Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM1261

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
AWB 06/3902
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 2.17, lid 3, Wet IB 2001, zodat de KBL tegoeden aan de ex-echtgenoot van eiseres kunnen worden toegerekend. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, geen aanleiding om te twijfelen aan de echtheid van de zogenoemde ‘instemmingsverklaring’ van de ex-echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/1237 met annotatie van vanArnhem
FutD 2010-1011
V-N 2010/28.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 06/3902

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 26 januari 2010

inzake

[X], wonende te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Hilversum, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag (aanslagnummer [000].H.26) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.978, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 5.993. Tevens is bij beschikking € 658 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.626. De boete is naar evenredigheid verminderd tot € 2.887. De heffingsrente is eveneens naar evenredigheid verminderd tot € 317.

Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld bij rechtbank Haarlem. De rechtbank Haarlem heeft dit beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank Arnhem.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2009 te Arnhem.

Eiseres en haar gemachtigde, mr. [gemachtigde], zijn daar met bericht aan de rechtbank niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A].

Het door eiseres en haar gemachtigde bij de bode ingediende verzoek om uitstel van de zitting is door de rechtbank afgewezen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen en eiseres in de gelegenheid te stellen hierop en op het verhandelde ter zitting te reageren.

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 8 april 2009 nadere inlichtingen verstrekt. Bij deze brief zijn twee bijlagen gevoegd. Een afschrift van deze stukken is aan eiseres gestuurd.

Het proces-verbaal van de zitting is op 14 april 2009 aan partijen toegestuurd.

Partijen zijn vervolgens bij brief van 24 augustus 2009 uitgenodigd voor de zitting op 1 december 2009. Voorafgaand aan deze zitting heeft eiseres, met referte aan de brief waarin zij is uitgenodigd voor deze zitting, op 17 november 2009 nadere stukken toegestuurd en aangegeven dat zij daarop ter zitting een beroep zal doen.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009 te Arnhem.

Eiseres is daar verschenen, tot bijstand vergezeld van haar gemachtigde, mr. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A].

Gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een ‘instemmingsverklaring voor het toerekenen van het vermogen in box III’ overgelegd. Verweerder heeft verklaard tegen de overlegging van dit stuk geen bezwaar te hebben. De rechtbank heeft dit stuk tot de gedingstukken gerekend.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Inleiding

Eiseres is na het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest met [B] (hierna ook: de ex-echtgenoot). De huwelijkse voorwaarden hielden een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen in met een verrekenbeding (het zogenoemde Amsterdamse verrekenbeding).

Op 23 september 2003 is tussen eiseres en [B] een echtscheidingsconvenant opgesteld. Op 2 december 2003 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

De Belastingdienst heeft een renseignement ontvangen dat de ex-echtgenoot een rekening heeft bij de Kredietbank Luxemburg in Luxemburg (hierna: KBL). De ex-echtgenoot is hierover op 8 maart 2002 gehoord door een verbalisant, in aanwezigheid van zijn toenmalige raadsman. Tijdens dit verhoor heeft hij erkend een rekening te hebben bij KBL. Deze rekening is in de loop van 2002 opgeheven.

De ex-echtgenoot heeft in zijn aangiften IB/PVV tot en met 2002 en de aangiften vermogensbelasting tot en met 2000, de saldi van deze rekening bij KBL niet vermeld.

Aangifte en aanslagregeling eiseres en ex-echtgenoot IB/PVV 2002

Op of omstreeks 31 maart 2003 is een zogenoemde T-aangifte op naam van eiseres ingediend voor het jaar 2002. Ook ten name van de ex-echtgenoot van eiseres is op dezelfde datum aangifte IB/PVV 2002 gedaan.

Op 31 oktober 2005 heeft verweerder zowel een brief aan eiseres als aan haar ex-echtgenoot verzonden waarin hij aankondigt dat hij binnenkort zal overgaan tot het opleggen van de aanslag IB/PVV 2002. Hierbij zal een correctie worden toegepast vanwege de tegoeden van buitenlandse vermogensbestanddelen.

