Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM0013

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
180743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis waarin aan eiseressen de gelegenheid was geboden hun vordering te veranderen, te vermeerderen of te verminderen. Akte niet dienen verleend; eiseressen hebben dus geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid. Gevolg: niet voldaan aan stelplicht. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 180743 / HA ZA 09-211

Vonnis van 27 januari 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STICHTING SOG HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOTEL Y BOULEVARD MONUMENTEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TANKSTATION KRAMER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TANKSTATION SLOTERMEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. B.W.M. Zegers te Volendam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLIECENTRALE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. M.H.S. Verhoeven te Rotterdam.

Partijen zullen hierna eiseressen en gedaagde worden genoemd en voorts als volgt worden aangeduid:

- eiseres sub 1 als SOG Holding

- eiseres sub 2 als Hotel Y Boulevard Monumenten

- eiseressen sub 3 en 4 gezamenlijk als tankstations

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 juli 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 23 november 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiseressen zijn aan elkaar gelieerd. De heer Mohamed Selim (hierna: Selim) is directeur van SOG Holding.

Volgens een door eiseressen overgelegd uittreksel uit het handelsregister betreffende Gulf Baarsjes is Gulf Baarsjes B.V. een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan Slotermeer Investment B.V. in de periode van 6 april 2005 tot 29 november 2007 directeur en enig aandeelhouder was. En volgens een eveneens door eiseressen overgelegde hypotheekakte was Selim op 2 juni 2008 directeur van Slotermeer Investment B.V.

2.2. Gedaagde is een leverancier van brandstoffen. Zij heeft brandstoffen geleverd aan Tankstations. Deze leveranties geschiedden aanvankelijk op factuurbasis en later op rekening-courantbasis.

2.3. Gedaagde heeft ook brandstoffen geleverd aan Tankstation Gulf Baarsjes, in de stukken ook wel aangeduid als “Chassestraat” en “Chassestraat 8” (hierna: Gulf Baarsjes). Dit tankstation was tot eind november 2007 eigendom van Selim (dan wel een vennootschap van hem). Selim heeft Gulf Baarsjes eind november 2007 verkocht aan iemand, die dat tankstation als eenmanszaak heeft voortgezet. Gedaagde heeft brandstoffenleveranties aan Gulf Baarsjes in rekening gebracht aan Tankstations.

2.4. Gedaagde heeft een werknemer in dienst gehad, genaamd De Jager. Hij was bij gedaagde de relatiebeheerder van Tankstations en ook belast met de administratieve verwerking van de leveranties, de facturering en de betalingen. In januari 2008 is De Jager in dienst getreden bij Tankstations. Voor Tankstations onderhield De Jager vervolgens het contact met gedaagde.

2.5. Op 2 juni 2008 heeft Hotel Y Boulevard Monumenten een hypotheek verstrekt aan gedaagde op een tweetal als hotel in gebruik zijnde bedrijfspanden aan de Prins Hendrikkade 144 en 145 te Amsterdam tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen gedaagde te vorderen had van Tankstations.

Gedaagde heeft bij deurwaardersexploit van 10 oktober 2008 de veiling van genoemde met hypotheek belaste panden aangezegd tegen 15 december 2008. De veiling is voorkomen doordat door of namens Tankstations een bedrag van € 627.500,00 is gestort op de derdenrekening van de advocaat van gedaagde.

2.6. Bij de stukken bevinden zich een aantal rapportages betreffende de financiële verhouding tussen Tankstations en gedaagde, waaronder een rapportage d.d. 8 september 2009 van R.A. Breed van Eelman & Partners, dat is opgesteld in opdracht van Selim. Daarin wordt gedaagde OCN genoemd. De conclusie van die rapportage luidt:

Uit een totaaltelling van alle in de onderzoeksperiode ontvangen nota’s en alle in de betreffende periode verrichte betalingen blijkt, dat u een vordering op OCN heeft, welke onderstaand is samengevat:

€ €

Door OCN volgens administratie vennootschappen

in rekening gebrachte leveringen:

- Tankstation Slotermeer, Burg. Fockstraat 4.212.936

- Tankstation Kramer, Industrieweg 3.924.789

- Tankstation Slotermeer, Chassestraat 704.577 8.842.302

Door vennootschappen aan OCN betaald 8.806.721

Door notaris aan OCN betaald 677.500

9.484.221 Totaal (te veel betaald door vennootschappen) 641.919

Volgens OCN zijn meer bedragen gefactureerd dan de facturen die wij in de administratie hebben aangetroffen. Het betreft een verschil van € 522.620,44 (zie bijlage).

In het overzicht ter bepaling van het verschil is één creditfactuur (factuurnummer 721613894 dd. 31-10-2007 ten bedrage van € 33.735,34), zie bijlage 4, ter zake van onjuist toegepaste tarieven van leveringen verwerkt. De heer Selim is van mening dat hij nog recht heeft op meerdere creditfacturen. Deze hebben wij niet aangetroffen in de administratie en zijn derhalve niet in dit overzicht verwerkt.

