Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL9448

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
AWB 08/5665
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belastingplichtige drijft met haar echtgenoot een camping met 17 recreatiebungalows in de vorm van een vennootschap onder firma . Het woonhuis van eiseres en haar echtgenoot is gelegen op de camping. Camping vormt onderneming. Geen sprake van normaal vermogensbeheer. Eiseres kon de woning in redelijkheid tot haar ondernemingsvermogen rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/28.17 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0885
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/5665

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 30 maart 2010

inzake

[X], wonende te [Z],

gemachtigde mr. [gemachtigde] AA,

eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Almere, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met aanslagnummer [000].H.66 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 22.860.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 november 2008 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 9 december 2008, ontvangen door de rechtbank op 10 december 2008, beroep ingesteld.

Dat beroep is bij uitspraak van 30 maart 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daartegen verzet gedaan. Dat verzet is bij uitspraak van 14 juli 2009 gegrond verklaard.

Verweerder heeft nadien de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2010 te Arnhem.

Namens eiseres is verschenen mr. [gemachtigde] AA, bijgestaan door mr. [A]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

2.1 Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.2 Op 1 oktober 1979 heeft de heer [B] - echtgenoot van eiseres (hierna ook: de echtgenoot) – een woonhuis met schuren, ondergrond erf, tuin en aanhorigheden, gelegen aan de [A-straat 1 ] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) gekocht voor fl. 425.000 (€ 192.857).

2.3 De echtgenoot heeft daarop een camping aangelegd voor 18 stacaravan’s. Hij dreef de camping in de vorm van een eenmanszaak. Daarnaast had hij ook nog een stucadoorsbedrijf in [Q]. Eiseres werkte mee op de camping. Op 30 november 1998 heeft de echtgenoot de camping ingebracht in een vennootschap onder firma (hierna: de vof). Eiseres en haar echtgenoot zijn daarvan de vennoten.

2.4 De onroerende zaak is vanaf de aankoop in 1979 geactiveerd op de balans van de eenmanszaak en sinds 1998 op de balans van de vof.

2.5 Verweerder heeft in 1984 een boekenonderzoek ingesteld bij de echtgenoot met betrekking tot de belastingjaren 1980 tot en met 1982. Naar aanleiding daarvan is met dagtekening 21 mei 1984 een rapport opgemaakt. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“Per 1-10-1979 is door bel.pl. gekocht het onroerend goed te [Z], [A-straat 1 ]. Op deze grond lag een recreatie bestemming. Er is door bel.pl. een camping aangelegd voor 18 stacaravans en er zijn er 17 geplaatst. M.i. is hier sprake van een onderneming en er dient dan ook als zodanig gehandeld te worden ten aanzien van de fiscale behandeling inzake vermogens etikettering, verlies/winst-rekening enz. Bel.pl. en gemachtigde gaan met dit standpunt akkoord.

(…)

Camping:

Deze wordt gedreven onder de naam “[C]”. Er was bij aankoop enkel een vergunning op de grond en geen enkele voorziening (infrastructuur). Dit laatste is in de jaren 1979 t/m 1981 aangelegd. (…)

Het onroerend goed dient als bedrifsvermogen te worden opgenomen en gesplitst in:

Woning en ondergrond f 200.000

Camping terrein f 225.000 naar de toestand per 1-1-1980 (…)

Waarde ondergrond is te stellen op ± f 35.000.

Afschrijving 2% van f 150.0000 (f 200.000 minus grond en restwaarde), toe te passen m.i.v. 1980.

(…)

Boekwaarde van de camping per 31-12-1982 wordt nu als volgt:

Woonhuis f 190.250 (jaarl. afschr. f 3.000)

Grond camping f 225.000”.

2.6 Per 1 juli 1985 is de onroerende zaak in opdracht van de echtgenoot getaxeerd op fl. 275.000 (€ 124.789). De onroerende zaak is toen voor dat bedrag op de balans opgenomen.

2.7 Het woonhuis is sinds de aankoop in 1979 in gebruik als eigen woning. Medio jaren ’90 is één van de slaapkamers op de eerste verdieping van het woonhuis in gebruik genomen als kantoorruimte voor het voeren van de administratie van het stucadoorsbedrijf en de camping.

2.8 In een brief van 25 april 2006 van taxateur [D] van de Belastingdienst, Rivierenland, kantoor Arnhem schrijft deze aan verweerder onder meer het volgende:

“Op uw verzoek ben ik wezen kijken naar het recreatiebedrijf “[C]” met woning, gelegen aan de [A-straat 1 ] te [Z], eigendom van de heer en mevrouw [X & B].

