorderingen hoe dan ook niet kunnen slagen.

5.3 Volgens Hekkelman (conclusie van antwoord sub 113/114) is slechts [eis.1conv./ged.1reconv.] opdrachtgever van de notaris. Dat betekent dat in de eerste plaats de vraag moet worden beantwoord wie als opdrachtgever (als bedoeld in artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek) van de notaris heeft te gelden: alleen [eis.1conv./ged.1reconv.] of ook (mede) zijn echtgenote en [kinderen XX]? Het antwoord op de vraag of iemand (in dit geval: [eis.1conv./ged.1reconv.]) bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen; als wederpartij van die ander – is opgetreden dan wel (mede) als vertegenwoordiger van een derde, is afhankelijk van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de aard van de desbetreffende overeenkomst en hetgeen ten aanzien van overeenkomsten als de onderhavige in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is.

5.4 Door (of namens) [eis.1conv./ged.1reconv.] is aan de notaris gevraagd om de overdracht van de panden aan [kinderen XX] voor te bereiden en vervolgens te effectueren. Daartoe heeft de notaris in december 1999 de hiervoor onder 2.3 vermelde schriftelijke stukken opgesteld, te weten een ontwerp verzoek met vragen aan de fiscus en een concept van een minnelijke waarderingsovereenkomst. In die minnelijke waarderingsovereenkomst is [eis.1conv./ged.1reconv.] vermeld als verkoper, [kinderen XX] als kopers en [eis.1conv./ged.1reconv.] en zijn echtgenote als (wettelijk) vertegenwoordigers van de kinderen, voor zover minderjarig. Zij hebben allen de minnelijke waarderingsovereenkomst als belanghebbenden getekend. Vervolgens heeft de notaris de leveringsakte opgesteld op grond waarvan de panden op 29 december 2000 door [eis.1conv./ged.1reconv.] als verkoper in eigendom zijn overgedragen aan [kinderen XX] als kopers, en waarbij zowel [eis.1conv./ged.1reconv.] als zijn echtgenote mede zijn opgetreden als (wettelijk ) vertegenwoordigers van hun toen nog minderjarige dochter [dochter]. Gelet op de positie van [kinderen XX] als belanghebbenden bij de door de notaris vervaardigde minnelijke waarderingsovereenkomst en hun positie als kopers bij de leveringsakte - waarbij hun medewerking was vereist voor de totstandkoming van het beoogde rechtsgevolg - diende de notaris redelijkerwijs ervan uit te gaan dat [kinderen XX] als zijn (mede) opdrachtgevers hadden te gelden. Dat geldt niet voor de echtgenote van [eis.1conv./ged.1reconv.] omdat zij slechts is opgetreden in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun (toen nog) minderjarige kinderen.

5.5 Daarmee ligt voor de vraag of de notaris jegens [eis.1conv./ged.1reconv.] en [kinderen XX] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de aan hem verstrekte opdracht. Dat op de notaris een resultaatsverbintenis rust te bewerkstelligen dat de panden werden overgedragen zonder dat dit tot discussie met de belastingdienst aanleiding zou kunnen geven over de waarde van de overdragen panden kan niet worden aangenomen. De notaris heeft ook bestreden dat hij een resultaatsverbintenis als door [eis.1conv./ged.1reconv.] en zijn kinderen gesteld op zich heeft genomen en [eis.1conv./ged.1reconv.] en zijn kinderen hebben ook geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zij in redelijkheid hebben mogen afleiden dat de notaris zich tot het bereiken van dat resultaat (‘overdracht (…) zonder dat dit tot discussie met de belastingdienst aanleiding zou kunnen geven over de waarde van de overgedragen panden’) heeft verbonden