[…]

3. Het geschil

3.1. Eiseressen vorderen na hun eis te hebben verminderd – samengevat – de veroordeling van gedaagde tot betaling van primair een bedrag van € 1.573.833,80, waaronder € 6.422,00 voor buitengerechtelijke incassokosten, subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Aan hun vordering leggen eiseressen het volgende ten grondslag.

Gedaagde heeft onrechtmatig gehandeld jegens eiseressen door het welbewust te doen voorkomen alsof zij een schuld hadden aan gedaagde. Dit is gebeurd door de nota’s bestemd voor Gulf Baarsjes op te tellen bij de nota’s voor Tankstations en voorts wellicht doordat De Jager, die aanvankelijk in dienst was van gedaagde maar later in dienst is getreden van Tankstations, iets in de boeken van gedaagde heeft gedaan waardoor betalingen aan gedaagde niet ten gunste van Tankstations zijn geboekt, maar op andere wijze.

Daardoor is schade ontstaan. Deze bedraagt in hoofdsom € 1.567.411,80 en bestaat uit:

- een bedrag van € 900.000,00. Dit bedrag is betaald voor de toekenning van het recht van koop op de geplaatste aandelen in het kapitaal van Hotel Y Boulevard Monumenten. De koper heeft het vertrouwen verloren en zal het recht van koop niet uitoefenen, zodat het aanbetaalde bedrag zal moeten worden terugbetaald;

- een bedrag van € 641.919,00. Dit bedrag is door of namens Tankstations te veel en dus onverschuldigd betaald aan gedaagde;

- een bedrag van € 25.492,80 wegens advocaatkosten. Deze zijn gemaakt doordat gedaagde een waardeloze hypotheek heeft doen vestigen en heeft getracht het met hypotheek bezwaarde goed uit te winnen.

3.3. Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

4.1. Op iedere eisende partij in een gerechtelijke procedure rust een stelplicht. Deze stelplicht houdt kort gezegd in dat een eisende partij voldoende dient te stellen en, in het licht van het gevoerde verweer, voldoende feitelijk dient te onderbouwen om de vordering, indien de gestelde feiten in rechte komen vast te staan, toewijsbaar te kunnen doen zijn.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de stellingen van eiseressen, ook indien de juistheid daarvan in rechte zou komen vast te staan, niet leiden tot de conclusie dat gedaagde onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Aldus hebben eiseressen niet aan hun stelplicht voldaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3. Volgens eiseressen bestaat dit onrechtmatig handelen van gedaagde eruit dat zij het welbewust heeft doen voorkomen alsof eiseressen een schuld hadden aan gedaagde.

Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat gedaagde nota’s bestemd voor Gulf Baarsjes heeft opgeteld bij de nota’s voor de Tankstations. Ter onderbouwing van dit standpunt van eiseressen heeft Selim namens hen ter comparitie verklaard:

Tot oktober 2007 was ik eigenaar van het tankstation aan de Chassestraat. Toen heb ik dat tankstation verkocht aan een landgenoot van mij. Ongeveer 60% van de inkomsten van dat tankstation kwamen binnen via een pinautomaat. Het kostte enige tijd voordat codes en dergelijke waren aangepast. Daardoor kwamen die inkomsten gedurende een a twee maanden na de overdracht op mijn bankrekening terecht. In verband daarmee heb ik brandstoffen voor de Chassestraat besteld en ook betaald. De koper van dat tankstation heeft overigens ook rechtstreeks bij OCN bestellingen geplaatst. Accountmanager Jeanine bij OCN heb ik van de verkoop op de hoogte gesteld. Ik heb haar gevraagd contact op te nemen met de nieuwe eigenaar en ik weet dat zij dat ook heeft gedaan. Na die periode van een a twee maanden heb ik ook nog bestellingen voor de Chassestraat bij OCN gedaan. Dat was om te helpen. Ik hoef toch niet te betalen voor bestellingen voor een tankstation dat niet mijn eigendom is.

4.4. Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende. Als uitgangspunt geldt dat een partij bij een overeenkomst gebonden is aan de verplichtingen die voor hem daaruit voortvloeien. Selim heeft ter comparitie verklaard dat hij – naar moet worden aangenomen: namens Tankstations – brandstoffen heeft besteld bij gedaagde, niet alleen voor Tankstations maar ook voor Gulf Baarsjes. Ten aanzien van deze bestellingen heeft Tankstations dus overeenkomsten gesloten met gedaagde. Tankstations en gedaagde zijn de partijen bij deze overeenkomsten. Gezien het hierboven geformuleerde uitgangspunt rusten de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen in verband met de levering van brandstoffen op Tankstations. Dat geldt dus ook met betrekking tot de leveringen aan Gulf Baarsjes. Dat Selim Gulf Baarsjes inmiddels had verkocht, doet niet ter zake.

