Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM1897

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
05/700753-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

51 dagen celstraf voor bedreiging twee redacteuren De Gelderlander

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/700753-10

Datum zitting : 31 maart 2010

Datum uitspraak : 14 april 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsvrouw : mr. A. Kooij, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 05 februari 2010 te Nijmegen

[slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], althans één of meer medewerker(s) van Dagblad

"De Gelderlander"

heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid

van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten

ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, hierin bestaande dat hij, verdachte, opzettelijk

- meermalen, althans eenmaal, (telefonisch) heeft gesproken met voornoemde

[slachtoffer1] en/of (daarbij) die [slachtoffer1] meermalen, althans eenmaal, de woorden

heeft toegevoegd: "dat krantenartikel wordt niet geplaatst" en/of (andere)

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking heeft toegevoegd en/of

- zich (vervolgens) naar het kantoor van "De Gelderlander" heeft begeven en/of

(aldaar) heeft aangegeven/geeist met voormelde [slachtoffer1] te willen spreken en/of

- (vervolgens) (aldaar) heeft gesproken met voornoemde [slachtoffer2], waarbij,

verdachte, opzettelijk op korte afstand van en/of tegen het lichaam van die

[slachtoffer2] is/heeft gestaan en/of (op dreigende toon) van die [slachtoffer2] heeft

geeist dat een krantenartikel niet werd gepubliceerd en/of (daarbij) met zijn

hand een schietgebaar heeft gemaakt en/of wild zwaaiende en/of agressieve

bewegingen met zijn armen heeft gemaakt en/of zijn handen in zijn (jas)zakken

heeft gestoken en/of gehouden, in ieder geval aan het zicht van die [slachtoffer2]

heeft onttrokken en/of

- voornoemde [slachtoffer2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik weet nu hoe je

er uit ziet en ik maak je kapot als het gepubliceerd wordt" en/of "Ik maak

[slachtoffer1] en de De Gelderlander kapot", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

2.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 05 februari 2010 te Nijmegen,

dagblad De Gelderlander, door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door

bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen [slachtoffer1]

en [slachtoffer2] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen

of te dulden, hierin bestaande dat hij, verdachte, (tijdens één of meer

telefoongesprekken) meermalen, althans eenmaal, op intimiderende en/of

dwingende wijze van voormelde [slachtoffer1] heeft geeist dat een krantenartikel

(betreffende verdachtes familie) niet zou worden geplaatst en/of zich

(vervolgens) naar het kantoor van De Gelderlander heeft begeven en/of

(aldaar) meermalen, althans eenmaal, op intimiderende en/of dreigende en/of

dwingende toon van voormelde [slachtoffer2] heeft geeist dat het krantenartikel

(betreffende verdachtes familie) niet zou worden geplaatst en/of waarbij hij,

verdachte, voormelde [slachtoffer2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik weet nu hoe je

er uit ziet en ik maak je kapot als het gepubliceerd wordt" en/of "Ik maak

[slachtoffer1] en de De Gelderlander kapot";

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 31 maart 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A. Kooij, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie, mr. B. Molenaar, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft onder verwijzing naar de uitspraak in de zaak met parketnummer 05/600921-09 aangevoerd dat het deel van de tenlastelegging dat ziet op de bedreiging van [slachtoffer1] door aan [slachtoffer2] de dreigende woorden ”Ik maak [slachtoffer1] en de Gelderlander kapot” toe te voegen, wegens innerlijke tegenstrijdigheid nietig verklaard dient te worden.

De rechtbank weerlegt dit verweer. De aangehaalde tegen [slachtoffer2] geuite dreigende woorden, zijn te herleiden op de ook tegelijk ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer1]. Ten laste is immers onder meer gelegd dat [slachtoffer1] is bedreigd doordat verdachte tegen [slachtoffer2] gezegd zou hebben dat hij die [slachtoffer1] kapot zou maken, hetgeen ziet op een zogenaamde indirecte bedreiging.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De aangever [slachtoffer2], en de getuigen [getuige1] en [getuige2] verklaren over bedreigingen in woord en gebaar terwijl andere getuigen verklaren dat de situatie bedreigend was. Dat de getuigen [getuige3] en [getuige2] niet hebben gehoord wat [slachtoffer2] zei, kan er verband mee houden dat [slachtoffer2] rustig was en verdachte schreeuwde, en is geen reden om hun verklaringen niet betrouwbaar te achten.