Het recreatiebedrijf bestaat uit een woning met een tweetal blokhutten, 17 kavels met chalets/stacaravans, ondergrond, erf en wegen.

De woning met de ruim aangelegde siertuin (± 700 m2 grond) is gelegen midden op het terrein. (…).

(…) Het recreatieterrein is voorzien van gas, water, elektra (6 Ampère) en rioolaansluiting.

In 1992 heeft dhr. [B] aan zijn zoon het recht van erfpacht van een kavel recreatieterrein verkocht. Op 15 mei 2003 heeft hij de blote eigendom van deze kavel aan zijn zoon verkocht voor € 56.750,=. Vervolgens heeft de zoon de kavel met recreatiewoning verkocht aan [E] voor € 175.000,=.

Op 13 juni 2001 heeft dhr. [B] een kavel recreatieterrein verkocht voor € 45.378,=, de zoon heeft hier inmiddels een nieuwe recreatiebungalow op gebouwd.

Op 31 januari 2003 heeft dhr. [B] een kavel recreatieterrein aan derden verkocht voor € 45.378,=.

(…)

Op het recreatieterrein bevinden zich ook nog een tweetal loodsen welke als opslagruimte/stalling in gebruik zijn.

Dhr. [B] heeft plannen om de kavels te gaan verkopen.”.

2.9 Het woonhuis is omringd door een tuin afgescheiden door hagen. Daaromheen liggen kavels waarop zich recreatiebungalows bevinden. Ook de kavels zijn van elkaar gescheiden door hagen. Zowel in de voor- als in de achtertuin van het woonhuis bevindt zich een vijver. De vijvers zijn niet zichtbaar vanaf de kavels.

2.10 De vof staat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als campingbedrijf zonder personeel.

2.11 Eiseres claimt sinds 1999 zelfstandigenaftrek.

2.12 Bij brief van 21 december 2005 heeft eiseres verweerder verzocht om de vermogensetikettering van het woonhuis te mogen herstellen. In die brief is onder meer het volgende opgenomen:

“Zoals blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel en de oudste jaarrekening die in ons bezit is, de jaarrekening 1990, zijn in 1985 alle onroerende zaken, dus ook de woning, en de activiteiten met betrekking tot de verhuur van de grond ingebracht in een eenmanszaak, thans genaamd [C].

(…)

Zoals blijkt uit de jaarrekening 1990 is het gehele onroerende goed in 1985 ingebracht in de onderneming voor f 275.000, een bedrag gelijk aan de verkregen financiering. Dit is dus een aanmerkelijk lager bedrag dan de f 425.000 waarvoor het onroerende goed in 1979 is aangekocht. Dit terwijl het nadien ook nog grondig is verbouwd.

Ten aanzien van de verhuurde grond (“campingterrein”) is de zakelijke etikettering een te verdedigen keuze. De woning heeft op dit moment en in het verleden echter nooit een zakelijke functie gehad. Naar mijn mening is de woning dus onterecht als zakelijk vermogen aangemerkt. Op basis van het arrest van de Hoge Raad d.d. 29 juni 1988 (rolnummer 24899) is het naar mijn mening mogelijk om deze onjuiste vermogensetikettering te herstellen. ”.

2.13 Verweerder heeft dat verzoek bij brief van 1 mei 2006 afgewezen.

2.14 Eiseres heeft voor het betrokken jaar aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.860. Dat bedrag bestaat geheel uit winst uit onderneming. Eiseres heeft daarbij aan investeringsaftrek de volgende bedragen geclaimd:

- € 2.108 voor een vijvertuin;

- € 210 voor een grasmachine; en

- € 132 voor een espressoapparaat.

2.15 In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft eiseres een herziene aangifte ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiseres bedraagt volgens de herziene aangifte € 21.806. Het verschil ad € 1.054 met het eerder aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning heeft betrekking op de bijtelling ter zake van privé-gebruik van het woonhuis ad € 1.054, welke in de herziene aangifte ontbreekt. Volgens een toelichting bij de aangifte (brief van 8 juli 2008) is het woonhuis voor de boekwaarde van € 53.343 overgebracht naar het privévermogen. Het eigenwoningforfait is volgens diezelfde toelichting aangegeven in de herziene aangifte van de echtgenoot van eiseres.

