Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL9486

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
197055
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vraag die voorligt, is of eiser dwangsommen heeft verbeurd omdat hij niet of onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling in het vonnis van 22 februari 1996.

Eiser is onder 3.1. in het vonnis van 22 februari 1996 veroordeeld om zijn pand in eigendom over te dragen aan gedaagde binnen één week nadat eiser zijn nieuwe bakkerij in een ander pand in gebruik heeft genomen.

Onder 2.3. in het vonnis heeft de rechtbank overwogen dat het er op neer komt dat het pand niet eerder overgedragen hoeft te worden dan nadat de door eiser genoemde zaken zijn gerealiseerd, die volgens hem aldus de rechtbank in het vonnis, verband houden met de verbouwing van het pand waarin de nieuwe bakkerij wordt gevestigd. Over die verbouwing is onder 2.4. in het vonnis bepaald dat die niet binnen een bepaalde termijn gerealiseerd hoeft te zijn en dat de nieuwe bakkerij niet binnen een bepaalde termijn in gebruik moet zijn genomen, omdat gedaagde slechts heeft gesteld dat eiser de verplichting heeft om mee te werken aan de eigendoms-overdracht van het pand indien hij de nieuwe bakkerij in gebruik zal hebben genomen. Al dit

leidt ertoe dat de voorwaarde in 3.1. van het vonnis van 22 februari 1996 niet kan worden gelezen als een opschortende voorwaarde. Voor zover partijen dat wel doen, berust dat op een verkeerde lezing van het vonnis. Dit betekent dan ook dat eiser niet de verplichting had of heeft om de voorwaarde voor de eigendomsoverdracht, het in gebruik nemen van een nieuwe bakkerij in een ander pand, in vervulling te doen gaan.

Onvoldoende aannemelijk is dat eiser een nieuwe bakkerij in gebruik heeft genomen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat gedaagde niet heeft weersproken dat de situatie ten tijde van het vonnis, van 22 februari 1996 nadien ongewijzigd is gebleven.

Het valt daarom niet aan te nemen dat eiser dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet of onvoldoende uitvoering hebben gegeven aan het vonnis van 22 februari 1996.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 197055 / KG ZA 10-141

Vonnis in kort geding van 30 maart 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Westervoort,

eiser,

advocaat mr. A. Scholten te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INDALO VASTGOED B.V.,

gevestigd te Oosterbeek,

gedaagde,

advocaat mr. drs. J.T.M. Palstra te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser x] en Indalo genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser x]

- de pleitnota van Indalo.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser x] is eigenaar va[adres Z] [adres] te Arhem. In dat pand is de bakkerij van [eiser x] gevestigd. De producten uit zijn bakkerij worden door [eiser x] verkocht in het door hem gehuurde pand aa[adres Y] x] in Arnhem.

2.2. Tussen partijen is op 22 februari 1996 vonnis gewezen door de rechtbank Arnhem. In dat vonnis staat onder andere:

‘2.3. Indalo heeft gesteld dat [eiser x] op grond van de koopovereenkomst zijn[adres Z]

[adres] te Arnhem aan haar in eigendom behoort over te dragen binnen de

door haar genoemde termijn nadat [eiser x] zijn nieuwe bakkerij aan de [adres Y] te

Arnhem in gebruik heeft genomen.

Volgens Ten hoopen heeft hij bij het sluiten van de overeenkomst met Indalo - waarvan hij

heeft betwist dat het een koopovereenkomst is - het voorbehoud gemaakt dat een aantal

door hem genoemde zaken, die in de weg konden staan aan de uitvoering van zijn plannen

tot verbouwing van de winkel aan de [adres Y] en ingebruikneming van de nieuwe

bakkerij aldaar, gerealiseerd moesten zijn. in dit verband heeft hij ook gesteld dat de

koopprijs is bepaald op f 180.000,-- indien de levering van het pand aan de [adres Z]

binnen twaalf maanden zou plaatsvinden en op f 175.000,-- indien de levering van dat pand

later zou plaatsvinden.

Nu [eiser x] niet (subsidiair) heeft gesteld dat het door hem genoemde voorbehoud tot

ontbinding van het overeengekomene kon leiden, noch dat het reeds tot ontbinding van het

overeengekomene heeft geleid, moet het voorbehoud worden opgevat ofwel als een

voorbehoud ten aanzien van het moment van de eigendomsoverdracht ofwel als een

opschortende voorwaarde in de koopovereenkomst.

Aldus opgevat komt het betoog in beide gevallen er op neer dat de eigendomsoverdracht

van het pand aan de [adres Z] niet eerder behoeft plaats te vinden dan nadat de door

[eiser x] genoemde zaken zijn gerealiseerd.

