Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM1254

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
198188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Vordering tot schorsing tenuitvoerlegging eerder vonnis in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 198188 / KG ZA 10-217

Vonnis in kort geding van 25 maart 2010

in de zaak van

1. [eis.1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eis.2],

gevestigd te [vest.plaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eis.3],

gevestigd te [vest.plaats],

eisers,

advocaat mr. R. Le Grand te ’s-Gravenhage,

tegen

de vennootschap naar Duits recht

[VOLKSPHARMA GMBH],

gevestigd te Augsburg, Duitsland,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. van Haersma Buma te Eindhoven.

Eisers zullen hierna [eis.1], [eis.2] en [eis.3] en gezamenlijk ook [eisers]. worden genoemd. Gedaagde wordt Volkspharma GmbH genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eisers].

- de pleitnota van Volkspharma GmbH.

1.2. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is bepaald dat op 25 maart 2010 vonnis zou worden gewezen, met dien verstande dat de motivering van de beslissing pas later volledig op schrift zou worden gesteld. Dat verkorte vonnis is gewezen, waarbij de vordering is afgewezen. De feiten en overwegingen waarop de beslissing steunt worden hierna weergegeven.

2. De feiten

2.1. [eis.1] is enig bestuurder van de Stichting Administratiekantoor ‘[eis.2] Beheer B.V.’, die enig aandeelhouder en bestuurder is van [eis.2]. [eis.2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eis.3].

2.2. Op 12 maart 2010 heeft een kort geding gediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage tussen de partijen Volkspharma GmbH als eiseres en [eis.1] en [eis.2] als gedaagden (nummer 360348 / KG ZA 10-269). In die zaak is op 19 maart 2010 vonnis gewezen.

2.3. In het vonnis is onder meer overwogen (rov. 1.7):

Bij e-mailbericht van 15 januari 2010 heeft [eis.1] aan Volkspharma [GmbH, vzr.], voor zover relevant, bericht:

“(…)

You own the generics and are the owner of the brand Volkspharma. That’s fine be me.

(…)”

2.4. In het vonnis is voorts overwogen (rov. 3.4):

Als niet weersproken staat vast dat eerst Volkspharma ten titel van koop de eigendom van de geneesmiddelen heeft verworven. Gesteld noch gebleken is dat daarna deze goederen door overdracht eigendom zijn geworden van Volkspharma [eis.3] B.V. Daarom wordt als uitgangspunt genomen dat Volkspharma de eigenaar is van de geneesmiddelen. [eis.1] heeft dit zelf bevestigd in de onder 1.7 aangehaalde e-mail van 15 januari 2010.

2.5. Het dictum van het vonnis luidt:

De voorzieningenrechter:

- gebiedt gedaagden om binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis het adres van de opslaglocatie van de geneesmiddelen die in [plaats] waren opgeslagen aan Volkspharma schriftelijk kenbaar te maken;

- gebiedt gedaagden om binnen 48 uur na de betekening van dit vonnis voornoemde geneesmiddelen gereed te hebben staan voor transport op het door gedaagden opgegeven adres, zodanig dat de geneesmiddelen direct kunnen worden ingeladen in het door Volkspharma geregelde transportmiddel;

- bepaalt dat gedaagden een dwangsom verbeuren van € 5.000,- per dag of dagdeel dat zij voornoemde geboden niet nakomen, met een maximum van € 200.000,-;

- bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.6 is vermeld;

- veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Volkspharma begroot op € 1.152,89, waarvan € 816,- aan salaris advocaat, € 263,- aan griffierecht en € 73,89 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

2.6. Volkspharma GmbH is tot executie van het vonnis overgegaan. [eis.1] en [eis.2] hebben aan Volkspharma GmbH bekend gemaakt waar de geneesmiddelen zijn opgeslagen, maar verzetten zich tegen transport van de geneesmiddelen.

3. Het geschil

3.1. [eisers]. hebben gevorderd dat de voorzieningenrechter het vonnis van de voorzieningenrechter te ’s-Gravenhage van 19 maart 2010 zijn kracht tot tenuitvoerlegging bij voorraad ontneemt, door te bepalen dat de executie van het vonnis per direct geschorst wordt en geschorst blijft totdat op het door [eis.1] en [eis.2] in te stellen spoedappel en het door [eis.3] in te stellen derdenverzet is beslist, met veroordeling van Volkspharma GmbH in de proceskosten.