Vervolgens is op 15 december 2005 de aanslag IB/PVV 2002 aan de ex-echtgenoot opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 20.645. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van

€ 6.193. Deze aanslag staat nog niet onherroepelijk vast.

Met dezelfde dagtekening legt verweerder de onderhavige aanslag IB/PVV aan eiseres op, waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 19.978. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 5.993. Eiseres is hiertegen in bezwaar gekomen.

Berekening belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Het vermogen van de ex-echtgenoot per 31 december 2002 bedraagt volgens verweerder € 518.192,35 en per 1 januari 2002, € 540.310,17. Het gemiddelde vermogen is dan € 529.251. Hiervan heeft verweerder bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2002 zowel aan eiseres als aan haar ex-echtgenoot 100% toegerekend.

Bij uitspraak op bezwaar is verweerder voor eiseres uitgegaan van een gemiddeld vermogen van € 517.611,50, waarvan aan eiseres op grond van het bepaalde in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001, is toegerekend 50% ofwel € 258.805,75. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is berekend op € 9.626 (€ 258.805,75 minus heffingvrij vermogen

€ 18.146 is € 240.659,75 x 4%). De boete is naar evenredigheid verminderd tot € 2.887.

Hiertegen is beroep ingesteld bij de rechtbank.

Instemmingsverklaring voor het toerekenen van het vermogen in box III

Gemachtigde van eiseres heeft ter zitting van 1 december 2009 een ‘Instemmingsverklaring voor het toerekenen van het vermogen in box III’ overgelegd waarin het volgende is vermeld:

‘ Ondergetekende, [B], (…), verklaart hierbij ermee akkoord te gaan dat de aangebrachte correctie in Box III van € 258.805,75 (50%) over het jaar 2002 ten name van mevrouw [X], (…), geheel (100%) aan hem wordt toegerekend. Mevrouw (…) [X] heeft met het in het buitenland aangehouden tegoed bij KB-Lux niets van doen, omdat deze rekening geopend is door ondergetekende en bestemd was voor de onderneming (…). Mevrouw (…) heeft er nooit kennis van gedragen dat ondergetekende een rekening heeft aangehouden bij de KB-Lux.

Hilversum, 27 november 2009

[B]’

(toevoeging rechtbank: vervolgens is een handtekening geplaatst)

Gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat [B] analfabeet is, dat [B] de verklaring in zijn bijzijn heeft ondertekend, dat het lang heeft geduurd voordat [B] de verklaring heeft ondertekend maar dat de inhoud van deze verklaring overeenkomt met de wil van [B].

3. Geschil

In geschil is:

a. of artikel 2.17 van de Wet IB 2001 toestaat bij eiseres belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking te nemen; en zo ja,

b. de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

Tevens zijn de vergrijpboete en heffingsrente in geschil.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

In artikel 1.2 van de Wet IB 2001 is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder partner:

a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot;

b. de ongehuwde meerderjarige die:

1°. met de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en

2°. samen en uitsluitend met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kiest voor kwalificatie als partner.

2. Voor het kalenderjaar kan tevens voor kwalificatie als partner worden gekozen indien:

a. de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar samen met een ongehuwde meerderjarige heeft gekozen voor kwalificatie als partner en

b. zij uitsluitend door het overlijden van de ongehuwde meerderjarige in het kalenderjaar niet gedurende meer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

3. (…)

4. Een persoon die duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot leeft, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een ongehuwde.

(…)

In artikel 2.17 van de Wet IB 2001 (tekst 2002) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

1. (…) Bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen behoren.

2. Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen respectievelijk tot hun bezit te behoren, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen.

3. De gekozen onderlinge verhoudingen kunnen door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden herzien tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn partner onherroepelijk vaststaat.

4. Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen en een bestanddeel van de rendementsgrondslag wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren indien:

1°. (…)

2°. een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel of een bestanddeel van de rendementsgrondslag niet in de aangiften van de belastingplichtige en zijn partner is opgenomen.

5. (…)

Het tweede tot en met het vierde lid zijn op bestanddelen van de rendementsgrondslag uitsluitend van toepassing indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft.

