Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM1542

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
122894
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis na verzekeringsgeneeskundig deskundigenbericht, nadat eerder al een neurologisch deskundigenrapport was uitgebracht.

De rechtbank blijft bij hetgeen zij in haar laatste tussenvonnissen heeft overwogen en zonder voorbehoud heeft beslist met betrekking tot de bij eiseres geconstateerde ongevalsgevolgen.

De rechtbank benoemt nu een arbeidsdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122894 / HA ZA 05-157

Vonnis van 14 april 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat voorheen mr. J.F. Schultz, thans mr. Chr.D. de Vos te Emmen,

tegen

de naamloze vennootschap

HDI VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe,

behandelend advocaat mr. N.C. Haase te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en HDI genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 maart 2009

- het deskundigenbericht van 22 juni 2009

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van HDI.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het laatste tussenvonnis is de verzekeringsarts [deskundige] als deskundige benoemd om een verzekeringsgeneeskundig deskundigenbericht uit te brengen.

2.2. [deskundige] heeft na bestudering van het procesdossier, in het bijzonder de meest relevante (medische) stukken en de laatste twee tussenvonnissen van de rechtbank, en na eigen onderzoek van [eiseres] zijn rapportage opgesteld. In zijn rapport heeft hij onderzoeksbevindingen weergegeven en vervolgens de hem gestelde vragen als volgt beantwoord:

“Vraag 1:

Wilt u op basis van de neurologische rapportage van drs. [arts1] d.d. 20 september 2001 (productie 1 bij dagvaarding) en de aanvulling daarop bij brief van 6 mei 2003 (productie 6 bij dagvaarding) en de neuropsychologische rapportage van [arts2] - met inachtneming van hetgeen daaromtrent in het tussenvonnis van 10 december 2008 onder 2.8 is overwogen en beslist - de ongevalsgerelateerde beperkingen en mate van belastbaarheid van [eiseres] vaststellen?

Antwoord:

Bij het vaststellen van de beperkingen en de belastbaarheid van betrokkene ben ik er van uitgegaan dat de door de neuroloog [arts1] geconstateerde ‘verminderde belastbaarheid van de nek- en schouderstreek met optredende hoofdpijnen, met nu en dan ook vegetatieve reacties en tintelingen in de handen’ als vaststaand dienen te worden genomen. Deze verminderde belastbaarheid is naar mijn oordeel een gevolg van het in 1999 doorgemaakte ongeval. Voorts zijn deze beperkingen door de rechtbank als vaststaand aangenomen (zie tussenvonnis d.d. 10-12-2008 par. 2.7).

Ik ben bij het vaststellen van de belastbaarheid, voor zover deze het neuropsychologische terrein betreft, niet uitgegaan van beperkingen op cognitief terrein zoals de neuroloog [arts1] deze aanwezig achtte, doch van de bevindingen waartoe het rapport van de neuropsycholoog [arts2] leidt.

Deze neuropsycholoog stelt in zijn rapport dat de door betrokkene gepresenteerde problemen op neuropsychologisch gebied bij zijn onderzoek niet worden geobjectiveerd. Incidenteel zijn er zeer lichte problemen ten aanzien van de aandachts- en geheugenfunctie, doch deze problemen zijn weinig consistent, niet concordant en imponeren niet als organisch cerebraal bepaald.

Bij het op verzekeringsgeneeskundig terrein vaststellen van de belastbaarheid dient bij het aannemen en kwantificeren van beperkingen in eerste instantie uit te worden gegaan van te objectiveerbare [bedoeld zal zijn: objectiveren; rb] afwijkingen en stoornissen en dient, overeenkomstig het in de verzekeringsgeneeskundige gehanteerde M.A.O.C. (medisch arbeidsongeschiktheidscriterium), bij niet te objectiveren maar wel aangegeven belemmeringen bezien te worden of er sprake is van consistentie.

Daar de neuropsycholoog aangeeft dat de ervaren problemen weinig consistent en niet concordant zijn, kunnen deze problemen bij een verzekeringsgeneeskundige weging niet leiden tot het aannemen van beperkingen op het vlak van de aandachts- en geheugenfunctie.