3.2. Volkspharma GmbH voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

spoedeisendheid

4.1. De vordering van [eisers]. is spoedeisend omdat deze betrekking heeft op een rechterlijk bevel op overtreding waarvan dwangsommen worden verbeurd met ingang van 24 maart 2010.

de vordering van [eis.3]

4.2. Volkspharma GmbH heeft bepleit dat [eis.3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe heeft zij erop gewezen dat [eis.3] geen partij was bij het kort geding in ’s-Gravenhage. Volgens Volkspharma GmbH stond voor [eis.3] dus het rechtsmiddel van derdenverzet open, zodat zij op grond van artikel 438 lid 5 Rv niet alleen Volkspharma GmbH had moeten dagvaarden maar ook [eis.1] en [eis.2], wat zij niet heeft gedaan. Volkspharma GmbH wordt hierin niet gevolgd. Aan de ratio van artikel 438 lid 5 Rv is immers voldaan doordat [eis.1] en [eis.2], zij het als eisers, partij zijn in het geding, terwijl het gezien hun proceshouding duidelijk is dat zij zich evenals [eis.3] tegen executie verzetten. [eis.3] is dus ontvankelijk in haar vordering.

4.3. Omdat [eis.3] geen partij was bij het kort geding te ’s-Gravenhage dat heeft geleid tot het vonnis van 19 maart 2010, geldt bij de beoordeling van de thans door haar ingestelde vordering de maatstaf dat de executie van dat vonnis dient te worden opgeschort, tenzij het door haar gepretendeerde eigendomsrecht reeds bij voorbaat onvoldoende aannemelijk moet worden geacht (HR 11 juli 2003, NJ 2004, 570; HR 14 januari 1983, NJ 1983, 267).

4.4. [eis.3] heeft gesteld dat zij als eigenaar van de geneesmiddelen derdenverzet zal instellen tegen het vonnis van 19 maart 2010. Om te voorkomen dat zij op grond van dat vonnis haar geneesmiddelen naar Duitsland ziet verdwijnen, heeft zij samen met [eis.1] en [eis.2] dit executiegeschil aanhangig gemaakt. Ter toelichting op haar stelling dat zij eigenaar is van de geneesmiddelen, heeft [eis.3] aangevoerd dat het de bedoeling van de partijen is geweest dat zij een joint venture zouden oprichten ten behoeve van de verkoop van geneesmiddelen vanuit Nederland in Duitsland en dat daarbij de opzet van de partijen is geweest dat [eis.3] eigenaar van de geneesmiddelen zou worden. Zij wijst voorts op een door Volkspharma GmbH opgesteld contract tussen [eis.3] en Linden-Apotheke, waarin [eis.3] als verkoper van het geneesmiddel Simvastatin optreedt (productie 10 bij dagvaarding).

4.5. Ook als wordt aangenomen dat partijen zaken hebben willen doen op de door [eis.3] uiteengezette basis, kan daaruit niet volgen dat [eis.3] daadwerkelijk eigenaar is geworden van de geneesmiddelen die in geschil zijn. [eis.3] heeft niet gesteld en het is ook niet gebleken hoe zij de eigendom van de geneesmiddelen in haar visie feitelijk heeft verkregen. Onderliggende stukken waaruit zou kunnen blijken dat [eis.3] eigenaar van de geneesmiddelen is geworden ontbreken. Het blijkt niet uit het contract tussen haar en Linden-Apotheke. Dat contract ziet immers niet op eigendomsverwerving door [eis.3] maar op verkoop door haar, het heeft alleen betrekking op het geneesmiddel Simvastatin en het is niet ondertekend. Op grond van het voorgaande moet het door [eis.3] gepretendeerde eigendomsrecht bij voorbaat onvoldoende aannemelijk worden geacht. Er is daarom geen grond voor opschorting van de executie van het vonnis van 19 maart 2010 jegens haar.

De vordering van [eis.3] is dus niet toewijsbaar.

de vordering van [eis.1] en [eis.2]

4.6. [eis.1] en [eis.2] waren wel partij in het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis waarvan de executie in geschil is. Voor de beoordeling van hun vordering geldt dus de maatstaf dat de tenuitvoerlegging van het vonnis slechts kan worden geschorst, indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.7. [eisers]. hebben gesteld dat de Haagse voorzieningenrechter een misslag heeft begaan door niet te oordelen dat Volkspharma GmbH [eis.3] had moeten aanspreken. Voorts is het vonnis van 19 maart 2010 volgens [eisers]. ‘doorspekt met feitelijke onjuistheden’. Zij betogen dat de Haagse voorzieningenrechter in de overwegingen 1.8 tot en met 1.11 en 1.13 ten onrechte heeft overwogen dat de partij waarmee Volkspharma GmbH e-mailde [eis.2] was, dat [eis.1] en [eis.2] niet hebben betwist dat Volkspharma GmbH eigenaar van de geneesmiddelen was, dat [eis.1] in zijn e-mail van 15 januari 2010 de eigendom van Volkspharma GmbH van de geneesmiddelen heeft erkend en dat [eis.1] en [eis.2] de geneesmiddelen in [plaats] in ontvangst hebben genomen en weer hebben doen verwijderen.