5.6 In zijn algemeenheid rust op de notaris een zwaarwegende zorgplicht ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de in die akte opgenomen rechtshandelingen. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat deelnemers aan het rechtsverkeer moeten kunnen vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de in de authentieke akte vervatte rechtshandeling. Aangenomen moet worden dat onder die zwaarwegende zorgplicht ook de plicht van de notaris valt te onderzoeken of de akte geen onwaarheden bevat, en dat geldt dan ook ten aanzien van de in de akte vermelde waarden van de over te dragen panden en hetgeen van de koopprijs wordt kwijtgescholden aan [kinderen XX]. De notaris mag daarbij echter wel afgaan op de gegevens die hem door zijn cliënt worden aangereikt, tenzij hij goede redenen had aan te nemen dat die gegevens niet juist zijn. Die uitzonderingssituatie doet zich hier evident niet voor. In februari 2000 heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] met De Lage Landen de onder 2.4 vermelde huurovereenkomst II met betrekking tot het bedrijfscomplex aan de [adres] in Nijmegen gesloten tegen een jaarlijkse huurprijs van ƒ 400.000,-- exclusief btw. Van die huurovereenkomst (II) noch van de sinds oktober 1999 daaraan voorafgaande onderhandelingen heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] de notaris op de hoogte gebracht, en hetzelfde geldt voor de met die huurovereenkomst samenhangende verbouwing voor een bedrag van ƒ 1.018.524,08 volgens de onder 2.5 genoemde factuur van W. Ariëns Bouwkundig teken-en adviesburo B.V. Onweersproken heeft Hekkelman bovendien aangevoerd (conclusie van antwoord sub 34/46) dat in het jaar 2000 ook herstelwerkzaamheden hebben plaatsgevonden aan het pand [adres] ter grootte van circa ƒ 900.000,-- en dat daarover door [eis.1conv./ged.1reconv.] evenmin mededeling is gedaan aan de notaris. Ten slotte verdient vermelding dat de panden in juni 2000 in opdracht van [eis.1conv./ged.1reconv.] door Driessen zijn getaxeerd op een bedrag van ƒ 8.850.000,-- en dat Hekkelman onbetwist heeft aangevoerd dat [eis.1conv./ged.1reconv.] de notaris van die taxaties niet op de hoogte heeft gesteld (conclusie van antwoord sub 48). Het komt er bij het voorafgaande dus op neer dat [eis.1conv./ged.1reconv.] na de minnelijke taxatie in november 1999 de in die taxatie betrokken bedrijfspanden aan de [adres] en [adres] ingrijpend heeft verbouwd, het complex aan de [adres] heeft verhuurd en de panden in juni 2000 opnieuw heeft laten taxeren tegen een waarde die ƒ 3.750.000,-- hoger lag dan de minnelijke taxatie van 23 november 1999, en zonder de notaris van een en ander op de hoogte te brengen.

5.7 De klacht dat de notaris niet heeft onderzocht of de getaxeerde (en in de notariële leveringsakte opgenomen) waarde nog wel in overeenstemming was met de werkelijke waarde per datum overdracht faalt dus, en dat geldt ook voor het verwijt dat de notaris zich had moeten realiseren dat de panden binnen drie maanden na de minnelijke taxatie dienden te worden overgedragen. Hekkelman heeft op dat punt als verweer aangevoerd (conclusie van antwoord sub 116) dat de door de fiscus getekende vaststellingsovereenkomst geen beperking inhield van de periode gedurende welke van de minnelijke regeling gebruik gemaakt kon worden, terwijl zo een beperking ook niet viel te lezen in de resolutie van de staatssecretaris (productie 1 conclusie van antwoord, Besluit van 13 oktober 1960, Nr. BO/15 373, Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 december 1983, Nr. 583-25562) en evenmin anderszins bekend was gemaakt. Volgens de notaris was hij met een dergelijke beperking dan ook niet bekend noch behoorde hij daarmee destijds bekend te zijn, nu niet blijkt dat elk van de inspecties altijd een termijn in een vaststellingsovereenkomst opnamen, noch dat die termijn drie maanden zou belopen en evenmin dat zo een termijn in de weg zou staan aan een overdracht in economische zin per 1 januari 2000. [eis.conv./gedn.reconv.] (op wie ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de stelplicht en bewijslast rusten) hebben de juistheid van dit gemotiveerde verweer op de comparitie van partijen niet weerlegd, en zij hebben ook geen nadere onderbouwing gegeven aan hun stelling dat de notaris bekend was, althans had moeten zijn, met de verplichting om de panden binnen drie maanden na de minnelijke taxatie over te dragen hetgeen gelet op het verweer op hun weg had gelegen. Dat impliceert dat [eis.conv./gedn.reconv.] in zoverre niet aan de op hen rustende stelplicht hebben voldaan.

