Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL8032

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
05/700300-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot werkstraf voor het plegen van strafbare feiten tijdens Oud en Nieuw in de wijk Terweijde in Culemborg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Politierechter

Parketnummer : 05/700300-10

Datum zitting : 5 maart 2010

Datum uitspraak : 19 maart 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2010 te Culemborg opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 1 van Noodbevel van de Burgemeester van de Gemeente Culemborg en/of artikel 2.1.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Culemborg, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door de Pelotons-commandant van de Mobiele Eenheid, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met het herstellen van de openbare orde en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd zich van de straat te begeven en/of te verwijderen, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 5 maart 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3a. De beslissing inzake het bewijs

Salduz-verweer

De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie dient te worden uitgesloten voor het bewijs, nu het recht van de verdachte op consultatie van een advocaat voorafgaande aan het eerste politieverhoor, zoals door het Europees Hof voor de rechten van de Mens ondermeer in het arrest Salduz is neergelegd, is geschonden.

Bij de stukken bevindt zich een formulier waarin verdachte gewezen wordt op zijn recht om voorafgaand aan zijn eerste verhoor overleg te plegen met een advocaat. Verdachte heeft aangegeven dat hij geen gebruik wens te maken van dit recht en heeft het formulier ondertekend.

Op het formulier staat tevens vermeld dat verdachte is uitgelegd dat indien hij gebruik wens te maken van dit recht, hij conform de richtlijnen in verzekering zal worden gesteld door een hulpofficier van justitie.

In aansluiting op het Europees Hof moet volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad een verdachte ondubbelzinnig, bewust en vrijwillig afstand doen van voornoemd recht. Kijkend naar het gebruikte formulier is daar geen sprake van. Het recht op consultatie van een advocaat is immers gekoppeld aan het wel of niet in verzekering worden gesteld. In casu kan dan ook niet worden gesteld dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan en dient de door hem bij de politie afgelegde verklaring uitgesloten te worden van het bewijs.

Verdachte is op 1 januari 2010, omstreeks 02.50 uur, aangehouden terzake niet opvolgen ambtelijk bevel. Om 05.31 uur is het verhoor van verdachte aangevangen en voorafgaande aan dit verhoor is verdachte gewezen op zijn recht op consultatie van een advocaat. Door de politie is voorts uitgelegd dat indien hij gebruik wenst te maken van zijn recht, hij in verzekering zal worden gesteld.

De politierechter is van oordeel dat het bij deze uitleg gaat om het duidelijk maken van de gang van zaken en hier geen sprake is van een soort van ‘dreigen’ met de inverzekeringstelling.

De politierechter acht niet aannemelijk dat verdachte er voor heeft gekozen om af te zien van het consulteren van een advocaat omdat hij er op was gewezen dat indien hij gebruik zou maken van dit recht hij in verzekering zal worden gesteld. Temeer nu verdachte hierover in zijn afgelegde verklaring niets naar voren heeft gebracht.

Op grond van de hiervoor weergegeven gang van zaken meent de politierechter dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op consultatie van een advocaat voorafgaande aan zijn verhoor en zijn verklaring in vrijheid heeft afgelegd. De verklaring behoeft derhalve niet uitgesloten te worden voor het bewijs.

Rechtmatigheid noodbevel

De raadsman heeft betoogd dat de rechtmatigheid van het noodbevel niet vaststaat.

Bij de stukken bevindt zich een noodbevel dat – voor zover hier van belang – luidt:

“…

De bij hem, in het bijzonder van de zijde van de politie ingekomen ambtsberichten van ???;

inzake de ontwikkelingen in de wijk(en) ???;

dit bevel treedt in werking op 31 december 2009 en geldt tot ??? om 9.00 uur, …

Culemborg, ??? december 2009

…”

Nu het aangehaalde noodbevel op diverse plaatsen (???) niet is ingevuld, staat de rechtmatigheid van het noodbevel niet vast. Er kan niet worden gecontroleerd op basis van welke ambtsberichten en inzake de ontwikkelingen in welke wijk(en) het noodbevel is afgegeven. Voorts is niet duidelijk voor welke periode het noodbevel geldt en is het noodbevel niet gedateerd.

Er kan dan ook niet gesteld worden dat de vordering om zich te verwijderen is gedaan krachtens een wettelijk voorschrift.

De politierechter constateert evenals de raadsman dat het noodbevel niet volledig is ingevuld. De vraag is nu of deze omissies de rechtmatigheid van het noodbevel raken.

De politierechter stelt vast dat naast het noodbevel zich ook het aanwijzingsbesluit veiligheidsrisicogebied bij de stukken bevindt. Dit aanwijzingsbesluit dient te worden bezien in onderling verband en samenhang met het noodbevel.