2.16 Volgens de pleitnota van eiseres staat de woning vanaf 1979 op de balans van de eenmanszaak geactiveerd.

3. Geschil

In de eerste plaats is in geschil het antwoord op de vraag of het woonhuis bij aankoop als verplicht privévermogen had dienen te worden aangemerkt. Eiseres beantwoordt die vraag bevestigend. Verweerder beantwoordt die vraag ontkennend.

In de tweede plaats is in geschil het antwoord op de vraag of sprake is van normaal vermogensbeheer, zoals eiseres bepleit of van winst uit onderneming, zoals verweerder bepleit.

In de derde plaats is in geschil het antwoord op de vraag of de onroerende zaak vanaf 1985 onjuist in de jaarrekening is gewaardeerd. Eiseres beantwoordt die vraag bevestigend. Verweerder beantwoordt die vraag ontkennend.

4. Beoordeling van het geschil

Wel of geen onderneming?

4.1 Aan de vraag of het woonhuis al dan niet tot het ondernemingsvermogen behoort, gaat de vraag vooraf of sprake is van een onderneming. Eiseres heeft gesteld dat daarvan geen sprake is. Volgens eiseres worden alleen maar kavels verhuurd en kwalificeert dat als normaal vermogensbeheer.

4.2 Volgens verweerder is wel sprake van een onderneming. Verweerder wijst in dat verband op het rapport van het boekenonderzoek als geciteerd onder 2.

4.3 De rechtbank acht in verband hiermee het volgende van belang. Van een onderneming is sprake als er een duurzame organisatie is die erop is gericht om met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen aan het economische verkeer met het oogmerk winst te behalen. Eiseres heeft sinds het belastingjaar 1999 zelfstandigenaftrek geclaimd. Om daarvoor in aanmerking te komen moet ingevolge artikel 3.76, eerste lid, juncto art. 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001 in het betrokken jaar tenminste 1225 uren zijn besteed aan werkzaamheden voor de onderneming(en) waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. Eiseres heeft niet gesteld dat zij ten onrechte zelfstandigenaftrek heeft geclaimd. Derhalve moet worden aangenomen dat eiseres die uren daadwerkelijk aan werkzaamheden voor de camping heeft besteed. De rechtbank leidt daaruit af dat bij de exploitatie van de camping bij eiseres voorop stond de eigen arbeidskracht rendabel te maken. Alsdan is geen sprake van normaal vermogensbeheer.

Vermogensetikettering

4.4 Eiseres heeft de woning vanaf de aanvang van haar onderneming in 1998 steeds tot haar ondernemingsvermogen gerekend. De vraag moet worden beantwoord of dat ten onrechte is geschied.

4.5 Volgens eiseres had de woning bij aankoop als verplicht privévermogen moeten worden aangemerkt. Volgens eiseres was haar keuzevrijheid beperkt door de redelijkheid en is het in dit geval niet redelijk de woning tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Volgens eiseres volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een woonhuis, behoudens bijzondere omstandigheden, altijd privévermogen is en behoort een woonhuis met zeer geringe mogelijkheden voor zakelijk gebruik niet tot het ondernemingsvermogen. Volgens eiseres is de ingebruikname van één van de slaapkamers als kantoorruimte geen bijzondere omstandigheid die tot heretikettering leidt.

4.6 Verweerder wijst erop dat de vermogenetikettering in 1984 onderdeel is geweest van een boekenonderzoek bij de echtgenoot van eiseres en dat de uitkomst daarvan was dat er sprake was van ondernemingsvermogen en dat daarmee toen door de echtgenoot van eiseres akkoord is gegaan.

4.7 De rechtbank acht in dit verband het volgende van belang. Het woonhuis ligt in het midden van de camping. Een kamer van de woning is in gebruik als kantoorruimte. Andere kantoorruimte is er niet. Niet alleen worden daar de administratieve werkzaamheden gedaan, ook zullen campinggasten zich voor contact met de beheerder bij het woonhuis moeten melden. In dat verband acht de rechtbank ook van belang dat eiseres investeringsaftrek voor een espressoapparaat heeft geclaimd. Uit het voorgaande volgt dat het woonhuis mede dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening. Dat betekent dat sprake is van keuzevermogen. Eiseres heeft derhalve bij de aanvang van de onderneming in 1998 in redelijkheid de keuze kunnen maken het woonhuis tot het ondernemingsvermogen te rekenen.

4.8 De grief dat de onroerende zaak voor een te laag in de jaarrekening is opgenomen, leidt bij gegrondbevinding tot een hogere aanslag. Eiseres heeft dus geen belang bij de behandeling van die grief. Die grief behoeft daarom geen bespreking.

4.9 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M.J. Sangster, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 30 maart 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.