5.8 Voor het overige (dagvaarding sub 49 (c) ) wordt de notaris in de kern genomen verweten dat hij heeft nagelaten te waarschuwen voor het risico dat als gevolg van het feit dat de waarde van de panden op 29 december 2000 niet meer overeenstemde met de minnelijke waardering van 23 november 1999, meer overdrachtsbelasting en schenkingsrecht zou zijn verschuldigd dan op basis van de minnelijke waardering het geval zou zijn geweest. In het verlengde daarvan heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] op de comparitie in dit verband als kernverwijt jegens de notaris aangevoerd dat hij vanaf september 2000 heeft nagelaten de minnelijke taxatie van 23 november 1999 nog eens kritisch met [eis.1conv./ged.1reconv.] door te lopen. Ook daarvan kan niet worden gezegd dat een dergelijke verplichting voortvloeit uit de hiervoor genoemde zwaarwegende zorgplicht van de notaris terwijl zonder nadere onderbouwing – die door [eis.conv./gedn.reconv.] niet is gegeven – niet kan niet worden aangenomen dat er op de notaris een verdergaande zorgplicht rustte die meebracht dat hij de minnelijke taxatie nog eens ‘kritisch (zou) doorlopen’ en zou waarschuwen voor het hiervoor genoemde risico. Dat zou het geval kunnen zijn indien een daartoe strekkende aanvullende opdracht aan de notaris zou zijn gegeven, maar daarvoor hebben [eis.1conv./ged.1reconv.] en [kinderen XX] te weinig gesteld.

5.9 Resteert de vraag of op de notaris daarnaast nog een plicht rustte om [eis.1conv./ged.1reconv.] te waarschuwen voor de aan de transactie verbonden financiële (fiscale) risico’s als gevolg van waardestijging van de panden in de periode gelegen tussen de minnelijke taxatie op 23 november 1999 en de eigendomsoverdracht op 29 december 2000. Die vraag moet in de context van de hiervoor onder 5.6 gedane vaststelling dat [eis.1conv./ged.1reconv.] na de minnelijke taxatie en zonder de notaris daarover te informeren de in die taxatie betrokken bedrijfspanden aan de [adres] en [adres] ingrijpend heeft verbouwd, het complex aan de [adres] heeft verhuurd en de panden in juni 2000 opnieuw heeft laten taxeren tegen een substantieel hogere waarde dan de minnelijk getaxeerde waarde, ontkennend worden beantwoord. Een ervaren ondernemer als [eis.1conv./ged.1reconv.] moet zich heel goed hebben gerealiseerd dat de renovaties en verhuur in december 2000 tot een substantieel hogere waarde van de panden dan de minnelijke getaxeerde waarde zou leiden, hetgeen ook werd bevestigd door de taxaties van Driessen in juni 2000. Dat wordt niet anders indien ervan wordt uitgegaan dat [eis.1conv./ged.1reconv.] Driessen heeft gevraagd zo hoog mogelijk te taxeren met het oog op hypotheekverlening. Dat maakt die taxaties immers nog niet onjuist. Dat [eis.1conv./ged.1reconv.] zich daarvan ook daadwerkelijk bewust is geweest vindt bevestiging in het (in zoverre niet bestreden) proces-verbaal van zijn verhoor door de FIOD. Zo verklaart [eis.1conv./ged.1reconv.] onder meer:

“Ik blijf erbij dat het niet moedwillig zo is gegaan. Het is zo gelopen. Natuurlijk wist ik wel toen ik bij de notaris zat dat de waarde te laag was maar daar denk je niet verder over na. Je tekent gewoon.