4.8. Dat de Haagse voorzieningenrechter zijn oordeel dat Volkspharma GmbH moet worden beschouwd als eigenaar van de geneesmiddelen die in geschil zijn mede heeft gebaseerd op het ontbreken van afdoende verweer terzake, kan niet worden beschouwd als een kennelijk misslag. Weliswaar hebben [eis.1] en [eis.2] in die procedure aangevoerd dat ‘het maar zeer de vraag’ is of Volkspharma eigenaar van de geneesmiddelen is (pleitaantekeningen onder 48), maar dat kan niet worden beschouwd als een uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting. Hetgeen [eis.1] en [eis.2] verder in hun pleitaantekeningen in die procedure hebben aangevoerd (onder 15 en 48) over de eigendom van de geneesmiddelen is toegespitst op de verbintenisrechtelijke relatie tussen de partijen en op hetgeen zij te dien aanzien volgens hen hebben beoogd, en niet op de zakenrechtelijke aanspraken die op de medicijnen geldend kunnen worden gemaakt. Dat is in zoverre dus onvoldoende ter zake dienend.

4.9. Ook de vaststelling in de rechtsoverwegingen 1.8 tot en met 1.11 en 1.13 van het vonnis van 19 maart 2010 dat de daar genoemde e-mails gericht waren aan [eis.2] en het daarmee samenhangende oordeel dat [eis.1] en [eis.2] de geneesmiddelen in [plaats] in ontvangst hebben genomen kunnen niet worden beschouwd als kennelijke misslagen. De e-mailcorrespondentie is gevoerd met [eis.1], die in verschillende hoedanigheden optreedt. Het is gesteld noch gebleken dat [eis.1] en [eis.2] in de procedure te

’s-Gravenhage de aandacht hebben gevestigd op de hoedanigheid waarin [eis.1] deze correspondentie heeft gevoerd. Voor een beoordeling daarvan is in het kader van het onderhavige executiegeschil geen plaats meer.

4.10. In de e-mail van 15 januari 2010 heeft [eis.1] bevestigd dat Volkspharma GmbH eigenaar van de geneesmiddelen is. Dat de Haagse voorzieningenrechter deze bevestiging mede aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, kan gezien de bewoordingen van de e-mail ook niet worden beschouwd als een misslag, al zou in appel of in een derdenverzetprocedure kunnen worden geoordeeld dat dit bericht in weerwil van de bewoordingen ervan anders moet worden begrepen (bijvoorbeeld als erkenning van het recht om geneesmiddelen in Duitsland te importen, zoals gesteld in de dagvaarding in deze procedure onder 37, dan wel als erkenning van de rechten van intellectuele eigendom op de medicijnen en de registratiedossiers, zoals door [eis.1] ter zitting verklaard).

4.11. Het vonnis van 19 maart 2010 berust dus naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag.

4.12. [eis.1] en [eis.2] hebben voorts gesteld dat zij door de toewijzing van de vordering van Volkspharma GmbH in een onmogelijke situatie zijn geraakt. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. Eigenaar van de geneesmiddelen is [eis.3]. Als [eis.1] en [eis.2] aan het vonnis uitvoering geven, dan handelen zij onrechtmatig jegens [eis.3] en worden zij aansprakelijk jegens haar. Doen zij dat niet, dan verbeuren zij dwangsommen jegens Volkspharma GmbH.

4.13. Ook als wordt aangenomen dat [eis.1] en [eis.2] hierdoor in een noodtoestand komen te verkeren, dan nog kan deze noodtoestand niet worden beschouwd als een gevolg van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. De houding van [eis.3] ten aanzien van de executie kan niet als een zodanig feit worden beschouwd, nu gesteld noch gebleken is dat [eis.3] voor 19 maart 2010 een andere houding innam ten aanzien van de eigendom van de geneesmiddelen dan thans, nog daargelaten de vennootschapsrechtelijke verbondenheid tussen [eis.2] en [eis.3] en de positie van [eis.1] daarin. Ook hierin is dus geen grond voor schorsing gelegen.

4.14. De conclusie is dat ook de vordering voor zover ingesteld door [eis.1] en [eis.2] niet toewijsbaar is.

proceskosten

4.15. [eisers]. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Volkspharma GmbH worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eisers]. hoofdelijk in de proceskosten, zo dat als de een betaalt, ook de ander is gekweten, aan de zijde van Volkspharma GmbH tot op heden begroot op € 1.079,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf zeven dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.L.B. Lewin op 25 maart 2010. De motivering van voormelde beslissing is afzonderlijk op schrift gesteld op 8 april 2010.