Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL9007

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
AWB 08/1349
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bodemloze put. Op het moment dat de betalingen namens de vennootschap worden verricht was reeds duidelijk dat een gerede kans bestond dat de vennootschap deze bedragen niet kon terugbetalen. Deze betalingen vallen ook niet onder een over een eerder jaar gesloten vaststellingsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat het niet uitsluiten of voorbehouden van betalingen onvoldoende is om die onderwerp van de overeenkomst te laten zijn. Een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/32.14 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0838
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/1349

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 18 maart 2010

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Apeldoorn, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [000].H46) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.484 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.293. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder komt bij uitspraak op bezwaar van 1 februari 2008 deels aan het bezwaar tegemoet en vermindert de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.520 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.847. De heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar bij brief van 6 maart 2008, ontvangen door de rechtbank op 7 maart 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. drs. [gemachtigde] en drs. [A].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser heeft per 1 januari 1980 [B] BV (hierna: de BV) opgericht, waarvan hij directeur/enig aandeelhouder is.

Op 25 mei 2004 hebben eiser en verweerder een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de verliesneming op vorderingen uit borgstellingen en overige vorderingen in de aangifte IB/PVV 2001. In de schriftelijke vastlegging van deze overeenkomst van 26 mei 2004 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“ (…)

De (regres) vordering is als volgt opgebouwd:

[C] B.V. cs ([D]) f. 650.000.

[E] B.V. f. 400.000.

[X] ([F]) f. 200.000.

[G] B.V. f. 1.190.060.

Totaal f. 2.440.060

(…)

In dit compromis zijn op uw verzoek ook de vorderingen f. 55.093 (€ 25.000 [G] B.V.), f 110.186 (€ 50.000 [H]) van [X] op [B] B.V. betrokken. (…)

Het totaal bedrag aan (regres)vorderingen is f. 2.605.339 (f. 2.440.060 plus f. 55.093 plus f. 110.186). Overeengekomen is, dat van dit bedrag (f. 2.605.339) f. 1.200.000 als ter beschikking gesteld vermogen zal worden aangemerkt. In 2001 zal deze (regres)vordering afgewaardeerd worden tot f. 0,00. Het verlies uit ter beschikking gesteld vermogen is f. 1.200.000. Het restant van de vordering f. 1.405.339 (f. 2.605.339 min f. 1.200.000) is een vermogensverlies van de heer [X] prive. (…)

(…)

De schuld van [B] B.V. aan de heer [X] f. 2.605.339 zal in 2002 vrijvallen, d.w.z. aan de winst worden toegevoegd.

(…)”

De BV heeft in 2003 aan de heer [I] een onderzoeksopdracht verstrekt. Hiervoor is een bedrag van € 18.850 in rekening gebracht. Eiser heeft namens de BV in de periode februari 2004 – april 2004 ter zake van deze opdracht een bedrag van € 9.000 aan de heer [I] betaald.

De BV heeft in 2004 € 23.000 geïnvesteerd in het project [J]. Eiser heeft namens de BV de volgende betalingen gedaan:

- 7 oktober 2004 € 10.000

- 27 oktober 2004 € 6.000

- 24 november 2004 € 7.000.

Het verloop van de rekening courant van eiser bij de BV is in 2004 als volgt:

Stand 1 januari 2004 € 1.444 (schuld)

Af:

Lening [I] u/g € 9.000

Lening [J] u/g € 23.000

Privé betaald BTW december 2003 € 3.371

Privé betaald advieskosten € 3.483

Privé opnames/stortingen onbenoemd, per saldo € 19.250 (negatief)

Privé betaald computer € 2.399

Privé betaald kantoorbenodigdheden € 886

Privé betaald KvK € 168

Stand 31 januari 2004 € 21.612 (vordering)

Eiser heeft naast de rekening courant vordering ultimo 2004 een schuld aan de BV van € 16.483.

De omzet van de BV bedraagt voor:

2003 € 52.531

2004 € 31.500

2005 € 35.878

2006 € 41.761

2007 € 27.809

2008 € 10.100.

De belastbare winst van de BV bedraagt voor:

2003 € 28.993 (belastbaar bedrag nihil)

2004 € 8.766 negatief (te verrekenen verlies € 8.766)

2005 € 23.650 (belastbaar bedrag nihil)

2006 € 20.564 (belastbaar bedrag nihil)

2007 € 15.000 (belastbaar bedrag nihil).

Eiser doet aangifte IB/PVV 2004 van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.670 en een belastbaar inkomen

uit sparen en beleggen van € 182. In deze aangifte wordt een bedrag van € 10.814 aangegeven als kosten uit het ter beschikking stellen van vermogen (hierna: tbs).