Vraag 2:

Is er naar uw oordeel daarnaast ook sprake van niet-ongevalsgerelateerde beperkingen en/of verminderde belastbaarheid bij het verrichten van loonvormende en huishoudelijke arbeid?

Antwoord:

Ja, betrokkene heeft na een enkelfractuur die zij in het verleden opliep, lichte problemen gehouden met lopen, in die zin dat zij moeilijkheden ondervindt bij het lopen op een oneffen terrein.

Deze moeilijkheden en de daar uit voortvloeiende beperkingen zijn niet gerelateerd aan het ongeval dat betrokkene op 15 september 1999 overkwam.

In het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 10 december 2008 valt in par. 2.8 verder te lezen:

Echter, ook andere - naar de rechtbank begrijpt: niet-ongevalsgerelateerde, bestaande - gezondheidsproblemen van [eiseres] kunnen volgens [arts2] haar algemene functioneren en daarmee haar mentale belastbaarheid negatief beïnvloeden. Ook met dit gegeven zal in een later stadium rekening moeten worden gehouden, bij het in kaart brengen van [eiseres]s ongevalsgerelateerde beperkingen.

Ook ik heb dit zo begrepen uit het rapport van [arts2].

Zonder meer concrete aanwijzingen in die richting heb ik echter op basis van mijn onderzoek en op basis van wat [arts1] en [arts2] in hun rapporten vermelden, niet kunnen vinden. Het is daarmee al in het geheel niet mogelijk nader te kwantificeren in welke mate betrokkene’s algehele functioneren en daarmee haar mentale belastbaarheid negatief worden beïnvloed door niet-ongevalsgerelateerde, bestaande gezondheidsproblemen.

Dit betekent dat het zeer speculatief zou zijn en op verzekeringsgeneeskundig terrein niet wetenschappelijk verantwoord zou zijn om in een belastbaarheidsprofiel in getal en maat niet-ongevalsgerelateerde beperkingen aan te geven op het gebied van de mentale belastbaarheid.

Wel dient naar mijn oordeel er van uitgegaan te worden dat de pijnklachten (uitgaande van de nekregio en van het hoofd) die betrokkene ervaart, ongevalsgerelateerd zijn.

[arts2] geeft in dit kader bij de beantwoording van de aan hem gestelde vragen (ad 3) aan, dat het functioneren van betrokkene kan worden beïnvloed door de ervaren pijnklachten, de verminderde spankracht, de neiging tot sombere reactievorming en de subjectief ervaren vermindering van vitaliteit en energie, de somatische fixatie en het geconditioneerde beeld en de functionele aggravatie.

Van deze door [arts2] opgesomde factoren die betrokkene’s functioneren kunnen beïnvloeden, zijn de ervaren pijnklachten wel ongevalsgerelateerd, de overige factoren zijn dat echter grotendeels niet.

Dat houdt naar mijn oordeel in dat er geen beperkingen ten aanzien van het functioneren kunnen worden aangenomen die als ongevalsgerelateerd dienen te worden beschouwd. Er zijn echter ook geen concrete redenen om niet-ongevalsgerelateerde beperkingen aanwezig te achten, anders da[n] die welke ik vermeldde ten aanzien van het lopen op een oneffen terrein. [arts2] vermeldt in dat kader dat de mentale belastbaarheid van betrokkene bovendien kan worden beïnvloed door pre-existente psychologische factoren, mogelijk eveneens door pre-existente en ten tijde van het ongeval bestaande lichamelijke klachten. Ik heb echter voor het bestaan van dergelijke psychologische factoren en lichamelijke klachten geen concrete aanwijzingen gevonden, behoudens de reeds vermelde enkel klachten die leiden tot een beperking ten aanzien van het lopen op oneffen terrein.

Vraag 3:

Wilt u de door u vastgestelde beperkingen en belastbaarheid in maat en getal omschrijven en verwerken in een FML? Wilt u in het voorkomende geval - voor zover naar uw oordeel aangewezen - de door u in antwoord op vraag 1 en vraag 2 vastgestelde beperkingen en mate van belastbaarheid in afzonderlijke Functionele Mogelijkheden Lijsten opnemen en eventueel daarnaast ook een gecombineerde FML opstellen?

