Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM0510

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
196815
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering, ingesteld door de Staat, tot ontruiming van een aantal percelen met zich daarop bevindende paarden en overige dieren en zaken.

Beroep van gedaagden op pachtovereenkomst verworpen omdat bestaan van die overeenkomst voorshands niet aannemelijk is geworden. Ook overigens niet aangetoond dat gedaagden op grond van enig recht of enige titel de percelen in gebruik houden. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 196815 / KG ZA 10-127

Vonnis in kort geding van 31 maart 2010

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat), alsmede het Ministerie van Financiën (Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf), zetelende te 's-Gravenhage,

eiser,

advocaat mr. drs. A. Divis- Stein te Utrecht,

tegen

1. [ged.1],

wonende te [woonplaats],

2. [ged.2],

zonder bekende woon- en verblijfplaats in Nederland en zonder bekende woonplaats elders,

gedaagden,

verschenen in persoon en bijgestaan door hun gemachtigde, de heer M. de Koning.

Partijen zullen hierna de Staat, [ged.1] en [ged.2] (de beide laatsten gezamenlijk [gedn.]) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bijbehorende producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de Staat

- de wijziging c.q. aanvulling van eis

- de pleitnota van [gedn.] met bijbehorende producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Staat, meer in het bijzonder het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB) van het Ministerie van Financiën, is eigenaar van een aantal percelen grond gelegen aan de zuid- en noordoever van de Nederrijn in de gemeenten Overbetuwe, Renkum en Wageningen. Het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is materieel beheerder van de eigendommen van de Staat en is als zodanig naast RVOB beslissingsbevoegd ten aanzien van de ingebruikgeving van die percelen grond.

2.2. De aan de zuidzijde van de Nederrijn en ten westen van de [adres] gelegen percelen grond van de Staat, althans een aantal daarvan, vormen tezamen het gebied ‘de Schoutenwaard’. Dit gebied maakt deel uit van het rivier verruimingsproject Lexkesveer, welk project ten doel heeft maatregelen te treffen voor een betere beveiliging tegen overstromingen en tot herstel van het natuurlijk evenwicht in het rivierengebied. In dat kader heeft Rijkswaterstaat het “Beheerplan Lexkesveer linkeroever” laten opstellen, waarvan de meest recente versie dateert van 2 december 2009. In dit beheerplan staat onder meer vermeld dat de Stichting Het Geldersch Landschap (hierna de Stichting te noemen) de eerst aangewezen organisatie is om het eindbeheer voor de linker (zuidelijke) oever van de Nederrijn uit te voeren. De daarvoor noodzakelijke (Wbr) vergunning is inmiddels door de Stichting aangevraagd en zal naar verwachting vóór 1 april 2010 worden verleend.

2.3. [ged.1] oefent aan de noordzijde van de Nederrijn – op het adres [adres] (waar hij ook woonachtig is) – een agrarisch bedrijf uit, bestaande uit circa 15 hectare grond in eigendom en circa 18 hectare grond in pacht van Staatsbosbeheer. [ged.1] bezit en fokt IJslandse paarden.

2.4. Bij brief van 30 juni 2005 heeft de Staat (de Inspectie der Domeinen van het Ministerie van Financiën, rechtsvoorgangster van RVOB) aan [ged.1] toestemming gegeven om met ingang van 15 maart 2005 - tijdelijk en om niet - de onder 2.2. bedoelde percelen grond, althans een aantal daarvan, in gebruik te nemen. In die brief is een aantal voorwaarden met betrekking tot dat gebruik opgenomen waaronder de voorwaarde dat de ingebruikgeving zou eindigen uiterlijk op 30 december 2005. [ged.1] heeft die brief voor akkoord ondertekend en aan de Staat geretourneerd.

2.5. [ged.1] heeft de percelen grond in ‘de Schoutenwaard’ aanvankelijk - al dan niet in de vorm van een maatschap met [ged.2] - in gebruik genomen door daarop runderen te laten grazen. Na 30 december 2005 is het gebruik door [gedn.] voortgezet.

In of omstreeks 2007 heeft [ged.1] de runderen vervangen door IJslandse paarden.

Tot op heden laten [gedn.] de percelen door die paarden begrazen.

