Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM0480

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-04-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/468
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet OB. Levering van een schip. Schip ligt ten tijde van sluiten koopovereenkomst in Duitsland en wordt door de koper naar Nederland gevaren. De levering vindt daarna in Nederland plaats. De rechtbank oordeelt dat het schip in verband met de levering is vervoerd van Duitsland naar Nederland en dat de koper een intracommunautaire verwerving verricht in Nederland, waardoor de teruggaaf van voorbelasting wegvalt tegen de verschuldigdheid aan OB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/37.24.28
FutD 2010-0932
NTFR 2010/1628 met annotatie van Mr. A.J. Blank
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/468

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 8 april 2010

inzake

V.o.f. [X], gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: drs. [gemachtigde],

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Eiseres heeft in haar aangifte omzetbelasting over het tijdvak maart 2008 verzocht om teruggaaf van een bedrag van

€ 422.750 aan voorbelasting.

Bij beschikking van 13 juni 2008 heeft verweerder het verzoek om teruggaaf afgewezen en het bedrag van de teruggaaf vastgesteld op nihil.

Bij uitspraak op bezwaar van 12 december 2008 heeft verweerder de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 22 januari 2009, ontvangen bij de rechtbank op 23 januari 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010 te Arnhem.

Eiseres en haar gemachtigde zijn - met bericht aan de rechtbank bij brief van 19 februari 2010 - niet ter zitting verschenen. De gemachtigde van verweerder, mr. [gemachtigde], heeft desgevraagd laten weten ook niet ter zitting te zullen verschijnen, nadat de rechtbank hem ervan op de hoogte had gesteld dat namens eiseres niemand ter zitting aanwezig zou zijn en dat de rechtbank geen vragen aan verweerder had. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Eiseres houdt zich bezig met de exploitatie van motorpassagiersschepen. Vennoten van eiseres zijn [A] (hierna: [A] en [B] (hierna: [B]).

Bij overeenkomst van 22 februari 2008 heeft eiseres van mr.[C], handelende in zijn hoedanigheid van een van de curatoren in het faillissement van [D] B.V. (hierna: curator [C]), het motorpassagiersschip met de naam [D] gekocht voor een bedrag van € 2.225.000 (exclusief omzetbelasting). In de koopovereenkomst is opgenomen dat de koopprijs wordt vermeerderd met 19% omzetbelasting (€ 422.750), ongeacht of deze rechtens al dan niet verschuldigd is. De totale koopprijs inclusief omzetbelasting bedroeg derhalve € 2.647.750.

Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond het schip zich in [Q], Duitsland.

Na het sluiten van de overeenkomst is [A] met het schip naar Nederland gevaren.

Bij notariële akte van 3 maart 2008 is het schip aan eiseres geleverd. Op dat moment was het schip gelegen in [Z].

Ter zake van de levering hebben de curatoren van [D] B.V. bij factuur van 10 maart 2008 aan eiseres de koopprijs van

€ 2.225.000, vermeerderd met een bedrag van € 422.750 aan omzetbelasting, in rekening gebracht.

Eiseres heeft in haar aangifte over het tijdvak maart 2008 verzocht om het aan haar in rekening gebrachte bedrag aan omzetbelasting van € 422.750 terug te geven. Verweerder heeft de teruggaaf van dit bedrag geweigerd.

3. Geschil

In geschil is of eiseres over het tijdvak maart 2008 recht heeft op teruggaaf van een bedrag van € 422.750, welk bedrag als omzetbelasting in verband met de levering van het schip aan haar in rekening is gebracht.

In dat kader is primair in geschil wat de plaats van levering van het schip is. Partijen twisten over de vraag of het schip in verband met de levering van Duitsland naar Nederland is vervoerd, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid onder a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). In dat geval is de plaats van levering namelijk de plaats waar het vervoer is aangevangen, dus Duitsland. Eiseres zou dan in Nederland een intracommunautaire verwerving hebben verricht (zoals bedoeld in artikel 17a, eerste lid, en artikel 17b, eerste lid, van de Wet OB), hetgeen een belastbaar feit is bij eiseres ingevolge artikel 1, onderdeel b, van de Wet OB.

4. Beoordeling van het geschil

Voor de vraag of het schip van Duitsland naar Nederland is vervoerd in verband met de levering aan eiseres is van belang of er afspraken tussen koper en verkoper zijn geweest over het vervoer. In de koopovereenkomst zijn over het vervoer geen afspraken vastgelegd, maar uit de hieronder vermelde stukken volgt dat er wel mondelinge afspraken zijn gemaakt over het vervoer van het schip in verband met de levering. Het gaat dan om de volgende stukken:

o De brieven van 26 februari 2008 van de notaris aan eiseres en aan de mede-curator van [D] B.V., mr.[F] (hierna: curator [F]), waarin de notaris het mogelijke BTW probleem aan de orde stelt in verband met de plaats waar het schip gelegen is.

o De brief van 27 februari 2008 van de notaris aan curator [F], waarin de notaris schrijft dat met het varen van het schip van Duitsland naar Nederland het BTW probleem is opgelost.

o De volmacht die de curatoren op 27 februari 2008 hebben gegeven aan [A] en [B] om met het schip van Duitsland naar Nederland te varen.

o Het faillissementsverslag van de curatoren van [D] B.V. van 27 juni 2008, waarin op pagina 4 staat vermeld dat het schip naar Nederland was gevaren teneinde verschuldigdheid van Nederlandse omzetbelasting te bewerkstelligen.

o Het verslag van het horen op 18 augustus 2008, waar in de eerste alinea onder meer de volgende weergave is opgenomen van de verklaringen namens eiseres: “Bij het voeren van de onderhandelingen lag het schip in Duitsland. In een fax van 26 februari 2008 aan v.o.f. [X] wijst de notaris er op dat de levering zou plaatsvinden in Duitsland. De heer [A] heeft daarop contact gehad met de heer [C]. De heer [C] heeft de heer [A] gevraagd het schip van Duitsland naar Nederland over te brengen. De heer [A] heeft hiervoor gezorgd. Het schip is op 29 februari in [Z] afgemeerd. Tijdens het vervoer was er regelmatig contact met de curator. Na aankomst van het schip in [Z] is de curator daar direct over geïnformeerd.”