Antwoord:

De ongevalsgerelateerde beperkingen heb ik vermeld in een FML, genaamd FML 1.

De niet-ongevalsgerelateerde beperkingen heb ik vermeld in een FML, genaamd FML 2.

Tot slot heb ik tevens een FML opgesteld, waarin zowel de ongevalsgerelateerde, alsook de niet-ongevalsgerelateerde beperkingen zijn vervat. Deze laatste is genaamd FML 3.

Het betreffen zogenaamde kritische FML’n, dat zijn FML’n waarop alleen de items staan vermeld waarop een onderzocht beperkt wordt geacht of waarop een toelichting aan de orde is.

Vraag 4:

Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

Antwoord:

Er zijn geen verdere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, die van belang kunnen zijn voor een goed begrip van de zaak.”

2.3. Bij het deskundigenbericht bevindt zich, naast de drie door de deskundige opgestelde FML-en, een bijlage getiteld “Commentaren van partijen”, waarin (onder meer) het volgende is vermeld:

“Op 11 juni zond de advocaat van onderzochte mij per e-mail een reactie, verwijzend naar een bijlage gedateerd 29 mei 2009, van de hand van de neuroloog J.U.R. Niewold. Zie hiertoe de bij dit rapport gevoegde betreffende bijlage.

(...)

Mijn reactie op het commentaar van collega Niewold:

Het is juist dat betrokkene klachten aangeeft op cognitief terrein en dat de neuroloog [arts1] uit is gegaan van beperkingen bij betrokkene op cognitief gebied.

Nadien werd echter het neuropsychologisch onderzoek verricht door de neuropsycholoog Verdonk.

Deze komt op grond van zijn onderzoeksbevindingen tot de conclusie dat er bij betrokkene geen concrete stoornissen kunnen worden aangetoond op neuropsychologisch gebied en hij acht de aangegeven problemen t.a.v. de aandachts- en geheugenfunctie weinig consistent.

De rechtbank stelt vervolgens in haar vonnis d.d. 10 december 2008 (onder 2.2) dat de rechtbank de bevindingen en conclusies van deze deskundige over neemt en tot de hare maakt, (...).

De rechtbank stelt ook dat het rapport van Verdonk dus mede tot uitgangspunt zal dienen bij de verdere beoordeling van het geschil.

Ik ben er dus van uit gegaan dat ik het rapport van Verdonk mede als uitgangspunt diende te nemen bij het beoordelen van de belastbaarheid en op grond van dit rapport kan ik niet anders dan geen beperkingen aannemen op cognitief terrein.

De incidentele, zeer lichte problematiek inzake de aandachts- en geheugenfunctie waarvan Verdonk verder spreekt, zijn van een dermate geringe ernst dat dit compatibel blijft met de normaalwaarden die de FML aangeeft voor deze items op cognitief gebied. Hierbij moet men zich er rekenschap van geven dat deze normaalwaarden al uitgaan van geringe eisen die aan een persoon gesteld worden.

Op 10 juni zond de advocate mw. mr. N. Haase mij een commentaar namens de andere partij, HDI.

In dit commentaar wordt mij een achttal vragen gesteld. (...)

Ad vraag 1:

Bij betrokkene was er op het moment van beoordeling weliswaar sprake van een duidelijk overgewicht, zij had een gewicht van 105 kg bij een lengte van 1.78 m, maar er was ook weer niet sprake van een morbide obesitas. Bij het overgewicht dat betrokkene heeft is het niet obligaat, en ook niet per se te verwachten dat er als gevolg van het overgewicht nek- en schouderklachten ontstaan. Om die reden dienen betrokkene’s klachten niet zozeer aan het overgewicht te worden geweten, doch aan het bewuste ongeval, dit in navolging van wat de neuroloog [arts1] in zijn rapport stelt.

(...)

Eindoordeel:

Gezien hetgeen in de commentaren door beide partijen naar voren is gebracht en mijn reactie daar op, is het naar mijn oordeel niet aangewezen om tot een bijstelling van mijn rapport te komen en evenmin om tot een bijstelling van de FML’n te besluiten.”.