(…)

Ik ben het met u eens dat als de panden op 29 juni 2000 volgens de taxatierapporten van Driessen ƒ 8,885 miljoen waard zijn, ze dit ook zijn op 29 december 2000. (…) Ik zie dat ze de panden voor 5,1 miljoen gekocht hebben. Van de koopprijs is 3 miljoen geschonken. Het verschil tussen de 5,1 miljoen en de 8,885 miljoen hebben ze in feite dus ook geschonken gekregen.

(…)

Op het moment van de taxatie op 23 november 1999 was het pand aan de Mercuriusstraat in een zeer slechte staat. Deze situatie is getaxeerd. Ik heb vervolgens het pand opgeknapt. Het pand is verhuurd. Daarna heb ik het pas overgedragen aan mijn kinderen. Het pand zoals ik het heb overgedragen aan mijn kinderen was in een veel betere staat als dat het was op moment van taxatie. Hierdoor was het pand meer waard geworden. Het bedrag zoals het in de overdrachtsakte staat is daarom te laag. (…).

Op de notaris rustte derhalve geen plicht te waarschuwen voor het risico van waardestijging van de panden als gevolg van renovatie en verhuur, waarmee hij niet bekend was. Gelet op het bepaalde in artikel 7.4 van de notariële akte van levering hoefde de notaris daarmee ook niet bekend te zijn. In het verlengde daarvan was de notaris evenmin gehouden om voorafgaande aan de overdracht op 29 december 2000 in verband met het (financiële) risico de minnelijke taxatie nog eens goed met [eis.1conv./ged.1reconv.] door te lopen omdat, zoals uit het voorgaande blijkt, [eis.1conv./ged.1reconv.] zelf als geen ander op de hoogte moet zijn geweest van dat risico terwijl hij de notaris al dan niet bewust onkundig heeft gelaten van de feitelijke omstandigheden die tot dat risico hebben geleid.

5.10 Er bestaat geen aanleiding om ten aanzien [kinderen XX] anders te oordelen. Weliswaar kan in zijn algemeenheid worden aangenomen dat op de notaris de plicht rust om de kinderen, gelet op hun onervarenheid, in bescherming te nemen tegen voor hun nadelige gevolgen van de handelingen van hun vader, maar hiervoor is al is overwogen dat de notaris daarmee niet op de hoogte was noch had behoren te zijn. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de handelwijze van [eis.1conv./ged.1reconv.] tot nadelige financiële gevolgen voor zijn kinderen heeft geleid.

5.11 De primaire en de subsidiaire grondslagen van de door [eis.1conv./ged.1reconv.] en [kinderen XX] tegen Hekkelman ingestelde vorderingen stuiten reeds op het voorgaande af. Dat geldt ook voor de meer subsidiaire grondslag van de vorderingen, die immers gebaseerd is op dezelfde verwijten (dagvaarding sub 49 en 56). De overige verweren van Hekkelman behoeven daarom geen bespreking meer.

5.12 Resteert de vordering van de echtgenote van [eis.1conv./ged.1reconv.] die, zoals hiervoor onder 5.3 is vastgesteld, niet als (mede) cliënt van de notaris is beschouwen, maar louter is opgetreden als wettelijk vertegenwoordiger. Zij is derhalve in de verhouding tot de notaris als derde aan te merken. Ook jegens de belangen van derden kunnen onder omstandigheden bijzondere zorgplichten bestaan in de situatie dat de belangen van die derde zo nauw zijn betrokken bij de overeenkomst tussen de notaris en zijn cliënt(en) dat de notaris met die belangen rekening heeft te houden. Hiervoor is al geoordeeld dat de notaris geen zorgplicht heeft geschonden jegens [eis.1conv./ged.1reconv.] en [kinderen XX] terwijl daaromtrent door de echtgenote van [eis.1conv./ged.1reconv.] ook geen concrete stellingen zijn ontwikkeld, zodat haar tegen Hekkelman ingestelde vordering reeds daarom niet kan slagen.

