Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL9281

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
190588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering in verzet tot - onder meer - verklaring voor recht dat het door de Ontvanger gelegde executoriaal beslag onrechtmatig is en op grond daarvan opheffing van het beslag.

Verzet ongegrond omdat de Ontvanger op grond van art. 10 lid 1 sub b jo.15 Invorderingswet bevoegd was over te gaan tot versnelde invordering en tenuitvoerlegging van de dwangbevelen en tot het leggen van executoriaal beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 190588 / HA ZA 09-1777

Vonnis van 24 maart 2010

in de zaak van

1. [eis.verzet1],

wonende te [woonplaats],

2. [eis.verzet2],

wonende te [woonplaats],

eisers in het verzet,

advocaat mr. S.G.M. Goedvriend te Nijmegen,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIVIERENLAND,

KANTOOR NIJMEGEN,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. M.J.W. Hoogstrate te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eis.verzet1], [eis.verzet2] en de Ontvanger genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 december 2009

- de akte houdende producties van de zijde van [eis.verzet1] en [eis.verzet2] d.d. 11 februari 2010,

- de akte houdende producties van de zijde van [eis.verzet1] en [eis.verzet2] d.d. 15 februari 2010,

- de akte houdende producties van de zijde van de Ontvanger d.d. 23 februari 2010,

- het proces-verbaal van comparitie van 26 februari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eis.verzet1] en [eis.verzet2] wonen sinds 2006 samen aan de [adres].

2.2. Op 18 augustus 2009 heeft de Ontvanger vier aanslagen Inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd aan [eis.verzet1] over de jaren 2006 tot en met 2009, voor in totaal € 450.043,00. Deze aanslagen hebben (grotendeels) betrekking op inkomsten uit loverboy-activiteiten. Tevens zijn die dag aanslagen Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd aan [eis.verzet2] over de jaren 2006 tot en met 2009, voor in totaal € 420.000,00. Deze aanslagen hebben betrekking op inkomsten uit prostitutie. De genoemde bedragen zijn gebaseerd op rapporten die de Ontvanger heeft opgesteld mede aan de hand van informatie uit een strafrechtelijke onderzoek naar [eis.verzet1].

2.3. Onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 10 en 15 Invorderingswet 1990 (hierna: Iw) heeft de Ontvanger op 18 augustus 2009 tevens vier dwangbevelen betekend aan [eis.verzet1] ter zake van de aan hem opgelegde aanslagen, voor in totaal € 196.179,00.

Voorts heeft de Ontvanger diezelfde dag executoriaal beslag laten leggen op nagenoeg alle roerende zaken die zich in de woning van [eis.verzet1] en [eis.verzet2] bevonden, alsmede op twee auto’s en op roerende zaken van [eis.verzet1] (en [eis.verzet2]) die zich op het politiebureau te Nijmegen bevonden in het kader van een (strafrechtelijke) conservatoir beslag.

De in beslag genomen zaken staan vermeld op inventarisatielijsten. De datum van de executoriale verkoop werd bepaald op 17 september 2009.

2.4. Op 3 september 2009 is namens [eis.verzet1] en [eis.verzet2] bezwaar gemaakt tegen de aan hen opgelegde aanslagen en een verzoek ingediend om deze te corrigeren. Bij beslissing van 23 februari 2010 is het bezwaar afgewezen door de Inspecteur.

2.5. Bij stukken bevindt zich een email d.d. 18 november 2009 van de Ontvanger aan mr. Goedvriend waarin, samengevat, staat dat de executiemaatregelen (de openbare verkoop) zijn geschorst, totdat de beslissing op bezwaar is genomen.

2.6. Voorts bevindt zich bij de stukken een vonnis van de rechtbank Arnhem, sector strafrecht van 20 januari 2010, waaruit blijkt dat [eis.verzet1] is vrijgesproken van - kort gezegd - uitbuiting en het profiteren daarvan.

