Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM0874

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
10/49
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Het nemen van een al dan niet procedureel onjuiste beslissing levert geen grond voor twijfel aan de rechterlijke onpartijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

Registratienummer: 10/49

Beschikking van 29 maart 2010

inzake

[verzoekster]., verzoekster tot wraking,

vertegenwoordigd door mr. O. Hammerstein,

en

mr. [A],

in zijn hoedanigheid van voorzieningenrechter in de zaak met nummer [nummer]

1. Procedure

Bij schrijven van 11 maart 2010 heeft eiseres een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. [A].

Mr. [A] heeft bij schrijven van 15 maart 2010 aangegeven niet in de wraking te berusten en heeft zijn zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet.

Op 18 maart 2010 is het wrakingsverzoek tegen mr. [A] ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Hammerstein, advocaat te Amsterdam. Mr. [A] heeft in genoemd schrijven van 15 maart 2010 te kennen gegeven dat hij er geen prijs op stelt te worden gehoord of aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling.

2. Wettelijk kader

2.1 Gelet op artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM (en artikel 14 lid 1 IVBPR) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3. Beoordeling

3.1 Verzoekster heeft op 27 november 2009 [gedaagde] gedagvaard. Op 14 december 2009 is de zaak uitgeroepen en is de mondelinge behandeling van het kort geding aangevangen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 15 december 2009 heeft de voorzieningenrechter voorgesteld om gezien de verstreken tijdsduur de mondelinge behandeling van het kort geding op een nader tijdstip voort te zetten. Na overleg met partijen en hun advocaten heeft de voorzieningenrechter bepaald:

-dat de mondelinge behandeling van het kort geding zal worden voortgezet op een tijdstip omstreeks eind januari/begin februari 2010, waartoe de partijen in overleg met de administratie van de rechtbank en op initiatief van mr. Van Diederen, advocaat van [gedaagde], een nadere datum zullen bepalen, en

- dat tot die tijd, dus voorlopig, uit praktische overwegingen (kort gezegd) [gedaagde] de desbetreffende bedrijfsruimte feitelijk zal ontruimen.

3.2 Bij fax van 10 maart 2010 (abusievelijk gedateerd: 17 december 2009) heeft verzoekster te kennen gegeven haar vorderingen in te trekken, waardoor de geplande voortzetting van de mondelinge behandeling volgens haar geen doorgang hoeft te vinden. Mr. van Diederen heeft tegen deze gang van zaken schriftelijk bezwaar gemaakt. Hij heeft verzocht de mondelinge behandeling door te laten gaan, mede omdat hij ter zitting een reconventionele vordering wenst in te stellen. Mr. [A] heeft bepaald dat de voortzetting van de mondelinge behandeling op 12 maart 2010 doorgang zal vinden en is ondanks schriftelijk protest daartegen van de kant van verzoekster bij die beslissing gebleven, waarna het wrakingsverzoek is ingediend.

3.3 In haar verzoek van 11 maart 2010 stelt verzoekster zich op het standpunt dat mr. [A] blijk heeft gegeven van partijdigheid, althans de schijn heeft gewekt dat hij partijdig is. Reden hiervoor is dat mr. [A] heeft beslist dat de voortzetting van de mondelinge behandeling van het door verzoekster ingestelde kort geding op vrijdag 12 maart 2010 doorgang zou hebben, ondanks de wens tot intrekking door verzoekster van haar vordering in kort geding onder het aanbod van vergoeding van de geliquideerde proceskosten aan de gedaagde. Zij meent dat door de weigering van mr. [A], hij in plaats van zijzelf over handhaving van de vordering beslist en dat mr. [A] er blijk van heeft gegeven de reconventionele vordering ‘interessant’ te vinden. Verzoekster meent dat mr. [A] zich beledigd heeft getoond dat het kort geding niet verloopt zoals hij zich dat had voorgesteld.

3.4 Mr. [A] kan zich met verzoeksters standpunt niet verenigen. Het Procesreglement kort gedingen rechtbank sector civiel/familie (hierna: het Procesreglement) schrijft, evenals de bij de Rechtbank Arnhem gehanteerde handleiding kort geding, voor dat een kort geding nadat dit is uitgeroepen niet kan worden ingetrokken, maar enkel kan worden doorgehaald met instemming van de wederpartij en die ontbreekt. Voor een ambtshalve doorhaling, waarin het Procesreglement ook voorziet, ziet mr. [A] geen aanleiding. Over de toelaatbaarheid van de aangekondigde tegenvordering heeft hij zich niet uitgelaten, aangezien daarover eerst verzoekster - ter zitting – moet worden gehoord. Mr. [A] meent met zijn beslissing over het laten doorgaan van de voortgezette behandeling geen reden tot twijfel aan zijn onpartijdigheid te hebben gegeven.

3.5 Vooropgesteld wordt dat het aan de behandelend rechter is om op verzoek van één of beide partijen of ambtshalve te beslissen over de (wijze van) voortgang van de behandeling van de bij hem aanhangig gemaakte procedure, met inachtneming van de daarvoor geldende procedurele regels. In het Procesreglement is bepaald dat de eisende partij een procedure kan intrekken tot het moment dat de zaak is uitgeroepen (art. 9.1), alsmede dat, nadat de zaak eenmaal is uitgeroepen, de procedure op eenstemmig verzoek van de verschenen partijen of ambtshalve kan worden doorgehaald (art. 14.1).

3.6 In het licht van het voorgaande lijkt de beslissing van mr. [A] om de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding op 12 maart 2010 voort te zetten op voorhand niet onjuist, want in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen uit het Procesreglement. De situatie dat het kort geding zonder meer kon worden ingetrokken, deed zich hier, na de uitroeping van de zaak en de aanvang van de behandeling op 14 december 2009, niet meer voor. Van instemming van de wederpartij met doorhaling van de procedure is geen sprake. Uit de door mr. [A] genomen beslissing blijkt niet van vooringenomenheid of de schijn daarvan, ook niet indien zijn beslissing wordt bezien tegen de achtergrond van de correspondentie omtrent de intrekking van het kort geding, zoals namens verzoekster is betoogd. Mr. [A] heeft niet beslist over (handhaving van) de eis van verzoekster, maar over voortzetting van de mondelinge behandeling van het lopende kort geding, bezien in het licht van de processuele mogelijkheden tot intrekking althans doorhaling daarvan. In dat verband blijkt uit niets van ‘interesse’ van mr. [A] in de tegenvordering en ook niet van diens ‘beledigd zijn’ door het door verzoekster voorgestane procesverloop.

3.7 Het voorgaande - geen (schijn van) partijdigheid – zou overigens ook gelden ingeval mr. [A] een andere beslissing had behoren te nemen. Enkel het nemen van een procedureel onjuiste beslissing levert immers geen grond voor twijfel aan de rechterlijke onpartijdigheid.

3.8 Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. van Linschoten, D.S.M. Bak en C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.M.B. van Eeten op 29 maart 2010.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.