2.6. Bij brief van 9 februari 2006 heeft de Staat (i.c. de Inspectie der Domeinen van het Ministerie van Financiën) aan [ged.1] meegedeeld dat het tijdelijk gebruik van de gronden per 30 december 2005 is geëindigd.

2.7. In het kader van het onder 2.2. genoemde project/beheerplan heeft de Staat aan Ballast Nedam opdracht gegeven werkzaamheden uit te voeren langs de Nederrijn. Die werkzaamheden hebben tussen eind 2007 en eind 2009 plaatsgevonden. Ballast Nedam heeft aan [ged.1] op enig moment in 2007 toestemming verleend om de percelen grond in de Schoutenwaard welke niet direct voor bedoelde werkzaamheden nodig waren, ook na 30 december 2005 te blijven gebruiken, uiterlijk tot 1 oktober 2009. Het project Lexkesveer is op 1 oktober 2009 door Ballast Nedam opgeleverd.

2.8. Toen de Staat van voormeld (voortgezet) gebruik door [ged.1] op de hoogte raakte, heeft de Staat bij brief van 19 september 2008 aan [ged.1] de toegang tot de percelen ontzegd. [ged.1] heeft daaraan geen gehoor gegeven. Na hierop gevolgde correspondentie tussen partijen (met name over de vraag of al dan niet sprake was van pacht van de onderhavige percelen grond door [gedn.]) heeft de Staat bij brief van 2 februari 2009 aan [ged.1] (andermaal) meegedeeld dat het gebruik van de percelen grond sinds 30 december 2005 onrechtmatig is.

2.9. Bij brief van 4 november 2009 heeft Ballast Nedam [ged.1] erop gewezen dat

hij niet langer gebruik kan maken van de betreffende percelen grond.

Hierop heeft [ged.1] bij brief van 6 november 2009 aan Rijkswaterstaat onder meer meegedeeld dat hij de gronden in ‘de Schoutenwaard’ al jarenlang op de juiste wijze beheert met de opfok van runderen en paarden en dat hij dit ook in de toekomst als particulier beheerder wil blijven doen.

2.10. Bij aangetekende brief van 16 november 2009 heeft Rijkswaterstaat [gedn.] gesommeerd de onderhavige percelen van ‘de Schoutenwaard’ uiterlijk op 30 november 2009 geheel “kaal” zonder vee/dieren en andere zaken aan de Staat op te leveren, bij gebreke waarvan een gerechtelijke procedure tot ontruiming zal worden opgestart. [gedn.] hebben aan die sommatie tot op heden geen gevolg gegeven.

2.11. De Staat heeft op 6 januari 2010 een pachtovereenkomst opgesteld waarbij de Staat aan de Stichting de onderhavige gronden in pacht geeft voor de duur van 1 jaar, ingaande op 1 januari 2010 en eindigend op 31 december 2010. Daarna is het de bedoeling van die partijen om de percelen grond aan de Stichting in eigendom over te dragen mede met het oog op de alsdan aan de Stichting te verlenen subsidie door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De Stichting heeft die pachtovereenkomst nog niet ondertekend, omdat de percelen grond nog in gebruik zijn bij [gedn.] De Stichting is inmiddels met diverse partijen - waartoe [gedn.] niet behoren - in onderhandeling over een deskundige invulling van het beheer van de percelen, zodra de pachtovereenkomst definitief is ingegaan.

3. Het geschil

3.1. De Staat stelt dat [gedn.] de onderhavige percelen zonder recht of titel in gebruik houden en daarmee een onaanvaardbare, onrechtmatige inbreuk maken op het eigendomsrecht van de Staat. Volgens de Staat wordt door toedoen van de paarden van [gedn.] tevens schade toegebracht aan de zich op de percelen bevindende knotwilgen en bomen.