Aansprakelijkheid van VWGNijhof jegens [eis.conv./gedn.reconv.]

5.13 Ook aan de vorderingen tegen VWGNijhof leggen [eis.conv./gedn.reconv.] ten grondslag primair een resultaatsverbintenis en subsidiair een inspanningsverbintenis. Meer subsidiair achten [eis.conv./gedn.reconv.] VWGNijhof aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. De primaire grondslag kan niet slagen omdat bij de beantwoording van de vraag of de accountant als opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen (artikel 7:401 BW) als maatstaf geldt of hij heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. De enkele omstandigheid dat – zoals in dagvaarding onder 37 wordt betoogd – volgens [betrokkene1] intern was besproken dat ‘we geen gedoe wilden met de fiscus over de waarde van de panden’ geeft geen grond tot toepassing van een andere maatstaf, omdat [eis.1conv./ged.1reconv.] uit die enkele zinsnede uit een verhoor van [betrokkene1] door de FIOD redelijkerwijs niet kan afleiden dat VWGNijhof zou hebben gegarandeerd dat geen ‘gedoe met de fiscus over de waarden van de panden’ zou ontstaan. Door VWGNijhof is ook bestreden (conclusie van antwoord sub 3.4) dat zij een dergelijke garantie heeft afgegeven en ook dat zij een dergelijke garantie zou kunnen afgeven. Concrete feiten en omstandigheden die meebrengen dat zo een garantie wel is afgegeven door VWGNijhof zijn door [eis.1conv./ged.1reconv.] - op wie ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast rust van het bestaan van een resultaatsverbintenis - niet gesteld.

5.14 Het staat vast dat VWGNijhof [eis.1conv./ged.1reconv.] in zijn opdracht heeft geadviseerd om in het kader van vermogensplanning en het op termijn besparen van successierechten een aantal van zijn panden in eigendom over te dragen aan zijn kinderen. [eis.conv./gedn.reconv.] hebben echter geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat, gelet op de onder 5.2 vermelde maatstaf, naast [eis.1conv./ged.1reconv.] zelf ook [kinderen XX] en zijn echtgenote (mede) als partij bij de aan VWGNijhof verstrekte opdracht zijn te beschouwen. De door [kinderen XX] en de echtgenote van [eis.1conv./ged.1reconv.] op die grondslag tegen VWGNijhof ingestelde vorderingen moeten reeds daarom falen.

5.15 Tegen de achtergrond van het betoog dat de geadviseerde minnelijke taxatie nu juist bedoeld was om discussie met de belastingdienst over de waarde van de panden te voorkomen is [eis.1conv./ged.1reconv.] van opvatting dat VWGNijhof jegens hem toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht omdat (a) zij had moeten weten dat de panden binnen drie maanden na de minnelijke taxatie dienden te worden overgedragen en dat, indien die overdracht later plaatsvindt, onderzocht dient te worden of de getaxeerde waarde nog wel gelijk is aan de werkelijke waarde per datum overdracht en (b) VWGNijhof [eis.1conv./ged.1reconv.] had moeten wijzen op het risico dat hij liep door de overdracht per 29 december 2000 plaats te laten vinden tegen de per 23 november 1999 getaxeerde waarde. Het onder (a) genoemde verwijt kan niet slagen omdat in het voetspoor van hetgeen onder 5.7 is overwogen ook ten aanzien van de vorderingen tegen VWGNijhof heeft te gelden dat door [eis.1conv./ged.1reconv.] in het geheel niet concreet is onderbouwd op grond waarvan een verplichting bestond tot overdracht binnen drie maanden na minnelijke taxatie en dat VWGNijhof met een dergelijke verplichting bekend was althans bekend had moeten zijn en voorts dat, indien die verplichting niet werd nageleefd, onderzoek diende plaatst te vinden naar de vraag of de getaxeerde waarde nog wel overeenstemde met de werkelijke waarde. In zoverre is door [eis.1conv./ged.1reconv.] dus niet aan zijn stelplicht voldaan.