3. Het geschil

3.1. [eis.verzet1] en [eis.verzet2] vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

de navolgende voorzieningen zal treffen:

1. voor recht te verklaren dat het executoriaal beslag d.d. 18 augustus 2009 door de Ontvanger op grond van art. 15 Invorderingswet 1990 onrechtmatig is en op grond daarvan het beslag op alle goederen op te heffen,

2. de Ontvanger te gelasten met onmiddellijke ingang de reeds ingezette tenuitvoerlegging te staken en gestaakt te houden totdat er zal zijn beslist op de op

3 september 2009 ingediende bezwaarschriften,

3. de Ontvanger te gelasten alle goederen aan hen terug te geven danwel af te geven, op straffe van een eenmalige boete van € 250.000,00,

met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.

3.2. De Ontvanger voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eis.verzet1] en [eis.verzet2] in zoverre in het verzet kunnen worden ontvangen.

4.2. De Ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat [eis.verzet2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat op grond van art. 17 lid 1 Iw uitsluitend de belasting-schuldige in verzet kan komen tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen.

Deze stelling is juist. [eis.verzet1] en [eis.verzet2] hebben erkend dat het verzet zich (enkel) richt tegen de dwangbevelen die op 18 augustus 2009 aan [eis.verzet1] zijn betekend en niet tegen dwang-bevelen die naderhand (op 7 oktober 2009) aan [eis.verzet2] zijn betekend. Dat brengt mee dat alleen [eis.verzet1] thans in verzet kan komen en dat [eis.verzet2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Dat er tevens beslag is gelegd op roerende zaken die (mede) aan [eis.verzet2] toebehoren en dat zij in die zin ‘belanghebbende’ is, zoals [eis.verzet1] en [eis.verzet2] hebben betoogd, maakt het vorenstaande niet anders, nu uit art. 17 Iw op zichzelf duidelijk volgt dat alleen de belastingschuldige in verzet kan komen tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen en het artikel geen aanknopingspunten biedt om hiervan af te wijken.

In het hierna volgende zal derhalve alleen over [eis.verzet1] worden gesproken.

4.3. Voorop wordt gesteld dat ingevolge art. 17 lid 3 Iw het verzet niet kan zijn gegrond op de stelling dat de belastingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Tegen aanslagen, navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen staan immers reeds in de heffingssfeer rechtsmiddelen open, zoals het instellen van bezwaar en beroep. [eis.verzet1] heeft dit ook erkend. Hij heeft echter aangevoerd dat de Ontvanger heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 11 Iw, door zonder enige vooraankondiging over te gaan tot het opleggen van aanslagen, dwangbevelen en executoriaal beslag. Hierdoor heeft hij niet kunnen reageren op de aanslagen of daartegen bezwaar kunnen maken, voordat tot executie werd overgegaan.

4.4. De Ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat hij vanwege een gegronde vrees voor verduistering gerechtigd was om de navorderingsaanslagen terstond in te vorderen (art. 10 lid 1 sub b jo. art 15 Iw). Daarbij heeft hij onder meer gewezen op het strafrechtelijk verleden van [eis.verzet1] en de actuele strafrechtelijke verdenking en voorts aangevoerd dat de roerende zaken eenvoudig aan verhaal zijn te onttrekken, terwijl de in de aanslagen begrepen bedragen aanzienlijk zijn en er geen andere verhaalsmogelijkheden zijn.

[eis.verzet1] heeft hiertegen - kort gezegd - ingebracht dat er geen sprake is van een (uitgebreid) strafrechtelijk verleden, dat hij ter zake van de actuele strafzaak is vrijgesproken en voorts dat er alleen huisraad in beslag is genomen en dat hij geen enkele reden heeft om dit te verkopen of weg te brengen.