Door middel van een aanvulling op de aangifte verzoekt eiser om aanpassing van het belastbaar inkomen uit werk en woning naar een bedrag van € 33.257. Eiser claimt een extra bedrag van € 23.000 als kosten tbs. De kosten tbs komen daardoor op € 33.814. Door deze extra kostenpost wordt de aftrek ziektekosten € 413 hoger.

De specificatie van de kosten tbs luidt na de aanvulling op de aangifte:

- A. [I] € 8.850

- Rente lening tot 26 mei 2004

datum overeenkomst Belastingdienst € 1.964

- [J] € 23.000.

Verweerder heeft vervolgens de aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.484. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Belastbaar inkomen uit werk en woning

volgens aanvullende aangifte € 33.257

Bij:

- kosten tbs € 33.814

- ziektekosten € 413

Tevens is bij het opleggen van de aanslag het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verhoogd tot € 5.293. Deze correctie hangt samen met de correctie van de waarde van de effecten per 31 december 2004, de hoogte van de banksaldi per 1 januari 2004 én 31 december 2004 en de hoogte van de schulden per 1 januari 2004 én 31 december 2004.

Eiser heeft bij brief van 27 juni 2007, ontvangen door verweerder op 28 juni 2007, tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

Met dagtekening 18 januari 2008 zendt verweerder een kennisgeving op het bezwaarschrift waarin hij aangeeft deels aan het bezwaar tegemoet te komen. De rente over het tijdvak 1 januari 2004 – 26 mei 2004 ad € 1.964 wordt als kosten tbs geaccepteerd, zodat de correctie kosten tbs na bezwaar nog € 31.850 bedraagt. Verweerder vermindert in verband hiermee de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.520. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd tot € 4.847.

Hiertegen heeft eiser beroep aangetekend bij de rechtbank.

3. Geschil

In geschil is of eiser een bedrag van € 31.850 als kosten tbs in aftrek mag brengen op zijn inkomsten uit werk en woning.

Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend, verweerder ontkennend.

Eiser voert hiertoe primair aan dat de uit de betalingen ontstane regresvorderingen onder de vaststellingsovereenkomst vallen en daarom als kosten tbs in aftrek kunnen worden gebracht.

Subsidiair doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Verweerder bestrijdt de stellingen van eiser en is van mening dat een onafhankelijke derde de betalingen namens de BV niet zou hebben gedaan. Er is sprake van informeel kapitaal zodat geen sprake kan zijn van aftrek. Voor het geval dat geen sprake is van informeel kapitaal is verweerder van mening dat eiser geen kosten tbs in aftrek kan brengen omdat de BV solvabel is. Als sprake zou kunnen zijn van aftrek van de kosten tbs dan is verweerder van mening dat eiser niet meer dan € 5.129 (het saldo tussen eisers vordering op en schuld aan de BV) in aftrek kan brengen.

Eiser voert aan dat de betalingen zijn gedaan uit hoofde van een borgstelling en, naar de rechtbank begrijpt, dus geen informeel kapitaal kunnen zijn.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Inleiding

Niet in geding is dat eiser in 2004 betalingen namens de BV van in totaal € 31.850 heeft gedaan. Deze betalingen hebben betrekking op de in 2003 door de BV verstrekte onderzoeksopdracht en de in 2004 door de BV gedane investering.

Vaststellingsovereenkomst?

Eiser betoogt dat de betalingen die eiser in 2004 namens de BV heeft gedaan een onlosmakelijk direct verband hebben met de in de vaststellingsovereenkomst genoemde regresvorderingen. Omdat deze betalingen door verweerder in de vaststellingsovereenkomst niet zijn uitgesloten of voorbehouden is eiser van mening dat de uit deze betalingen voortvloeiende regresvorderingen onder de vaststellingsovereenkomst vallen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst volgt de door eiser voorgestane uitleg niet. Zo ziet de vaststellingsovereenkomst op het jaar 2001 en niet op 2004. Verder worden in de vaststellingsovereenkomst alle vorderingen specifiek benoemd. De vorderingen die in 2004 ontstaan worden niet genoemd.

Dat de betalingen die eiser in 2004 voor de BV heeft gedaan het gevolg zijn van feiten die zich hebben voorgedaan in het verleden, maakt niet dat die betalingen onderwerp van de vaststellingsovereenkomst zijn geworden. Een overeenkomst is een tweezijdige rechtshandeling waarvoor is vereist dat sprake is van een aanbod dat wordt aanvaard. Het niet uitsluiten of voorbehouden van de betalingen is onvoldoende om die onderwerp van de overeenkomst te laten zijn.