Kijkend naar beide stukken dan blijkt dat:

- het noodbevel is afgegeven naar aanleiding van openbare orde verstoringen die zich in de periode 5 t/m 12 september 2009 en in de periode direct voorafgaand aan de jaarwisseling 2009/2010 hadden voorgedaan in de wijk Terweijde;

- het noodbevel is afgegeven voor het gebeid met de grenzen:

o De Weisteeg

o De Rijksstraatweg

o Parklaan (inclusief groenstrook en gebouwen ten oosten daarvan)

o Provinciale weg N320

- het noodbevel is afgegeven voor de periode 31 december 2009 tot en met 1 januari

2010

- het noodbevel is afgegeven op 30 december 2009

De politierechter is van oordeel dat, gezien beide stukken, de omissies in het noodbevel niet af doen aan de rechtmatigheid van het noodbevel.

Rechtmatigheid van de vordering

De raadsman is van mening dat de vordering niet rechtmatig is.

Uit voornoemd noodbevel blijkt dat kan worden gevorderd zich te verwijderen aan een ieder die zich door gedrag, kleding, meegebrachte voorwerpen of anderszins aanleiding geeft tot het vermoeden dat hij deel zal nemen aan wanordelijkheden.

Verdachte was aanwezig in de Diepenbrockstraat te Culemborg omdat zijn moeder daar woont. Hij wilde haar ‘gelukkig Nieuwjaar’ wensen.

Niet is gebleken dat hij door gedrag, kleding, meegebrachte voorwerpen of anderszins aanleiding geeft tot het vermoeden dat hij deel zal nemen aan wanordelijkheden.

Uit het relaas van verbalisant A.C.M. [verbalisant], pelotonscommandant van de Mobiele Eenheid, komt naar voren dat er op 1 januari 2010, omstreeks 02.45 uur, sprake was van ernstige openbare orde verstoringen door personen die aanwezig waren in de Diepenbrockstraat.

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij zag dat er rellen waren.

De politierechter is van oordeel als er op dat moment, teneinde de openbare orde zo veel mogelijk te herstellen, van de personen die zich in de Diepenbrockstraat bevonden wordt gevorderd om zich te verwijderen ook wat betreft verdachte sprake is van een rechtmatig gegeven vordering. Daar doet niet aan af dat verdachte niet expliciet door gedrag, kleding, meegebrachte voorwerpen of anderszins aanleiding had gegeven tot het vermoeden dat hij deel zal nemen aan de wanordelijkheden.

Voldaan aan de vordering

De raadsman is van mening dat verdachte heeft voldaan aan de vordering.

Verbalisant A.C.M. [verbalisant], Pelotonscommandant van de Mobiele Eenheid, heeft verklaard dat door hem is gevorderd: “Ik vorder van u dat u de straat verlaat of uw woning ingaat”. Gelet op de tekst van deze vordering had verdachte de keuze om de straat te verlaten of om de woning in te gaan. Verdachte bevond zich in de voortuin van de woning van zijn moeder. Hij had daarmee voldaan aan de gegeven vordering om de straat te verlaten.

De politierechter stelt vast dat taalkundig gezien de raadsman gelijk heeft. Daarmee zou echter onrecht worden gedaan aan de strekking van hetgeen werd gevorderd. Er was geen sprake van een keuze. Het moet voor de in de Diepenbrockstraat aanwezige personen duidelijk zijn geweest dat men zich moest verwijderen uit de Diepenbrockstraat. Dit kon door de Diepenbrockstraat te verlaten dan wel door de woning in te gaan. Indien men dus, zoals verdachte deed, in de voortuin bleef staan, voldeed men niet aan de vordering.

3b. De bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 1 januari 2010 te Culemborg opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 1 van Noodbevel van de Burgemeester van de Gemeente Culemborg gedaan door de Pelotons-commandant van de Mobiele Eenheid, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met het herstellen van de openbare orde, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar van hem had gevorderd zich van de straat te begeven en/of te verwijderen, geen gevolg gegeven aan die vordering.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de politierechter rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 18 februari 2010;

• een reclasseringsadvies (beknopt) van de Reclassering Nederland betreffende verdachte, gedateerd 24 februari 2010.

De politierechter overweegt in het bijzonder het navolgende.

De officier van justitie een werkstraf van 30 uren geëist. In deze strafeis heeft de officier van justitie de bijzondere omstandigheden laten meewegen die aan de orde waren in de wijk Terweijde in Culemborg. De officier van justitie heeft gewezen op de noodverordening die van kracht was, het preventief fouilleren en de aanwezigheid van de ME, 7 dagen per week en 24 uur per dag.

De politierechter acht het passend dat voor strafbare feiten die zijn gepleegd in die periode een hogere straf worden geëist dan doorgaans wordt gedaan voor dergelijke feiten.

De politierechter zal derhalve de door de officier van justitie geëiste werkstraf opleggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De politierechter, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 30 (dertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 15 (vijftien) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. D.A. van Steenbeek, als politierechter,

in tegenwoordigheid van M.H.J. Materman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2010.