2.4. [eiseres] kan zich niet vinden in de bevindingen en conclusies van [deskundige]. Samengevat heeft zij daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Het rapport van [deskundige] is onjuist omdat hij het rapport van de neuropsycholoog [arts2] daarbij tot uitgangspunt heeft genomen en [arts2] tot onjuiste bevindingen en conclusies is gekomen. Voorts heeft [deskundige] miskend dat de rechtbank uitgaat van een stoornis op het gebied van het cognitief en neuropsychologisch functioneren van [eiseres] alsmede van lichte beperkingen met betrekking tot de aandachts- en geheugenfunctie. De in dat verband subjectief bepaalde factoren zoals verminderde spankracht en sombere reactievorming behoren als predispositie voor rekening van de verzekeraar te komen. [deskundige] heeft ook het verkeerde criterium aangelegd bij het beantwoorden van de vraag of beperkingen aanwezig zijn op dit gebied, met hantering van een verkeerde uitleg van het begrip ‘consistentie’. Niet alleen in verband met de ongevalsgerelateerde lichamelijke, maar ook in verband met de ongevalsgerelateerde, ernstige cognitieve beperkingen van [eiseres] had [deskundige] beperkingen moeten duiden in de desbetreffende FML-en, zo meent zij. Bij gebreke daarvan moet het rapport buiten beschouwing worden gelaten en moet een andere verzekeringsgeneeskundige worden benoemd, aldus [eiseres].

2.5. HDI kan zich grotendeels wel vinden in het rapport van [deskundige], behoudens voor wat betreft zijn conclusie dat het forse overgewicht van [eiseres] in de situatie zonder ongeval niet op enig moment ook tot nek- en schouderklachten zou hebben geleid. Overigens heeft HDI opgemerkt dat zij niet op het - volgens HDI onterechte - commentaar van [eiseres] ingaat voor zover dat ziet op de rapportage van [arts2], omdat dat naar haar oordeel een gepasseerd station is. HDI is het eens met het oordeel van [deskundige] dat er geen mee te wegen cognitieve beperkingen zijn.

2.6. De rechtbank blijft bij hetgeen zij in haar laatste tussenvonnissen heeft overwogen en zonder voorbehoud heeft beslist met betrekking tot de bij [eiseres] geconstateerde ongevalsgevolgen. In de (deels herhaalde) kritiek van [eiseres] op het neuropsychologisch rapport van [arts2], die is opgenomen in haar conclusie na het (verzekeringsgeneeskundig) deskundigenbericht van [deskundige], ziet de rechtbank geen aanleiding daarop terug te komen. Allereerst geldt dat [eiseres] eerder, bij conclusie na (neuropsychologisch) deskundigenbericht, met al haar kritiek op het rapport van [arts2] had kunnen en moeten komen. Voor zover er thans nieuwe kritiek op het rapport van [arts2] wordt geuit, is de conclusie van [eiseres] in strijd met de goede procesorde. Los daarvan is de rechtbank er op grond van hetgeen [eiseres] thans heeft aangevoerd niet van overtuigd dat haar op basis van het rapport van [arts2] gebaseerde beslissingen berusten op een juridische of feitelijke misslag die maken dat in een later stadium eindvonnis zal worden gewezen op basis van een ondeugdelijke grondslag (vgl. HR 28 april 2008, NJ 2008, 553).

2.7. Ook het bezwaar van [eiseres] tegen het voortborduren door [deskundige] op het rapport van [arts2] wordt verworpen. Dat was - zie de eerste aan [deskundige] gestelde vraag - nu juist uitdrukkelijk de bedoeling. Het was niet de taak van [deskundige] zelf vaststellingen te doen met betrekking tot de door [eiseres] gepresenteerde klachten. Hieraan doet niet af dat [deskundige] - naar moet worden aangenomen conform de voor zijn beroepsgroep geldende regels - [eiseres] ook zelf heeft onderzocht alvorens zijn rapportage uit te brengen.

