Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL8031

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
05/730096-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot werkstraf voor het plegen van strafbare feiten tijdens Oud en Nieuw in de wijk Terweijde in Culemborg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Politierechter

Parketnummer : 05/730096-10

Datum zitting : 5 maart 2010

Datum uitspraak : 19 maart 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 01 januari 2010 te Culemborg (telkens) opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten G.H. [slachtoffer1] (hoofdagent) en/of W.J.H. [slachtoffer2] (brigadier), (telkens) gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, beide groepslid en werkzaam bij/als Mobiele Eenheid (ME) en belast met het handhaven en/of herstellen van de openbare orde in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerpolitie", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door middel van een feitelijkheid heeft beledigd door in de richting van die [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] zijn, verdachtes, middelvinger op te steken;

2.

hij op of omstreeks 01 januari 2010 te Culemborg W.J.H. [slachtoffer2] en/of G.H. [slachtoffer1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk dreigend een (bezem)stok en/of ijzeren pijp/buis heeft vastgehouden en/of met die stok en/of pijp/buis één of meer zwaaiende beweging(en) heeft gemaakt en/of met die stok en/of pijp/buis een gevechtshouding heeft aangenomen en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer2] en/of [slachtoffer1] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "kom

maar", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 5 maart 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort.

Als benadeelde partij ten aanzien van feit 2 heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- W.J.H. [slachtoffer2].

De benadeelde partij is tevens terechtzitting verschenen, bijgestaan door mevrouw J. Ross.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren;

- een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij W.J.H. [slachtoffer2] volledig wordt toegewezen, te weten € 250,00, en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het daarbij behorende aantal dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3a. De beslissing inzake het bewijs

Salduz-verweer

De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie dient te worden uitgesloten voor het bewijs, nu het recht van de verdachte op consultatie van een advocaat voorafgaande aan het eerste politieverhoor, zoals door het Europees Hof voor de rechten van de Mens ondermeer in het arrest Salduz is neergelegd, is geschonden.

Bij de stukken bevindt zich een formulier waarin verdachte gewezen wordt op zijn recht om voorafgaand aan zijn eerste verhoor overleg te plegen met een advocaat. Verdachte heeft aangegeven dat hij geen gebruik wens te maken van dit recht en heeft het formulier ondertekend.

Op het formulier staat tevens vermeld dat verdachte is uitgelegd dat indien hij gebruik wenst te maken van dit recht, hij conform de richtlijnen in verzekering zal worden gesteld door een hulpofficier van justitie.

In aansluiting op het Europees Hof moet volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad een verdachte ondubbelzinnig, bewust en vrijwillig afstand doen van voornoemd recht. Kijkend naar het gebruikte formulier is daar geen sprake van. Het recht op consultatie van een advocaat is immers gekoppeld aan het wel of niet in verzekering worden gesteld. In casu kan dan ook niet worden gesteld dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan en dient de door hem bij de politie afgelegde verklaring uitgesloten te worden van het bewijs.

Verdachte is op 1 januari 2010, omstreeks 07.20 uur, aangehouden terzake bedreiging en belediging. Om 12.10 uur is het verhoor van verdachte aangevangen en voorafgaande aan dit verhoor is verdachte gewezen op zijn recht op consultatie van een advocaat. Door de politie is voorts uitgelegd dat indien hij gebruik wenst te maken van zijn recht, hij in verzekering zal worden gesteld.

De politierechter is van oordeel dat het bij deze uitleg gaat om het duidelijk maken van de gang van zaken en hier geen sprake is van een soort van ‘dreigen’ met de inverzekeringstelling.

De politierechter acht niet aannemelijk dat verdachte er voor heeft gekozen om af te zien van het consulteren van een advocaat omdat hij er op was gewezen dat indien hij gebruik zou maken van dit recht hij in verzekering zal worden gesteld. Temeer nu verdachte hierover in zijn afgelegde verklaring niets naar voren heeft gebracht.

Op grond van de hiervoor weergegeven gang van zaken meent de politierechter dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op consultatie van een advocaat voorafgaande aan zijn verhoor en zijn verklaring in vrijheid heeft afgelegd. De verklaring behoeft derhalve niet uitgesloten te worden voor het bewijs.

Feit 1

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij verbalisanten G.H. [slachtoffer1] en W.J.H. [slachtoffer2] heeft beledigd door hen de woorden “kankerpolitie” toe te voegen en door zijn middelvinger in de richting van genoemde verbalisanten op te steken.

Op grond van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring en het relaas van verbalisant W.J.H. [slachtoffer2] acht de politierechter bewezen dat verdachte genoemde [slachtoffer2] heeft beledigd zoals in de tenlastelegging is verwoord.