3.2. Op grond van het voorgaande vordert de Staat thans samengevat - [gedn.] te veroordelen om ieder gebruik van de percelen ten zuiden van de Nederrijn en ten westen van de [adres], waarvan de kadastrale nummers door/namens de Staat ter terechtzitting nader zijn aangegeven c.q. gewijzigd, binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis te (doen) beëindigen en deze percelen geheel te ontruimen - waaronder in ieder geval, doch niet uitsluitend dient te worden verstaan het (doen) verwijderen van de paarden en eventuele andere dieren en zaken van bedoelde percelen- een en ander versterkt met een dwangsom en zonodig met machtiging deze ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

3.3. De Staat stelt een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen te hebben, omdat er afspraken zijn gemaakt met de Stichting omtrent het beheer van ‘de Schoutenwaard’, welke afspraken eerst geëffectueerd kunnen worden, indien en zodra de percelen vrij van gebruik aan de Stichting kunnen worden opgeleverd. Bovendien zou de pachtovereenkomst reeds per 1 januari 2010 ingaan en een spoedige ondertekening daarvan is noodzakelijk, mede met het oog op het naderend voorjaar waarin het beheer van de gronden op de juiste wijze dient plaats te vinden en voorbereidende maatregelen dienen te worden getroffen in verband met de noodzakelijke, gewenste begrazing door runderen vanaf de periode mei 2010.

3.4. [gedn.] voeren verweer. De kern daarvan is dat volgens hen een mondelinge pachtovereenkomst tussen hen en de Staat tot stand is gekomen. Voorts hebben zij gewezen op de tussen hen en Ballast Nedam gemaakte afspraken om de percelen tijdens de werkzaamheden van Ballast Nedam in het gebied te mogen blijven gebruiken c.q. deze te bewerken. Ten slotte stellen zij zich op het standpunt dat zij de percelen jarenlang met succes hebben beheerd en ook in de toekomst de (particulier) beheerder van de percelen in de Schoutenwaard wensen te blijven, waartoe zij voornemens zijn de percelen in eigendom te verwerven.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang bij de door de Staat gevorderde voorzieningen is gegeven, indien komt vast te staan dat sprake is van een onrechtmatig gebruik van de percelen door [gedn.] In dat geval hoeft de Staat, mede gezien zijn verplichtingen jegens de Stichting, dit gebruik niet langer te dulden. Voldoende is immers komen vast te staan dat de pachtovereenkomst met de Stichting zal ingaan op het moment dat de percelen vrij worden opgeleverd. Voor de beantwoording van de vraag of het gebruik van de percelen door [gedn.] al dan niet rechtmatig is (geweest) is het volgende van belang.

4.2. Vast staat dat in 2005 tussen [ged.1] en de Staat een tijdelijke gebruiks-overeenkomst om niet met betrekking tot de onderhavige percelen tot stand is gekomen. Krachtens deze overeenkomst mocht [ged.1] de percelen uiterlijk tot 30 december 2005 om niet gebruiken. [ged.2] was geen partij bij die overeenkomst, hetgeen blijkt uit het feit dat zij de onder 2.4. genoemde brief niet voor akkoord heeft ondertekend. [ged.2] was dus niet gerechtigd de percelen te gebruiken. Dat het gebruik van de percelen door [gedn.] wellicht op enig moment in de vorm van een maatschap heeft plaats gehad, doet hieraan niet af.

4.3. Tevens staat vast dat [ged.1] (al dan niet tezamen met [ged.2]) na het einde van de gebruiksovereenkomst de feitelijke situatie met betrekking tot het gebruik van de percelen heeft voortgezet, volgens [gedn.] op basis van daartoe met Ballast Nedam gemaakte afspraken. Niet gebleken is echter dat de Staat van die afspraken in kennis is gesteld, laat staan dat de Staat daarmee op enig moment heeft ingestemd.

Dat betekent dat [gedn.] op basis van die afspraken jegens de Staat geen geldige titel voor het gebruik van de percelen bezit. Hierover zou alleen dan anders geoordeeld moeten worden, indien het beroep van [gedn.] op het bestaan van een pachtovereenkomst tussen hen en de Staat, terecht zou zijn. Hierover wordt als volgt geoordeeld.

4.4. Voor de totstandkoming van een pachtovereenkomst is vereist dat tussen partijen wilsovereenstemming heeft bestaan tot het sluiten van een dergelijke overeenkomst.

Bij de beantwoording van de vraag of daarvan in dit geval sprake is geweest, valt in de eerste plaats op dat de Staat zowel in de in gebruikgave in 2005 (vgl. 2.4) als in haar verdere brieven aan [gedn.] is uitgegaan van een (tijdelijk) gebruik om niet. Dat de Staat op enig moment - mondeling dan wel schriftelijk - heeft ingestemd met het bestaan van een pachtovereenkomst tussen hem en [gedn.] is op geen enkele wijze aangetoond. Evenmin heeft de Staat er op enige wijze op aangedrongen dat door van de Pol c.s. een tegenprestatie in de zin van artikel 7:311 BW zou worden geleverd.