2.8. Evenmin wordt gevolgd het betoog van [eiseres] dat [deskundige] in verband met het oordeel van de rechtbank op dit punt niet tot de conclusie had kunnen komen dat er geen sprake is van in de FML te verwerken cognitieve beperkingen. [eiseres] baseert dit betoog op de overwegingen van de rechtbank in het voorlaatste tussenvonnis (rov. 2.8 en 2.9) met betrekking tot het bestaan van een uit de pijnklachten voortvloeiende, incidentele zeer lichte stoornis in de aandachts- en geheugenfunctie van [eiseres], waardoor zij incidenteel een aan het ongeval toe te rekenen, zeer geringe beperking in haar mentale belastbaarheid ondervindt. Het betoog van [eiseres] gaat er ten onrechte aan voorbij dat deze conclusie van de rechtbank de mogelijkheid open laat dat naar verzekeringsgeneeskundige maatstaven geen sprake is van beperkingen die zich laten uitdrukken in een FML. Die situatie doet zich hier kennelijk voor. Wat er ook zij van het op enig moment in zijn rapport door [deskundige] genoemde ‘M.A.O.C’ en de hantering in dat verband van het begrip consistentie, het oordeel van [deskundige] (zoals neergelegd in het antwoord op vraag 1 en de aanvulling daarop in reactie op de vragen van de zijde van [eiseres]; zie hiervoor onder 2.3) komt erop neer dat de incidentele zeer lichte cognitieve klachten die door [arts2] zijn gevonden en door de rechtbank zijn overgenomen - wellicht met, achteraf bezien, een wat ongelukkige (want voorbarige) gebruikmaking van het woord ‘beperkingen’ - , zich niet laten kwantificeren ten behoeve van een FML. Vanuit dit oogpunt doet ook niet ter zake of aan de zeer geringe ‘beperking’ van de mentale belastbaarheid van [eiseres] mede enige voor rekening van HDI komende psychische predispositie ten grondslag ligt, want ook dan laten de precieze gevolgen zich niet in een FML kwantificeren. Ook de hiermee verband houdende, overige bewaren van [eiseres] tegen het deskundigenbericht worden verworpen.

2.9. Het bezwaar dat HDI tegen het deskundigenbericht heeft aangevoerd, wordt eveneens verworpen. [deskundige] heeft in de bijlage bij zijn rapport in reactie op de desbetreffende vraag van HDI gemotiveerd uiteengezet dat en waarom hij het overgewicht van [eiseres] niet beschouwt als relevante, niet-ongevalsgerelateerde oorzaak - ook niet op termijn - voor haar nek- en schouderklachten. HDI heeft vervolgens de BMI van [eiseres] uitgerekend, maar daarmee wordt het duidelijke standpunt van [deskundige] geenszins weerlegd.

2.10. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de conclusies en bevindingen van [deskundige], zoals neergelegd in de door hem op gestelde FML-en, overneemt en tot de hare maakt. Voor de verdere afwikkeling van de zaak gelden de in FML-1 vermelde beperkingen als ongevalsgerelateerd, de in FML-2 vermelde beperkingen - in verband met een enkelfractuur in het verleden - als niet-ongevalsgerelateerd en de in FML-3 opgenomen beperkingen als een combinatie daarvan.

2.11. Zoals in het laatste tussenvonnis is overwogen en beslist (rov. 2.4 en 2.5) zal de rechtbank thans overgaan tot benoeming van mevrouw [deskundige2], arbeidsdeskundige te Zaltbommel, als deskundige ter beantwoording van de reeds eerder in overleg met de partijen geformuleerde, in het dictum weer te geven vragen. Opgemerkt wordt dat de rechtbank aan vraag iii nog heeft toegevoegd ‘voor 24 uur per week’ en dat in vraag vii het woord ‘eventuele’ is weggelaten en de woorden ‘in de drie FML-en behorend bij’ zijn toegevoegd. Zoals reeds is overwogen, zullen de kosten van het arbeidsdeskundig onderzoek van mevrouw [deskundige2] door [eiseres] moeten worden voorgeschoten. Het voorschot is vastgesteld op € 8.092,-- (inclusief omzetbelasting).