De bij de twee eerste gedachtestreepjes van het onder 1 ten lastegelegde feit beschreven

gedragingen zijn op zichzelf niet bedreigend. De gedragingen die zijn vermeld bij het derde gedachtestreepje, het op korte afstand staan, het wild zwaaien met de armen en het schietgebaar dragen, in combinatie met de woorden die vermeld zijn bij het vierde gedachtestreepje, bij aan de reële vrees dat de verdachte de daad bij het woord zou voegen. Niet is uitgesloten dat verdachte enige tijd zijn handen in zijn zakken hield en vervolgens of daarvoor met zijn handen zwaaide.

Er is sprake van een directe bedreiging van [slachtoffer2]. Van de indirecte bedreiging van [slachtoffer1] is aannemelijk dat deze hem bereikt heeft. De verbalisant Van Driel heeft het over angst bij [slachtoffer1] voor represailles voor hem en zijn gezin.

De dwang staat ook vast nu onder bedreiging is gedwongen af te zien van de voorgenomen plaatsing van het krantenartikel. Uit het dossier blijkt dat van publicatie is afgezien vanwege de geuite bedreiging. Uitlatingen in de media van de hoofdredacteur van de Gelderlander dat er een andere reden was om het artikel niet te plaatsen is voor de bewijsvoering niet van belang.

Standpunt verdediging

De verdediging vordert vrijspraak van al hetgeen verdachte wordt verweten. Verdachte ontkent de tenlastegelegde bedreiging en dwang.

Door verdachte is betoogd dat hij op 5 februari 2010 naar het kantoor van de Gelderlander is gekomen om met journalist [slachtoffer1] te praten nadat verdachte telefonisch met hem had gesproken. Tijdens dat telefoongesprek heeft verdachte aan [slachtoffer1] te kennen gegeven dat zijn moeder en hij niet wilden dat het naar aanleiding van een interview met zijn moeder en zus geredigeerde artikel zou worden geplaatst. Op enig moment heeft verdachte aangegeven dat hij naar [slachtoffer1] toe zou komen. De moeder van verdachte heeft aan [slachtoffer1] gesmeekt het verhaal niet te publiceren.

In de hal van de Gelderlander heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer2].

De verdediging betwist dat door de woorden en gedragingen zoals aangegeven onder de eerste twee gedachtestreepjes van feit 1 een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht (WvSr) ontstaat. De verdediging wijst er daarbij op dat door [slachtoffer1] is verklaard dat verdachte heeft gezegd dit verhaal komt niet in de krant anders kom ik wel met een advocaat.

De verdediging betwist voorts dat de gedragingen: op korte afstand van [slachtoffer2] staan en op dreigende toon van [slachtoffer2] eisen dat een krantenartikel niet wordt gepubliceerd, zoals aangegeven onder het derde gedachtestreepje van feit 1 een bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het WvSr opleveren. De onder dit gedachtestreepje opgenomen gedragingen: met zijn hand een schietgebaar maken, wild zwaaiende en agressieve bewegingen met zijn armen maken, zijn handen in zijn jaszakken houden, sluiten elkaar volgens de verdediging uit. Verdachte ontkent een schietgebaar te hebben gemaakt. De getuigen [getuige4], [getuige5] en [getuige6] hebben wel een handgebaar bij of tegen het hoofd van verdachte waargenomen maar leggen dat verschillend uit terwijl de aangever dit handgebaar niet vermeldt.

Aangever [slachtoffer2] verklaart dat hij zich met name bedreigd voelde doordat verdachte zijn handen voortdurend in de zakken had. Dit valt moeilijk te rijmen met de verklaringen van andere getuigen die spreken van (agressieve) armbewegingen.

Verdachte ontkent dat hij bedreigende woorden heeft gebruikt. Dit wordt ondersteund door de getuigen [getuige6] en [getuige7]. Deze getuigen acht de verdediging betrouwbaar onder meer nu ze elkaar bevestigen op het punt dat de verdachte scheldwoorden zou hebben gebruikt. De verklaring van [getuige7] wordt bovendien, op het punt dat verdachte zou hebben gezegd dat hij terug zou komen als hij het stuk toch in de krant zou lezen, ondersteund door de verklaring van [getuige1].