[gedn.] hebben met betrekking tot het leveren van een tegenprestatie aangevoerd dat tussen partijen is afgesproken dat de tegenprestatie van [gedn.] niet uit een financiële vergoeding zou bestaan, maar uit het zogenaamd ‘jaarrond’ laten begrazen van de percelen door de paarden van [gedn.] en uit het beheer van de percelen door [gedn.] (met name in de vorm van het plegen van onderhoud aan de weilanden en afrasteringen). Tegenover de uitdrukkelijke betwisting van het bestaan van deze afspraak door de Staat hebben [gedn.] op geen enkele wijze aangetoond dat de Staat deze door [gedn.] verrichte werkzaamheden heeft aanvaard als tegenprestatie(s) in de zin van artikel 7:311 BW. In dit verband wordt voorts overwogen dat de tegenprestaties waarop [gedn.] zich beroepen, werkzaamheden betreffen die moeten worden aangemerkt als het voldoen aan de normale verplichting om een in bruikleen gegeven goed te onderhouden en niet behelzen werkzaamheden/prestaties die uitgaan boven de gebruikelijke verplichtingen van een bruiklener op grond waarvan (een) tegenprestatie(s) in de zin van meergenoemd artikel zou(den) moeten worden aangenomen.

4.5. Op grond van het voorgaande is het bestaan van een pachtovereenkomst tussen partijen voorshands niet aannemelijk geworden. Het beroep van [gedn.] op die overeenkomst wordt daarom verworpen.

Nu ook voor het overige niet is aangetoond dat [gedn.] op grond van enig recht of enige titel de percelen in gebruik houden, is de vordering tot ontruiming toewijsbaar.

Het daartegen gevoerde verweer van [gedn.] dat zij voornemens zijn de percelen in eigendom te verwerven teneinde deze ook in de toekomst als particuliere beheerders te kunnen blijven gebruiken, miskent het beginsel van contracteervrijheid.

De Staat als huidige eigenaar van de percelen is immers niet verplicht de percelen aan [gedn.] te verkopen. De in dat verband door [gedn.] opgeworpen stelling dat een eigendomsoverdracht van de percelen aan de Stichting in strijd met de Europese regelgeving moet worden geacht, is - daargelaten de vraag of dit kort geding wel de plaats is voor een daarover te voeren debat - door [gedn.] niet nader onderbouwd en wordt daarom gepasseerd.

4.6. Nu voldoende is gebleken dat [gedn.] al meermalen zijn gesommeerd de percelen met hun zich daarop bevindende paarden en overige dieren en zaken te verlaten, wordt een termijn van 14 dagen voldoende geacht om de ontruiming te bewerkstelligen.

4.7. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en aan een maximum worden gebonden zoals hierna in het dictum is opgenomen.

4.8. [gedn.] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- dagvaarding € 96,26

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.175,26

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedn.] om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis ieder gebruik van de percelen ten zuiden van de Nederrijn en ten westen van de [kad.gegevens] te (doen) beëindigen,

5.2. veroordeelt [gedn.] om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis de onder 5.1. genoemde percelen geheel te ontruimen, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend dient te worden verstaan het (doen) verwijderen van de paarden en eventuele andere dieren en zaken van voornoemde percelen, en deze percelen vrij van ieder gebruik aan de Staat op te leveren en ontruimd te houden,

5.3. bepaalt dat [gedn.] voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het onder 5.1. en/of 5.2. bepaalde, aan de Staat een dwangsom verbeuren van € 500,--, echter tot een maximum van in totaal € 100.000,-- en met dien verstande dat geen verdere dwangsom verschuldigd zal zijn, indien de Staat gebruik maakt van de onder 5.4. te geven machtiging tot tenuitvoerlegging van dit vonnis,

5.4. machtigt de Staat om, voor zover [gedn.] in gebreke mochten blijven aan de veroordeling onder 5.1. en/of 5.2. te voldoen, de ontruiming zelf te (doen) bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie,

5.5. veroordeelt [gedn.] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.175,26,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J.C van Emden-Geenen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 31 maart 2010.