2.4. Gesteld noch gebleken is dat de bedoelde zaken krachtens de koopovereenkomst binnen

een bepaalde termijn moeten zijn gerealiseerd of dat binnen een bepaalde termijn met de

verbouwing van de winkel aan de [adres Y] moet zijn begonnen of de nieuwe bakkerij in

gebruik moet zijn genomen. Indalo heeft slechts gesteld dat ten Hoopen de verplichting

heeft mee te werken aan de eigendomsoverdracht van het pand aan de [adres Z] indien

hij de nieuwe bakkerij aan de [adres Y] in gebruik zal hebben genomen. [eiser x]

heeft het bestaan van die verplichting niet, althans niet voldoende, gemotiveerd ontkend.

Integendeel, de bedoelde verplichting past binnen het betoog van [eiser x] zoals dit door de rechtbank onder 2.3 is weergegeven. Daar de vordering van Indalo slechts betrekking heeft op het moment dat [eiser x] daadwerkelijk de nieuwe bakkerij in gebruik zal hebben genomen, kan in dit geding in het midden blijven of [eiser x] het door hem gestelde voorbehoud heeft gemaakt en of en in hoeverre de door hem genoemde zaken thans nog aan de aanvang van de voorgenomen verbouwing van de winkel aan de

[adres Y] en de ingebruikneming van de nieuwe bakkerij in de weg staan.

(…)

3. De beslissing

De rechtbank, recht doende,

3.1 veroordeelt [eiser x] om de onder 2.1 van het tussenvonnis van 5 oktober 1995

omschreven onr[adres Z][[adres] te Arnhem, vzr] aan Indalo in

eigendom over te dragen binnen één week nadat [eiser x] zijn nieuwe bakkerij aan de

[adres Y] te Arnhem in gebruik heeft genomen - onder de verplichting van Indalo bij de

levering van de onroerende zaak aan ten Hoopen de koopsom van f 175.000,00 te

betalen - op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 1.000,-- voor elke dag dat

[eiser x] niet aan deze veroordeling voldoet, zulks met een maximum van f 100.000,--

(…)

3.3. verklaart de onder 3.1 (…) gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad’

2.3. Het vonnis is op 14 maart 1996 aan [eiser x] betekend. Van het vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.4. Op 13 juli 1994 had Indalo het pand aan de [adres Z] in conservatoir beslag genomen, ter verzekering van recht op levering van dat pand.

2.5. Bij deurwaardersexploot van 9 februari 2010 heeft Indalo [eiser x] aangezegd dat hij niet heeft voldaan aan het vonnis van 22 februari 1996, dat hij om die reden

de maximale dwangsom verschuldigd is geworden en dat het vonnis ten uitvoer zal worden gelegd als hij de dwangsom niet onmiddellijk betaalt.

3. Het geschil

3.1. [eiser x] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad met veroordeling van Indalo in de proceskosten,

primair

1. Indalo te bevelen de executiemaatregelen jegens [eiser x] te staken respectievelijk gestaakt te houden, zolang niet vast is komen te staan dat de opschortende voorwaarde van het dictum onder 3.1 van het vonnis van 22 februari 1996 in werking is getreden en opheffing te gelasten van het in 1994 onder [eiser x] gelegde beslag, te weten het leveringsbeslag op de onroerende zaak, staande en g[adres Z] [adres] te Arnhem, kadastraal bekend gemeente Arnhem sectie Q nummer 2140, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat Indalo ingebreke blijft hieraan te voldoen,

subsidiair

2. Indalo te verbieden dwangsommen op grond van het vonnis d.d. 22 februari 1996 te incasseren omdat die zijn verjaard.

3.2. [eiser x] legt aan de vorderingen ten grondslag dat de volgens hem opschortende voorwaarde in het vonnis, dat hij een nieuwe bakkerij aan de [adres Y] in gebruik neemt, nimmer is vervuld en ook niet meer vervuld zal gaan worden. [eiser x] voert daarvoor aan dat hij de financiering voor het verbouwen, tevens uitbouwen van het pand aan de [adres Y] niet rond kan krijgen, dat de bouwvergunning inmiddels is ingetrokken en dat de eigenaar van het pand niet instemt met de verbouwing.

Volgens [eiser x] is de situatie sinds het vonnis dan ook niet veranderd. In het pand aan de [adres Z] bevindt zich nog steeds de bakkerij en aan de [adres Y] de winkel.

[eiser x] stelt dat hij daarom geen dwangsommen kan hebben verbeurd.

Subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat de genoemde voorwaarde toch in vervulling is of wordt geacht te zijn gegaan, stelt [eiser x] dat de dwangsommen zijn verjaard. Volgens [eiser x] heeft hij dan ook een spoedeisend belang heeft bij staking van de executie van het vonnis van 22 februari 1996 wegens het niet of het niet langer verschuldigd zijn van dwangsommen.

3.3. Indalo voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vraag die voorligt, is of [eiser x] dwangsommen heeft verbeurd omdat hij niet of onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling in het vonnis

van 22 februari 1996. Ter beantwoording van die vraag heeft de voorzieningenrechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van daarmee beoogde doel (vgl. HR 15 november 2002, NJ 2004, 410 (Van der Valk/Curaçao), HR 19 januari 2007, NJ 2007, 59 (NMT/Aruba) en HR 23 februari 2007, NJ 2007, 433 (Van Zelst/S)).