4.5. Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10 lid 1 sub b Iw is sprake als de Ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Ontvanger in het onderhavige geval voldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Anders dan [eis.verzet1] heeft betoogd is niet alleen ‘huisraad’ in beslag genomen. Uit de overgelegde inventarisatielijsten blijkt immers dat behalve meubels en huishoudelijke artikelen ook een aanzienlijke hoeveelheid sieraden, horloges, zonnebrillen en andere luxegoederen, zoals een laptop en digitale camera, in beslag zijn genomen. Deze goederen lenen zich betrekkelijk eenvoudig voor vervreemding, terwijl zij tezamen een behoorlijke (vermogens)waarde hebben.

Gelet op de aard van de in beslag genomen zaken en de waarde daarvan, de hoogte van de aanslagen, het anti-fiscale gedrag van [eis.verzet1] in het verleden, zijn bestedingspatroon zoals verwoord in de door de Ontvanger opgestelde rapporten (zoals de aanschaf van een Audi A6 door middel van een contante betaling van circa € 35.000) en zijn erkenning ter zitting dat er geen andere verhaalsmogelijkheden zijn, is voldoende aannemelijk dat er sprake is van een gegronde vrees voor verduistering. Daaraan doet op zichzelf niet af dat [eis.verzet1] is vrijgesproken van ‘uitbuiting’, nu de Ontvanger terecht - en onweersproken - heeft gesteld dat er verschil is tussen de strafrechtelijke en de fiscale procedure, omdat het bij laatstgenoemde procedure alleen gaat om genoten inkomen en niet om de vraag of dit inkomen is verkregen door middel van dwang of misbruik van een kwetsbare positie. Dat [eis.verzet1] inkomsten heeft verworven door prostitutiewerkzaamheden door [eis.verzet2] is op zichzelf voldoende aannemelijk aan de hand van de door de Ontvanger overgelegde rapporten.

4.6. Het voorgaande brengt mee dat de Ontvanger op grond van art. 10 lid 1 sub b Iw jo. 15 Iw bevoegd was om over te gaan tot versnelde invordering en tenuitvoerlegging van de dwangbevelen en tot het leggen van executoriaal beslag en dat het verzet in die zin ongegrond is. Nu [eis.verzet1] verder niets heeft aangevoerd waaruit volgt dat het beslag onrechtmatig is gelegd dient deze stelling te worden verworpen en dienen de vorderingen van [eis.verzet1] te worden afgewezen.

4.7. [eis.verzet1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 262,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

4.8. De Ontvanger heeft nog gevorderd dat de rechtbank het vonnis waarbij het verzet ongegrond wordt verklaard uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, zodat de schorsende werking van het verzet niet herleeft indien [eis.verzet1] een rechtsmiddel tegen het vonnis aanwendt. Volgens de Ontvanger is het verzet van [eis.verzet1] tegen de dwangbevelen evident kansloos, zodat er sprake is van misbruik van bevoegdheid, terwijl het belang van [eis.verzet1] bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting daarvan.

Deze stelling wordt verworpen. Uit hetgeen [eis.verzet1] heeft aangevoerd en waarover hiervoor een oordeel is gegeven, kan niet worden afgeleid dat het verzet duidelijk kansloos was. [eis.verzet1] heeft gemotiveerd gesteld waarom er volgens hem geen grond was voor een versnelde invordering en tenuitvoerlegging. Dat zijn stellingen zijn verworpen en dat het verzet ongegrond wordt verklaard, maakt niet dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Dat volgt op zichzelf ook niet uit de verklaring van de advocaat van [eis.verzet1] ter comparitie dat het verzet er vooral op is gericht om de openbare verkoop van de in beslag genomen zaken te voorkomen, waarbij nog wordt opgemerkt dat dit belang op zichzelf niet minder zwaar weegt dan het belang van de Ontvanger bij verkoop op korte termijn van de zaken, in verband met een snelle waardevermindering daarvan.

De proceskostenveroordeling (r.o. 4.7) zal wel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart het verzet ongegrond,

5.2. veroordeelt [eis.verzet1] in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op EUR 1.166,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Verra en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2010.