De verklaring van aangever [slachtoffer2] over de door verdachte geuite woorden acht de verdediging niet objectief ondersteund. De getuigen die vlakbij stonden, [getuige6], [getuige7] [getuige1] en [getuige5] hebben geen van allen verklaard dat zij verdachte die woorden hebben horen zeggen. De enige getuigen die min of meer gelijkluidend aan aangever spreken over bedreigende bewoordingen zijn [getuige3] en [getuige2]. De verdediging acht deze verklaringen niet betrouwbaar. Gelet op de publieke verontwaardiging en het tijdsverloop sinds het voorval moet er aan worden getwijfeld in hoeverre deze getuigen hun verklaring onbevangen hebben kunnen afleggen. [getuige2] verklaart zelf dat er op de redactie van de Gelderlander veelvuldig over het voorval is gesproken. Volgens de verdediging blijkt uit de verklaringen dat er reeds sprake van oordeelsvorming was waardoor de getuigen de ernst van het gebeuren in hun verklaring extra hebben willen benadrukken.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat niet van een voltooide bedreiging van [slachtoffer1] kan worden gesproken omdat [slachtoffer1] heeft verklaard niets te hebben meegekregen van wat er toen is gebeurd en tussen [slachtoffer2] en verdachte is besproken.

De verdediging meent tenslotte dat bedreiging of dwang alleen mogelijk is ten aanzien van een natuurlijk persoon of een rechtspersoon en niet tegen een onbestemde entiteit als “De Gelderlander”.

Ter zake van de tenlastegelegde dwang heeft de verdediging, onder verwijzing naar berichten in de media, waaronder “De Gelderlander”, betoogd dat niet de vermeende bedreiging de reden was om te besluiten het artikel niet te plaatsen, maar dat die beslissing is genomen door de hoofdredacteur van de Gelderlander om de reden dat moeder en zus van verdachte achteraf hun medewerking aan het interview hebben ingetrokken. Vaststaat dat de moeder van verdachte [slachtoffer1] gesmeekt heeft het artikel niet te plaatsen nog voor dat verdachte bij de Gelderlander verscheen.

Beoordeling

feit 1

Anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer1] en [slachtoffer2] heeft bedreigd, met zware mishandeling.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte meermalen telefonisch tegen [slachtoffer1] heeft gezegd ‘dat krantenartikel wordt niet geplaatst’ of soortgelijke woorden en dat hij vervolgens naar het kantoor van De Gelderlander is gegaan en daar heeft gesproken met [slachtoffer2], waarbij hij opzettelijk op korte afstand van en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer2] heeft gestaan en van die [slachtoffer2] heeft geëist dat een krantenartikel niet werd gepubliceerd, dat hij zijn handen in zijn zakken heeft gestoken en gehouden en dat hij tegen [slachtoffer2] heeft gezegd “ik weet nu hoe je er uit ziet en ik maak je kapot als het gepubliceerd wordt’ en ‘ik maak [slachtoffer1] en De Gelderlander kapot’, in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De bovenstaande bewezenverklaarde feitelijke handelingen leveren in onderling verband en samenhang bezien een bedreiging op als genoemd in artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op de woorden die verdachte heeft geuit en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, heeft bij [slachtoffer2] en [slachtoffer1] de redelijke vrees kunnen ontstaan dat verdachte zijn bedreiging daadwerkelijk zou uitvoeren.

Aangever heeft verklaard dat op het moment dat verdachte zo dicht bij hem stond hij dacht: ‘als ik hier maar ongeschonden uitkom’. Gelet hierop en gelet op de fysieke houding van verdachte ten opzichte van [slachtoffer2], de wijze van spreken van verdachte zoals die uit het dossier naar voren komt (dwingend en in de gebiedende wijs en met stemverheffing) en de opmerking ‘ik weet nu hoe je eruit ziet en ik maak je kapot’, acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gedreigd met zware mishandeling.

De rechtbank baseert de bewezenverklaring op de gedetailleerde aangifte van [slachtoffer2], die op onderdelen wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige1], [slachtoffer1] en [getuige7] en (groten)deels ook door de verklaringen van verdachte zelf.