Uit de mededeling van Selim aan gedaagde dat hij Gulf Baarsjes had verkocht, heeft gedaagde immers niet behoeven af te leiden dat Tankstations de bestellingen voor of namens Gulf Baarsjes deed, te meer niet nu Selim, zoals hij uitdrukkelijk heeft verklaard, na de overdracht van Gulf Baarsjes niet alleen brandstoffen ten behoeve van haar heeft besteld maar ook heeft betaald.

Van onrechtmatig handelen door gedaagde door de kosten voor brandstofleveranties voor Gulf Baarsjes in rekening te brengen bij Tankstations, is dan ook geen sprake, ook niet als de stellingen van eiseressen in rechte zouden komen vast te staan..

4.5. Hun standpunt dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld, onderbouwen eiseressen in de tweede plaats met de stelling dat De Jager wellicht iets in de boeken van gedaagde heeft gedaan waardoor betalingen aan gedaagde niet ten gunste van Tankstations zijn geboekt, maar op andere wijze. Dit is niet meer dan een suggestie, waarvoor geen enkele concrete aanwijzing bestaat. Naar hun aard zijn suggesties veelal vaag en weinig concreet en daarop vormt deze suggestie geen uitzondering. Ter onderbouwing van het gestelde onrechtmatig handelen is dit volstrekt onvoldoende. Ook op deze grond kan de conclusie dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld, niet worden gebaseerd.

4.7. De vordering kan dus niet op grond van onrechtmatig handelen aan de zijde van gedaagde worden toegewezen.

4.8. Eiseressen baseren hun vordering tot betaling van € 641.919,00 tevens op onverschuldigde betaling. Zij verwijzen ter onderbouwing van hun stelling dat onverschuldigd is betaald, naar het in r.ov. 2.6 bedoelde rapport van Eelman & Partners.

4.9. De rechtbank overweegt allereerst het volgende. Eiseressen dienen, ter voldoening aan hun stelplicht, te stellen welk bedrag elk van hen onverschuldigd heeft betaald. Echter, volgens het petitum vorderen eiseressen tezamen (“SOG cs”) het volledige, naar zij stellen onverschuldigd betaalde, bedrag. Het lijkt erop dat eiseressen, in elk geval in het kader van deze procedure, zichzelf als één geheel beschouwen, maar dat is uit juridisch oogpunt onjuist: eiseressen zijn vier verschillende van elkaar te onderscheiden rechtspersonen, dus aparte entiteiten met van elkaar gescheiden vermogens. Desgevraagd heeft Selim namens eiseressen ter comparitie de vraag wie van eisers de vorderingen heeft, ook niet kunnen beantwoorden. Volgens het proces-verbaal van comparitie heeft Selim immers verklaard:

Ik zou u zo niet kunnen zeggen welke schadevorderingen elk van de eisende partijen heeft. Zij zijn juridisch aan elkaar gelieerd en uiteindelijk lijdt Stichting SOG Holding de schade.

4.10. De rechtbank zal eiseressen in de gelegenheid stellen hun vordering te veranderen, te vermeerderen dan wel te verminderen in verband met hetgeen hiervoor is overwogen.

4.11. Volgens het rapport van Eelman & Partners bestaat een verschil van € 641.919,00 tussen de volgens de administratie van gedaagde aan de vennootschappen in rekening gebrachte leveringen en de in verband daarmee gedane betalingen in de periode van 23 maart 2006 tot en met 7 juli 2008. Overigens zijn bij die leveringen kennelijk ook leveringen aan Gulf Baarsjes (in het rapport aangeduid als: Tankstation Slotermeer, Chassestraat) meegeteld, hetgeen gezien het standpunt van eiseressen dat zij niet aansprakelijk zijn terzake die leveringen, opmerkelijk is.

In het rapport staan overigens met betrekking tot de opzet van het onderzoek en de gegevens waarop dat is gebaseerd, een aantal opmerkingen. Reeds die opmerkingen leiden tot de conclusie dat bepaald niet vaststaat dat sprake is van onverschuldigde betaling, laat staan van een bedrag van € 641.919,00. Gedaagde betwist gemotiveerd dat bedragen onverschuldigd zijn betaald.

4.12. De rechtbank acht het voorshands nodig een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.13. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige, een accountant, en dat de voor te leggen vragen dienen te zijn gericht op de vaststelling van de omvang van de leveranties door gedaagde aan eiseressen en aan Gulf Baarsjes, de door gedaagde aan eiseressen gefactureerde bedragen en de door of namens eiseressen aan gedaagde in mindering op die facturen betaalde bedragen. Bij de vraagstelling zal de eventuele verandering, vermeerdering dan wel vermindering van eis in aanmerking moeten worden genomen.

4.14. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door eiseressen moeten worden betaald.

4.15. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 februari 2010 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen, mr. O. Nijhuis en mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010.