5.16 Het onder (b) genoemde kernverwijt stelt de vraag aan de orde of de onder 5.13 vermelde maatstaf meebrengt dat op VWGNijhof een plicht rustte om te waarschuwen voor het risico dat als gevolg van het feit dat de waarde van de panden op 29 december 2000 niet meer overeenstemde met de minnelijke waardering per 23 november 1999, meer overdrachtsbelasting en schenkingsrecht zou zijn verschuldigd dan op basis van de minnelijke waardering het geval zou zijn geweest. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

5.17 Volgens [eis.1conv./ged.1reconv.] was VWGNijhof op de hoogte van de met De Lage Landen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het bedrijfscomplex [adres] te Nijmegen alsmede met de verbouwing daarvan en ook met de taxatie van Driessen van 30 juni 2000. VWGNijhof erkent dat uit de als productie 9 bij conclusie van antwoord overgelegde brief van haar aan ING blijkt van haar bekendheid met de onder 2.4 vermelde huurovereenkomst I (met een jaarhuur van ƒ 236.850,-- exclusief btw) en zij erkent ook bekend ermee te zijn geweest dat [eis.1conv./ged.1reconv.] werkzaamheden aan het pand aan de [adres] heeft laten verrichten, maar zij betwist bekend te zijn geweest met huurovereenkomst II en met de door Driessen afgegeven taxaties. In dat verband betoogt zij niet in het bezit te zijn geweest van de door Driessen afgegeven taxaties en evenmin op de hoogte te zijn geweest van het feit dat [eis.1conv./ged.1reconv.] opdracht tot taxatie aan Driessen had verstrekt en zij verwijst in dat verband naar de door [betrokkene1] bij de FIOD afgelegde verklaring dat hij pas op vrijdag 5 november 2004 van [eis.1conv./ged.1reconv.] heeft gehoord van de taxaties van Driessen (conclusie van antwoord VWGNijhof sub 2.15). Door [eis.1conv./ged.1reconv.] (op wie ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv ook in zoverre de last rust de feiten te stellen) zijn geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die erop duiden dat VWGNijhof bekend was, of moet zijn geweest, met zowel de onder 2.4 vermelde huurovereenkomst II als met de taxaties van Driessen van 30 juni 2000, zodat er niet van kan worden uitgegaan dat VWGNijhof daarmee bekend was voorafgaande aan de notariële overdracht op 29 december 2000. Maar ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat VWGNijhof daarmee wèl bekend was of daarmee in ieder geval bekend had behoren te zijn, geldt dat door [eis.1conv./ged.1reconv.] niet is gesteld dat hij zowel huurovereenkomst II als - en met name- de in zijn opdracht door Driessen afgegeven taxaties uitdrukkelijk bij VWGNijhof ter sprake heeft gebracht met het oog op de voorgenomen overdracht van de panden hetgeen, gelet op het belang dat hij eraan hechtte om geen ‘gedoe’ met de fiscus te krijgen, toch voor de hand zou hebben gelegen. Dat hij dat kennelijk niet heeft gedaan valt ook niet goed te rijmen met zijn op de comparitie ingenomen stelling dat hij ‘blind’ is gevaren op zijn adviseurs bij wie hij ‘zijn hele handel’ zou hebben neergelegd.