Met name de omstandigheid dat koper [A], na het sluiten van de koopovereenkomst en op verzoek van de curator/verkoper, zelf voor het vervoer van het schip naar Nederland heeft gezorgd, maakt naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat een afspraak over het vervoer tot stand is gekomen tussen koper en verkoper in samenhang met het feit dat in de koopovereenkomst was afgesproken dat verkoper het schip aan koper zou leveren. Het vereiste verband tussen het vervoer en de levering is daarmee gegeven.

De reden voor het vervoer voorafgaand aan de levering (kennelijk: een poging om te bewerkstelligen dat de plaats van levering Nederland is) is voor de beoordeling niet relevant. Ook is niet van belang dat eiseres mogelijkerwijs niet begreep wat de reden van de overbrenging naar Nederland voorafgaand aan de levering op 3 maart 2008 was, zoals zij heeft aangevoerd. Voldoende is dat er een verband is tussen vervoer en levering.

Niet van belang is verder of het schip voor, tijdens of na het vervoer is geleverd. Ook is niet van belang wie het schip heeft vervoerd. De omstandigheid dat [A] tijdens het vervoer nog niet de beschikkingsmacht had over het schip kan er dus - anders dan eiseres meent - niet toe leiden dat geen sprake is van ‘vervoer in verband met de levering’ (zie in dit verband onderdeel 5.10 van de conclusie van A-G Overgaauw voor HR 13 maart 2009, nr. 43.265, BNB 2009/122, LJN: BB3875).

Uit het voorgaande volgt dat het schip van Duitsland naar Nederland is vervoerd in verband met de levering aan eiseres op 3 maart 2008. Nu de goederen zijn vervoerd van de ene lidstaat, Duitsland, naar de andere lidstaat, Nederland, heeft eiseres op grond van artikel 17a en 17b van de Wet OB in Nederland een intracommunautaire verwerving verricht. Nederland was immers de plaats van aankomst van het vervoer. Dit levert voor eiseres een belastbaar feit op in Nederland, met als gevolg dat zij de omzetbelasting ten aanzien van de verwerving had moeten aangeven en de betreffende voorbelasting tegelijkertijd daarop in aftrek mocht brengen. Per saldo komt haar aangifte dan uit op nul, zodat zij geen recht heeft op een teruggaaf.

De omstandigheid dat op de factuur geen BTW-identificatienummer staat vermeld, doet niet af aan de intracommunautaire verwerving en dus ook niet aan de aanwezigheid van het belastbare feit. Vermelding van het BTW-identificatienummer is immers geen constitutief vereiste voor belastingplicht bij intracommunautaire verwerving (vgl. HR 18 juni 2004, nr. 38 783, BNB 2004/316, LJN: AN8721).

Ook is er geen aanleiding om aan te nemen dat de aangifte in een ander tijdvak had moeten plaatsvinden, zoals eiseres aanvoert. Op grond van artikel 17g, tweede lid, van de Wet OB wordt de intracommunautaire verwerving verricht op het tijdstip waarop de aan de verwerving ten grondslag liggende levering plaatsvindt. Vaststaat dat de levering op 3 maart 2008 is verricht. De intracommunautaire verwerving is dan ook op 3 maart 2008 verricht, en dus niet ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in februari 2008. De omzetbelasting is op grond van artikel 17g, derde lid, van de Wet OB verschuldigd geworden op 10 maart 2008, aangezien toen aan eiseres de factuur van de curatoren is uitgereikt.

Gelet op het voorgaande moet verweerder worden gevolgd in zijn primaire standpunt.

Zijn subsidiaire standpunt over de verleggingsregeling van artikel 24ba van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 behoeft dus geen behandeling.

Het beroep van eiseres op het Besluit van 19 april 2007, VN 2007/26.26, thans vervangen door het Besluit van 12 februari 2009, VN 2009/11.21 (hierna: het Besluit), kan haar niet baten. Het Besluit betreft namelijk beleidsregels in verband met het weigeren of naheffen van de aftrek van ten onrechte of teveel in rekening gebrachte omzetbelasting, terwijl in het onderhavige geval de aftrek van voorbelasting niet is geweigerd of nageheven. De verzochte teruggaaf is namelijk geweigerd omdat tegenover de wel toegestane aftrek van voorbelasting ook een eigen verschuldigdheid van omzetbelasting van eiseres staat, namelijk de verschuldigdheid van omzetbelasting die het gevolg is van de intracommunautaire verwerving. Het Besluit is dus niet van toepassing op de situatie van eiseres. De stellingen van eiseres over de vraag of zij zorgvuldig heeft gehandeld, zijn daarom niet relevant voor de beoordeling en kunnen onbesproken blijven.

Gezien het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en

mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 8 april 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.