4.2. [eiser x] is onder 3.1. in het vonnis van 22 februari 1996 veroordeeld om he[adres Z] [adres] te Arnhem in eigendom over te dragen aan Indalo binnen één week nadat [eiser x] zijn nieuwe bakkerij aan de [adres Y] te Arnhem in gebruik heeft genomen. Onder 2.3. in het vonnis heeft de rechtbank overwogen dat het er op neer komt dat het pand aan de [adres Z] niet eerder overgedragen hoeft te worden dan nadat de door [eiser x] genoemde zaken zijn gerealiseerd, die volgens [eiser x], aldus de rechtbank in het vonnis, verband houden met de verbouwing van het pand aan de [adres Y] tot bakkerij annex winkel. Over die verbouwing is onder 2.4. in het vonnis bepaald dat die niet binnen een bepaalde termijn gerealiseerd hoeft te zijn en dat de nieuwe bakkerij niet binnen een bepaalde termijn in gebruik moet zijn genomen, omdat Indalo slechts heeft gesteld dat [eiser x] de verplichting heeft om mee te werken aan de eigendoms-overdracht van het pand aan de [adres Z] indien hij de nieuwe bakkerij aan de [adres Y] in gebruik zal hebben genomen. Gelet op het weergegeven toetsingskader, leidt al dit ertoe dat de voorwaarde in 3.1. van het vonnis van 22 februari 1996 niet kan worden gelezen als een opschortende voorwaarde. Voor zover partijen dat wel doen, berust dat op een verkeerde lezing van het vonnis. Dit betekent dan ook dat [eiser x] niet de verplichting had of heeft om de voorwaarde voor de eigendomsoverdracht, het in gebruik nemen van een nieuwe bakkerij in het pand aan de [adres Y], in vervulling te doen gaan. Reeds daarom faalt het beroep van Indalo op artikel 6:23 BW, waarin is bepaald dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de voorwaarde als vervuld heeft te gelden als de partij die daar belang bij had, de vervulling heeft belet.

4.3. Dat [eiser x] niet verplicht is om binnen een bepaalde termijn een nieuwe bakkerij in gebruik te nemen aan de [adres Y], wil nog niet zeggen dat hij geen dwangsommen kan hebben verbeurd. Immers, als hij een nieuwe bakkerij in gebruik heeft genomen aa[adres Y] x] te Arnhem, dan had hij op grond van het vonnis binnen één week nadien het pand aan de Spijkstraat 130-132 te Arnhem - waar hij dan met zijn bakkerij is uitgetrokken - moeten overdragen aan Indalo, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Evenwel is onvoldoende aannemelijk dat [eiser x] een nieuwe bakkerij in gebruik heeft genomen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat Indalo niet heeft weersproken dat de situatie ten tijde van het vonnis, waarin de winkel van [eiser x] zich in de [adres Y] bevond en diens bakkerij in de [adres Z], nadien ongewijzigd is gebleven.

4.4. Het valt daarom niet aan te nemen dat [eiser x] dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet of onvoldoende uitvoering hebben gegeven aan het vonnis van 22 februari 1996. Om die reden mag het vonnis dan ook niet ten uitvoer worden gelegd en zal in zoverre de primaire vordering worden toegewezen, op de navolgende wijze, waarbij de gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. [eiser x] heeft daarbij ook een spoedeisend belang nu Indalo bij exploot van 9 februari 2010 heeft aangekondigd het vonnis ten uitvoer te zullen leggen als de maximale dwangsom niet onmiddellijk wordt betaald.

4.5. [eiser x] heeft niet gesteld dat hij een spoedeisend heeft bij opheffing van het beslag. Om die reden zal de primaire vordering worden afgewezen voor zover die ziet op opheffing van het door Indalo gelegde beslag op het pand aan de [adres Z].

4.6. Al het hiervoor overwogene brengt tevens mee dat de subsidiaire vordering geen verdere behandeling behoeft.

4.7. Indalo zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser x] worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.166,93

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt Indalo de executiemaatregelen jegens [eiser x] te staken en gestaakt te houden zolang niet vast is komen te staan dat de situatie zich voordoet als genoemd in 3.1. van het vonnis van 22 februari 1996 van de rechtbank Arnhem dat tussen partijen is gewezen, te weten dat [eiser x] zijn nieuwe bakkerij aa[adres Y] x] te Arnhem in gebruik heeft genomen en hij niet binnen één week nadien he[adres Z] [adres] te Arnhem aan Indalo heeft geleverd onder de verplichting van Indalo om bij de levering van die onroerende zaak aan [eiser x] f 175.000,00 (€ 79.411,54) te betalen.

5.2. bepaalt dat Indalo voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan [eiser x] een dwangsom verbeurt van € 5.000,00, tot een maximum van € 200.000,00,

5.3. veroordeelt Indalo in de proceskosten, aan de zijde van [eiser x] tot op heden begroot op € 1.166,93,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 30 maart 2010.