Op grond van het voorgaande is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de vorderingen onder de vaststellingsovereenkomst vallen. Aftrek als kosten tbs op grond van de vaststellingsovereenkomst is daarom niet mogelijk.

Vertrouwensbeginsel?

Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en stelt daartoe dat al tijdens de besprekingen inzake de vaststellingsovereenkomst gesproken is over de vorderingen [I] en [J] en dat hij gehandeld heeft in de context van de vaststellingsovereenkomst. Eiser is van mening dat hij, omdat verweerder over een eerder jaar (2001) een overeenkomst met betrekking tot de behandeling van regresvorderingen heeft gesloten, erop mocht rekenen dat met betrekking tot de behandeling van de betalingen in 2004 een gelijke (vervolg)overeenkomst gesloten zou worden.

De rechtbank is van oordeel dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van omstandigheden die bij eiser het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen wekken dat verweerder met betrekking tot de in 2004 ontstane vordering van eiser op zijn BV, in 2004 een afwaardering en aftrek als kosten tbs zou toestaan.

Uit hetgeen door eiser is aangevoerd volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat op enig moment door verweerder bij eiser het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat ook voor de betalingen in 2004 een overeenkomst zou worden gesloten. Enkel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst voor een eerder jaar is daartoe onvoldoende. Ook volgt uit de gedingstukken niet dat bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst over de onderhavige regresvorderingen is gesproken. Dit ligt ook niet voor de hand daar deze besprekingen zagen op het jaar 2001. Een deel van deze betalingen moest, ten tijde van het sluiten van de vaststellingovereenkomst (25 mei 2004), zelfs nog plaatsvinden. Gelet hierop kan het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

Informeel kapitaal?

Verweerder stelt dat op het moment van de betalingen reeds duidelijk moet zijn geweest dat een gerede kans bestond dat de BV deze bedragen niet kon terugbetalen. In de visie van verweerder is sprake van een zogenoemde bodemloze putlening. Gelet hierop is sprake van informeel kapitaal en niet van een lening, zodat de kosten tbs niet aftrekbaar zijn, aldus verweerder.

Verweerder wijst hierbij op de geringe belastbare winst in de jaren 2004 tot en met 2007, de slechte vermogenspositie van de BV en de hoge schulden die de BV heeft. Eiser heeft begin 2004 f. 2.605.339 te vorderen op de BV. Resultaat van de vaststellingsovereenkomst is een afwaardering tbs ten bedrage van f. 1.200.000 en kwijtschelding van het restant van de vorderingen (vermogensverlies voor eiser). Een derde zou onder deze omstandigheden volgens verweerder geen extra gelden verstrekken.

Eiser voert aan dat de BV wel degelijk solvabel is en verwijst hierbij naar de aangifte vennootschapsbelasting 2008 welke een belastbare winst van € 119.036 laat zien en betoogt dat naar verwachting in 2009 de winst minimaal gelijk zal blijven.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat verweerder zijn stelling dat sprake is van informeel kapitaal aannemelijk moet maken. De rechtbank is op grond van de volgende overwegingen van oordeel dat verweerder in deze bewijslast is geslaagd.

Uit de stukken van het geding volgt dat op het moment dat eiser in 2004 namens de BV betalingen doet, de BV in een slechte vermogenspositie verkeerde. Op 25 mei 2004 is nog een vaststellingsovereenkomst gesloten die erin heeft geresulteerd dat de vordering die eiser op de BV had is afgewaardeerd en dat eiser voor het restant een omvangrijk vermogensverlies heeft moeten nemen. Gelet op deze feiten en omstandigheden was het naar het oordeel van de rechtbank op voorhand al duidelijk dat de betalingen die eiser in 2004 namens de BV heeft gedaan, door de BV niet terugbetaald konden worden. Aandeelhoudersmotieven moeten de doorslag hebben gegeven bij het doen van de betalingen. De betalingen moeten dan ook worden gekwalificeerd als informeel kapitaal. Dit brengt mee dat geen sprake kan zijn van aftrek als kosten tbs.

De verwijzing door eiser naar de aangifte vennootschapsbelasting 2008 en de verwachting voor 2009, maakt dit oordeel niet anders. Deze jaren liggen te ver af van het jaar 2004 om van belang te kunnen zijn bij de beoordeling van de door eiser in 2004 namens de BV gedane betalingen.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De overige stellingen van verweerder behoeven geen nadere behandeling meer.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.J. Lorenzo van Rooij, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. A.M.F. Geerling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 18 maart 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.