6. (…)

7. Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft wordt hij voor de toepassing van dit artikel geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest. De keuze wordt gemaakt bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij aangifte.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de buitenlandse vermogensbestanddelen van de ex-echtgenoot op grond van het bepaalde in artikel 2.17 van de Wet IB 2001 bij eiseres in aanmerking kunnen worden genomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij in het onderhavige jaar geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met haar ex-echtgenoot. Verweerder heeft dit weersproken. Nu eiseres en haar ex-echtgenoot op 23 september 2003 een echtscheidingsconvenant hebben opgesteld, het huwelijk op 2 december 2003 door echtscheiding is ontbonden en eiseres haar stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat eiseres en haar ex-echtgenoot in 2002 duurzaam gescheiden leefden. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres en haar ex-echtgenoot in 2002 partners waren in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.

Ook de stelling van eiseres dat het op grond van het bepaalde in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001, niet mogelijk is het bezit van de ex-echtgenoot toe te rekenen aan eiseres kan niet slagen. Het huwelijksvermogensregime is, anders dan eiseres stelt, niet van belang voor de toepassing van dit artikel. Tevens staat vast dat de ex-echtgenoot in het onderhavige jaar in het buitenland vermogensbestanddelen aanhield en dat deze noch in de aangifte van de ex-echtgenoot noch in de aangifte van eiseres over het jaar 2002 zijn opgenomen. Op grond van het vierde lid van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 worden de buitenlandse vermogensbestanddelen dan geacht voor de helft tot het bezit van eiseres te behoren.

Met betrekking tot de vraag of voldaan is aan het bepaalde in artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001, overweegt de rechtbank als volgt.

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een ‘Instemmingsverklaring voor het toerekenen van het vermogen in box III’ (hierna ook: instemmingsverklaring) overgelegd. In deze verklaring is te lezen dat de ex-echtgenoot wil dat de correctie die bij eiseres voor het jaar 2002 in box 3 is aangebracht geheel aan hem wordt toegerekend. Eiseres heeft ter zitting verklaard hiermee in te stemmen.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven te twijfelen aan de echtheid van de instemmingsverklaring. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dit omdat de gemachtigde van eiseres heeft verklaard dat de ex-echtgenoot analfabeet is, dat de ex-echtgenoot de verklaring in zijn bijzijn heeft ondertekend en dat het lang heeft geduurd voordat de ex-echtgenoot de verklaring heeft ondertekend maar dat de inhoud van deze verklaring overeenkomt met de wil van de ex-echtgenoot.

De rechtbank stelt tevens vast dat de aanslagen IB/PVV 2002 die zijn opgelegd aan eiseres en haar ex-echtgenoot nog niet onherroepelijk vaststaan. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001.

Nu is gekozen voor toerekening van de KBL-tegoeden aan de ex-echtgenoot moet de aanslag IB/PVV 2002 ten name van eiseres worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. De boetebeschikking en de beschikking heffingsrente moeten worden vernietigd.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de beroepsprocedure had kunnen worden voorkomen indien de instemmingsverklaring eerder was overgelegd. Voor zover verweerder hiermee heeft willen aangeven dat geen aanleiding bestaat voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten, overweegt de rechtbank als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 mei 2006, nr. 42.449, LJN: AX0985, mag van deze regel worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende.

Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. De ex-echtgenoot van eiseres heeft de instemmingsverklaring pas op 27 november 2009, vlak voor het tweede onderzoek ter zitting, ondertekend. Op het moment van het instellen van het beroep in 2006 had de ex-echtgenoot deze verklaring nog niet ondertekend. Tevens is gesteld noch gebleken dat de ex-echtgenoot al op een eerder moment bereid is geweest om deze verklaring af te leggen. De situatie zoals beschreven in voornoemd arrest van 12 mei 2006 doet zich in dit geval niet voor. De rechtbank vindt dan ook aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting,

0,5 punt voor het verstrekken van inlichtingen met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit omdat in bezwaar reeds een kostenvergoeding is toegekend en eiseres in beroep niet om een aanvullende vergoeding heeft verzocht.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2002 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;

- vernietigt de boetebeschikking;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805, en gelast dat verweerder dit bedrag aan eiseres voldoet;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. A.H.M. Haerkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 26 januari 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.