Voor wat betreft het door de raadsvrouw gevoerde verweer, inhoudende dat ten aanzien van [slachtoffer1] niet van een voltooide bedreiging kan worden gesproken, overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft, nadat hij telefonisch met [slachtoffer1] had gesproken, zich naar diens kantoor (het gebouw van De Gelderlander) begeven en daar –aan de balie- aangegeven dat hij met [slachtoffer1] wilde spreken. Verdachte wilde met [slachtoffer1] spreken over het niet plaatsen van een artikel dat [slachtoffer1] had geschreven. [slachtoffer1] voelde zich echter bang na eerdere telefonische contacten die dag met verdachte en durfde de confrontatie niet aan. Om die reden is aangever [slachtoffer2] met verdachte gaan praten. Verdachte heeft dus in plaats van met [slachtoffer1] met een collega van [slachtoffer1] over het (niet) plaatsen van het artikel gesproken en heeft tegen die collega (onder meer) een bedreiging jegens die [slachtoffer1] geuit, een bedreiging die verband hield met het (niet) plaatsen van het artikel van [slachtoffer1]. Gelet hierop heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bedreiging aan het adres van [slachtoffer1], die hij tegenover de collega uitte, bij [slachtoffer1] terecht zou komen.

Heeft de bedreiging [slachtoffer1] ook daadwerkelijk bereikt? Vast staat dat [slachtoffer1] zelf geen aangifte van bedreiging heeft gedaan. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie worden getrokken dat de in de tenlastelegging bedoelde bedreiging [slachtoffer1] niet heeft bereikt. Uit het dossier blijkt immers dat [slachtoffer1] tegenover de politie heeft aangegeven de veiligheid van zijn gezin centraal te stellen en dat hij om die reden geen aangifte wil doen. Hoewel de rechtbank uit het relaas van de politie niet opmaakt dat [slachtoffer1] doelt op de bedoelde bedreiging maar op de bedreiging die hij in uit zijn eigen (telefonische) contacten met verdachte heeft ervaren, is de afweging die [slachtoffer1] heeft gemaakt om geen aangifte te doen een algemene afweging. Niet kan derhalve worden geconcludeerd dat de tenlastegelegde bedreiging [slachtoffer1] niet heeft bereikt.

Kan worden bewezen dat de bedreiging [slachtoffer1] wèl heeft bereikt?

Uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer1] zich al bedreigd voelde en bang was voor verdachte vóórdat verdachte naar de krant kwam. Dat is de reden dat niet [slachtoffer1] zelf maar aangever met verdachte is gaan praten. Tijdens het gesprek dat dan tussen [slachtoffer2] en verdachte plaatsvindt is [slachtoffer2] bedreigd. [slachtoffer2] heeft aangifte gedaan van bedreiging door verdachte jegens hem, [slachtoffer2]. In de aangifte staat onder meer opgenomen de (letterlijke) bedreiging jegens [slachtoffer1]. Naar aanleiding van deze aangifte heeft de politie vervolgens een onderzoek ingesteld en is [slachtoffer1] gehoord.

Bovendien blijkt uit het dossier dat er binnen De Gelderlander ‘commotie’ is ontstaan naar aanleiding van de bedreiging en dat er (veel) over gesproken is. Ook staat vast dat er in de media aan deze kwestie veel aandacht is besteed. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit een journalist niet zal zijn ontgaan.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat de bedreiging [slachtoffer1] heeft daadwerkelijk heeft bereikt en dat hij zich daardoor (extra) bedreigd heeft gevoeld.

De rechtbank verwerpt derhalve de door de raadsvrouw gevoerde verweren.

Feit 2

De rechtbank overweegt dat voor het voltooide misdrijf van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht zoals dat is tenlastegelegd, vereist is dat dagblad De Gelderlander daadwerkelijk onder dwang iets heeft gedaan, niet gedaan of heeft geduld. Voor een voltooid delict dient datgene wat is gedaan, niet gedaan of geduld dient concreet in de tenlastelegging te worden omschreven en bewezen.

Gelet op de bewoordingen in de tenlastelegging dient bewezen te worden dat op of omstreeks 5 februari 2010 ‘dagblad De Gelderlander’ onder dwang (te weten door de in de tenlastelegging omschreven feitelijke handelingen van verdachte) iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld.

De bedoeling van de krant was om het artikel in de krant van zaterdag 6 februari 2010 te plaatsen. Op 5 februari 2010, zo heeft [slachtoffer2] verklaard, heeft hij besloten om het bedoelde artikel niet te plaatsen omdat zijn indruk was dat de veiligheid van [slachtoffer1] anders gevaar zou lopen. Het artikel is tot op heden niet geplaatst.