5.18 De enkele omstandigheid dat VWGNijhof zich wellicht, gelet op haar bekendheid met huurovereenkomst I en de verbouwing/renovatie van het pand [adres], had behoren te realiseren dat (in de woorden van de als productie 15 bij dagvaarding overgelegde brief van ING van 16 februari 2000) ‘de huidige vrije verkoopwaarde van de onroerend goed portefeuille (…) wat hoger ligt dan getaxeerd’ impliceert nog niet dat op haar een waarschuwingsplicht rustte. Daarbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat het [eis.1conv./ged.1reconv.] zelf is geweest die in februari 2000 huurovereenkomst II heeft gesloten en in verband daarmee dat bedrijfscomplex voor een bedrag van ƒ 1.018.524,08 heeft laten verbouwen, daarnaast herstelwerkzaamheden voor een bedrag van circa ƒ 900.000,-- heeft laten verrichten aan het pand [adres] en ten slotte in zijn opdracht in juni 2000 taxaties door Driessen heeft laten vervaardigen. In lijn met hetgeen ten aanzien van de notaris is overwogen geldt verder dat [eis.1conv./ged.1reconv.] als ervaren ondernemer zich moet hebben gerealiseerd dat die renovaties en verhuur in december 2000 tot een substantieel hogere waarde van de panden dan de minnelijk getaxeerde waarde zouden leiden, hetgeen ook uitdrukkelijk werd bevestigd door de in zijn opdracht door Driessen uitgebrachte taxaties. Het op de comparitie door [eis.1conv./ged.1reconv.] nog opgeworpen verweer dat die taxatie van Driessen te hoog is geweest kan hem niet baten. Niet alleen heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] die stelling tegenover de betwisting van VWGNijhof geenszins concreet onderbouwd en ontbreekt ieder inzicht in de vraag in hoeverre die taxaties dan precies te hoog zijn, maar bovenal heeft [eis.1conv./ged.1reconv.] niet onderbouwd gesteld dat hij ook in juni 2000 al wist dat die taxaties (substantieel) te hoog waren om de door hem genoemde redenen. Uit dit alles volgt dat [eis.1conv./ged.1reconv.] als geen ander op de hoogte moet zijn geweest van het risico van waardestijging van de panden als gevolg van de door hemzelf georkestreerde verhuur en renovatie daarvan zodat, mede gelet op zijn positie van ervaren ondernemer, niet kan worden aanvaard dat daarnaast op VWGNijhof nog een zelfstandige waarschuwingsplicht zou rusten. VWGNijhof heeft daarom niet een op haar rustende zorgplicht geschonden.

5.19 Ook de subsidiaire grondslag faalt derhalve. De meer subsidiaire grondslag (dagvaarding sub 31 en 44) – die gebaseerd is op dezelfde verwijten – deelt het lot van de subsidiaire grondslag. Ook wat betreft [kinderen XX] en de echtgenote van [eis.1conv./ged.1reconv.] faalt de meer subsidiaire grondslag van hun tegen VWGNijhof ingestelde vorderingen. Hiervoor is immers geoordeeld dat VWGNijhof jegens [eis.1conv./ged.1reconv.] niet een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden terwijl daaromtrent door [kinderen XX] en de echtgenote van [eis.1conv./ged.1reconv.] ook geen concrete stellingen zijn ontwikkeld.

5.20 De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de door Hekkelman ingestelde vordering in reconventie omdat de voorwaarde waaronder deze is ingesteld niet is vervuld.

slotsom

5.21 De vorderingen moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij dienen [eis.conv./gedn.reconv.] te worden veroordeeld in de proceskosten. Dat geldt ook voor de door VWGNijhof gevorderde, en door [eis.conv./gedn.reconv.] niet afzonderlijk bestreden, nakosten.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eis.conv./gedn.reconv.] in de kosten van deze procedure, tot aan dit vonnis aan de zijde van Hekkelman begroot op € 2.200,-- voor vast recht en op € 4.263,-- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en aan de zijde van VWGNijhof begroot op € 2.200,-- voor vast recht en op € 4.263,-- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn ná betekening plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. N.W. Huijgen, R.A. van der Pol en D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2010.