2.12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

(i) Welke is de opleiding, wat is het arbeidsverleden en welke zijn de affiniteiten en/of vaardigheden van [eiseres]?

(ii) Heeft [eiseres] voor het ongeval betaalde arbeid verricht? Zo ja, wie waren haar werkgevers en hoe luidde(n) haar functieomschrijving(en)? Wat was de reden van vertrek bij haar vorige werkgevers?

(iii) Hoe reëel acht u de mogelijkheid (eventueel uit te drukken in een kanspercentage) dat [eiseres], het ongeval weggedacht, op 52-jarige leeftijd op de arbeidsmarkt had kunnen herintreden als maatschappelijk werkster in de regio waar zij woont, omstreeks januari 2000 voor 24 uur per week? Wilt u daar zo nodig onderzoek naar verrichten?

(iv) Wat had [eiseres] in een functie als maatschappelijk werkster, op basis van een 24-urige werkweek, vanaf het jaar 2000 netto op jaarbasis kunnen verdienen?

(v) Is/was het gebruikelijk dat in de functie van maatschappelijk werkster er door werkgevers een pensioenbijdrag wordt betaald? Zo ja, hoe hoog is/was die bijdrage?

(vi) Tot welke leeftijd blijven vrouwen in de functie van maatschappelijk werkster werkzaam in het betaalde arbeidsproces?

(vii) Betekenen de ongevalsgerelateerde beperkingen, zelfstandig of in combinatie met niet-ongevalsgerelateerde beperkingen, zoals beschreven in de drie FML-en behorend bij het rapport van de verzekeringsgeneeskundige [deskundige], dat [eiseres] arbeidsdeskundig gezien beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid? Zo ja, in welke mate en wat is eventueel de verhouding tussen de invloed van de ongevalsgerelateerde en de niet-ongevalsgerelateerde beperkingen? Kunt u dit in taken en/of uren per week aangeven? Bent u in staat percentages te noemen?

(viii) Indien u de vorige vraag met ja beantwoordt, kunt u dan aangeven óf en in hoeverre [eiseres] na het ongeval nog wel in staat kon en kan worden geachte de functie van maatschappelijk werkster of een vergelijkbare functie te verrichten? Zo nee, welke onderdelen van de functie van maatschappelijk werkster of een vergelijkbare functie kon en kan [eiseres] na het ongeval niet verrichten?Wilt u in uw antwoord op deze vraag hetzelfde onderscheid maken tussen ongevalsgerelateerde en niet-ongevalsgerelateerde beperkingen als in uw antwoord op vraag vii?

(ix) Welke mogelijkheden tot aanpassing zouden ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid (hebben) kunnen worden getroffen?

(x) Indien geen of onvoldoende (doeltreffende) aanpassingen aangebracht (hebben) kunnen worden, welke andere werkzaamheden, passend binnen het beperkingenprofiel, vallen binnen de interessesfeer en vaardigheden van [eiseres]?

(xi) Wat kon en kan [eiseres] met deze functies op basis van een 24-urige werkweek netto op jaarbasis verdienen?

(xii) Welke taken verrichtte [eiseres] voor het ongeval in het huishouden?

(xiii) Betekenen de ongevalsgerelateerde functiebeperkingen, zoals deze blijken uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige [deskundige], dat [eiseres] arbeidsdeskundig gezien beperkingen ondervindt bij het verrichten van hun huishoudelijk werk?Zo ja, in welke mate? Zijn er ook niet-ongevalsgerelateerde beperkingen van invloed? Zo ja, in welke mate? Kunt u de ongevalsgerelateerde beperkingen in taken en/of uren per week aangeven? Bent u in staat percentages te noemen?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

mevrouw [deskundige2], [adresgegevens]

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

bepaalt dat [eiseres] binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank Sector civiel, roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

bepaalt dat [eiseres] binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 8.092,00 ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat zij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter-commissaris mr. C.M.E. Lagarde,

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 28 juli 2010, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiseres] of voor bepaling datum vonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries, mr. A.E.B. ter Heide en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2010.

Coll.: CL