Uit het dossier blijkt echter dat op 9 februari 2010 door de verbalisanten Kruimel en Rudiger aan [slachtoffer2] wordt gevraagd of de redactie van de Gelderlander nog voornemens is het artikel waarover ophef is ontstaan te publiceren. [slachtoffer2] antwoordt dan dat hij nog niet weet of het artikel ook daadwerkelijk geplaatst zal worden, ‘omdat De Gelderlander nog bezig was contact op te nemen met de familie [verdachte]’ De rechtbank maakt hieruit op dat kennelijk [slachtoffer2] hier niet het definitieve laatste woord in heeft en dat er een verschil mogelijk is tussen de op 9 februari nog te nemen beslissing van ‘dagblad De Gelderlander’ en de reeds genomen beslissing van [slachtoffer2].

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat op dagblad De Gelderlander is gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden en zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen op 05 februari 2010 te Nijmegen [slachtoffer1] en [slachtoffer2],

heeft bedreigd met zware mishandeling, hierin bestaande dat hij, verdachte, opzettelijk

- meermalen, (telefonisch) heeft gesproken met voornoemde [slachtoffer1] en (daarbij) die [slachtoffer1] meermalen, de woorden heeft toegevoegd: "dat krantenartikel wordt niet geplaatst" of woorden van gelijke aard en/of strekking heeft toegevoegd en

- zich (vervolgens) naar het kantoor van "De Gelderlander" heeft begeven en

(aldaar) heeft aangegeven met voormelde [slachtoffer1] te willen spreken en

- (vervolgens) (aldaar) heeft gesproken met voornoemde [slachtoffer2], waarbij,

verdachte, opzettelijk op korte afstand van en/of tegen het lichaam van die

[slachtoffer2] heeft gestaan en van die [slachtoffer2] heeft

geëist dat een krantenartikel niet werd gepubliceerd en zijn handen in zijn (jas)zakken

heeft gestoken en gehouden en

- voornoemde [slachtoffer2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik weet nu hoe je

er uit ziet en ik maak je kapot als het gepubliceerd wordt" en "Ik maak

[slachtoffer1] en De Gelderlander kapot", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 26 maart 2010 en

• een beknopt reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 10 februari 2010, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De verdediging heeft (ter onderbouwing van de gevoerde bewijsverweren) gewezen op de grote landelijke en regionale belangstelling in de media voor deze zaak en op het gewicht dat in de media aan de ernst van het feit en het gedrag van verdachte wordt toegekend. De raadsvrouwe heeft ook de inhoud van berichtgeving in de media gebruikt ter onderbouwing van haar standpunten. De rechtbank merkt uitdrukkelijk op dat het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op de inhoud van het proces-verbaal van de politie en de behandeling ter terechtzitting en niet op publicaties in de media noch op de mening van de media.

Verdachte heeft, met het doel om te voorkomen dat een artikel over zijn familie zou worden geplaatst, een redacteur die in het kader van zijn werk bij dat artikel betrokken was, in diens kantoor (de vestiging van De Gelderlander) opgezocht en bedreigd. Hij heeft met datzelfde doel ook indirect een collega –de schrijver van het artikel- van die redacteur bedreigd. De redacteur is daadwerkelijk bang geweest dat verdachte zijn bedreiging ten uitvoer zou leggen.

De rechtbank acht dit een ernstig feit.

Nu de rechtbank verdachte vrij heeft gesproken van de onder feit 2 tenlastegelegde dwang, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte rekening met het feit dat hij eerder veroordeeld is voor het plegen van openlijk geweld.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het feit tevens rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van dit geval. Eerder had er een dodelijke aanrijding plaatsgevonden en vervolgens zijn hulpverleners in een ziekenhuis bedreigd, waarbij een familielid van verdachte betrokken zou zijn geweest. Dat maakte dat de krant geïnteresseerd was in de familie van verdachte maar verklaart mogelijk ook waarom verdachte beslist niet wilde dat het artikel werd geplaatst.

Alles overwegende zal de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest opleggen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op 31 maart 2010 de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 51 (éénenvijftig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra, rechter als voorzitter,

mr. M.A.E. Somsen, rechter,

mr. A.M.P.T. Blokhuis, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2010.