Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM1958

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/3157
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:75a Awb. Intrekking beroep; verzoek om proceskostenveroordeling tijdig. Een door verweerder opgestelde, door verzoeker getekende, en door verweerder aan de rechtbank gezonden, verklaring van intrekking van een beroepschrift is niet aan te merken als een door verzoeker aan de rechtbank gerichte intrekking van het beroepschrift. De verklaring is geadresseerd aan verweerder en niet aan de rechtbank. Verzoeker heeft slechts jegens verweerder verklaard het beroepschrift in te zullen trekken. Het verzoek om proceskostenveroordeling is tegelijk met de later verzonden daadwerkelijke intrekking door verzoeker bij de rechtbank ingediend en is dus tijdig gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2010/11.1
V-N 2010/23.1.1
FutD 2010-1051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/3157

uitspraak ingevolge artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 2 maart 2010

inzake

[X], wonende te [Z], verzoeker,

vertegenwoordigd door [gemachtigde],

tegen

de inspecteur van de belastingdienst/Oost/kantoor Doetinchem, verweerder.

1. Inleiding

Bij brief van 29 juli 2009 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 17 juli 2009.

Bij brief van 15 september 2009 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld, dat hij volledig is tegemoetgekomen aan het bezwaar van verzoeker.

Bij brief van 22 september 2009 heeft de rechtbank aan verzoeker verzocht mede te delen of hij het beroep wenste in te trekken.

In een brief van 30 september 2009, ingekomen bij de rechtbank op 1 oktober 2009, heeft verweerder een door verzoeker op 23 september 2009 getekende verklaring van intrekking van het beroepschrift toegezonden.

Naar aanleiding van de brief van 22 september 2009 heeft verzoeker bij brief van 5 oktober 2009, ingekomen bij de rechtbank op 6 oktober 2009, het beroep ingetrokken via het door de rechtbank hiertoe ter beschikking gestelde formulier. Daarbij is verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Vervolgens heeft de rechtbank bij schrijven van 14 oktober 2009 verweerder in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Van deze gelegenheid heeft verweerder bij faxbericht van 2 november 2009 gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2010 te Arnhem.

Verzoeker is met kennisgeving van afwezigheid niet ter zitting verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de proceskosten veroordelen. Het verzoek moet worden gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoeker heeft in de brief van 5 oktober 2009 verzocht om een proceskostenveroordeling ten bedrage van € 842,01. De kosten bestaan in de werkelijke kosten van beroepsmatig verleende bijstand.

Verweerder stelt zich blijkens zijn nadere toelichting ter zitting op het standpunt gesteld dat het verzoek om een proceskostenveroordeling niet behandeld kan worden, omdat het verzoek niet tegelijk is gedaan met de intrekking van het beroep. Verweerder gaat er daarbij van uit, dat door middel van de op 1 oktober 2009 bij de rechtbank ingekomen, op 23 september 2009 door verzoeker getekende, verklaring het beroep is ingetrokken en dat het op 5 oktober 2009 bij de rechtbank ingekomen verzoek om proceskostenvergoeding dus niet tegelijk met de intrekking van het beroep is geschied. Verweerder stelt voorts, dat verzoeker tegelijk met de intrekking van het beroep heeft ingestemd met een proceskostenvergoeding van € 161, zodat hij niet meer een hoger bedrag kan vragen. Verweerder is van mening, dat het bedrag van € 161 volgt uit onderdeel B2. van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Anders dan verweerder stelt, is de op 1 oktober 2009 bij de rechtbank ingekomen verklaring niet aan te merken als een door verzoeker aan de rechtbank gerichte intrekking van het beroepschrift. De verklaring is immers geadresseerd aan verweerder en niet aan de rechtbank. Verzoeker heeft slechts jegens verweerder verklaard het beroepschrift in te zullen trekken. De daadwerkelijke intrekking van het beroep heeft plaatsgevonden bij brief van 5 oktober 2009. Het verzoek om proceskostenvergoeding is tegelijk met die intrekking bij de rechtbank ingediend en is dus tijdig gedaan. De rechtbank kan het verzoek dus wel behandelen.

Gegeven de overgelegde stukken kan ook niet worden aangenomen dat verzoeker heeft ingestemd met een proceskostenvergoeding van € 161. Verweerder heeft in zijn brief van 15 september 2009 weliswaar aangekondigd dat verzoeker in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding van € 161, maar de instemming van verzoeker ziet slechts op de intrekking van het beroep en niet op het in de bijgevoegde brief genoemde bedrag aan proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft de kosten in verband met verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322. Het toepasselijke bedrag volgt namelijk, anders dan verweerder betoogt, niet uit onderdeel B2. van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht maar uit onderdeel B1 van de Bijlage. De procedure bij de belastingrechter is immers geen administratief beroep. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke kosten van beroepsmatig verleende bijstand. Hij heeft echter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd, die met zich brengen, dat van het forfaitair vastgestelde bedrag moet worden afgeweken. Dit leidt ertoe dat verweerder, nu van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken, aan verzoeker dient te vergoeden een bedrag van € 322.

Wat betreft het griffierecht merkt de rechtbank nog het volgende op.

Ingevolge artikel 8:41, vierde lid, van de Awb wordt, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door het bestuursorgaan.

Verzoeker zal zich, voor zover dit nog niet reeds is vergoed, met het verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht van € 41 tot verweerder kunnen wenden.

3. Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van

€ 322.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 2 maart 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.