De politierechter acht niet bewezen dat verbalisant [slachtoffer1] eveneens is beledigd. Op grond van het relaas van [slachtoffer1] is niet komen vast te staan dat hij heeft gehoord dat verdachte hem de woorden “kankerpolitie” heeft toegevoegd en dat hij heeft gezien verdachte de middelvinger in zijn richting heeft opgestoken. Derhalve is niet gebleken dat ook verbalisant [slachtoffer1] door de handelingen van verdachte in zijn eer en goede naam is aangetast, zodat wat hem betreft niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Feit 2

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij verbalisanten G.H. [slachtoffer1] en W.J.H. [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling door dreigend een (bezem) stok vast te houden en/of een ijzeren pijp/buis vast te houden en met die stok en/of pijp/buis zwaaiende bewegingen te maken en/of met die stok en/of pijp/buis een gevechtshouding aan te nemen en de voornoemde verbalisanten de woorden toe te voegen: “Kom maar”.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een bezem met de punt naar voren heeft vastgehouden, zwaaiende bewegingen heeft gemaakt met die bezem en heeft gezegd: “Kom maar”.

Verbalisant [slachtoffer2] heeft gerelateerd dat verdachte eerst een bezemstok heeft vastgehouden en iets later een ijzeren pijp/buis. Uit het relaas van verbalisant [slachtoffer1] komt naar voren dat hij alleen de ijzeren pijp/buis heeft waargenomen.

Op grond van voornoemde verklaringen van verdachte en de verbalisanten [slachtoffer2] en [slachtoffer1] is vast komen te staan dat verdachte een bezemstok en vervolgens een ijzeren pijp/buis heeft vastgehouden, zwaaiende bewegingen heeft gemaakt en hij verbalisanten heeft toegevoegd: “Kom maar”.

De politierechter komt niet tot een bewezenverklaring van de bedreiging met een bezemstok en zal dit deel strepen uit de bewezenverklaring. Beide verbalisanten waren gekleed in het ME-uniform. Gelet op de kleding van een ME-er is een bedreiging met een bezemstok niet van dien aard dat bij de verbalisanten de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar zouden kunnen worden mishandeld. De politierechter zal eveneens de woorden “Kom maar” strepen uit de bewezenverklaring, nu niet duidelijk is geworden of verdachte deze woorden heeft geuit op het moment dat hij de bezemstok vast had of de ijzeren pijp/buis.

De politierechter komt wel tot een bewezen verklaring van de bedreiging met een ijzeren pijp/buis. Dit levert een bedreiging met zware mishandeling op. Bij de verbalisanten kon de redelijke vrees ontstaan dat zij, in ieder geval, zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen als zij met de ijzeren pijp/buis zouden worden geraakt.

3b. De bewezenverklaring

De politierechter acht, gelet op het vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 1 januari 2010 te Culemborg opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten W.J.H. [slachtoffer2] (brigadier), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, groepslid en werkzaam bij/als Mobiele Eenheid (ME) en belast met het handhaven en/of herstellen van de openbare orde in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerpolitie" en door middel van een feitelijkheid heeft beledigd door in de richting van die [slachtoffer2] zijn, verdachtes, middelvinger op te steken;

2.

hij op 1 januari 2010 te Culemborg W.J.H. [slachtoffer2] en G.H. [slachtoffer1] heeft bedreigd met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk dreigend een ijzeren pijp/buis heeft vastgehouden en met die pijp/buis bewegingen heeft gemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn functie.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6a. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de politierechter rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 18 februari 2010;

• een reclasseringsadvies (beknopt) van de Reclassering Nederland betreffende verdachte, gedateerd 24 februari 2010.

De politierechter overweegt in het bijzonder het navolgende.

De officier van justitie heeft voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en een werkstraf van 100 uren geëist. In deze strafeis heeft de officier van justitie de bijzondere omstandigheden laten meewegen die aan de orde waren in de wijk Terweijde in Culemborg. De officier van justitie heeft gewezen op de noodverordening die van kracht was, het preventief fouilleren en de aanwezigheid van de ME, 7 dagen per week en 24 uur per dag.

De politierechter acht het passend dat voor strafbare feiten die zijn gepleegd in die periode een hogere straf worden geëist dan doorgaans wordt gedaan voor dergelijke feiten.

De politierechter zal de duur van de op te leggen werkstraf echter, nu verdachte niet eerder door een strafrechter is veroordeeld, enigszins matigen. Gelet op het ontbreken van een strafrechtelijk verleden bij verdachte kan naar het oordeel van de politierechter het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf nog achterwege blijven.

6b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij W.J.H. [slachtoffer2] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Hij vordert een bedrag van € 250,00 aan immateriële schadevergoeding.

De politierechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks de gevorderde schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering volledig kan worden toegewezen.

De politierechter zal tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen en dus verdachte de verplich¬ting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de politierechter toe te wijzen schadebe¬drag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder

punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 40 (veertig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij W.J.H. [slachtoffer2] (feit 2).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan W.J.H. [slachtoffer2], per adres postbus

9109, 6500 HL Nijmegen, te betalen in hoofdsom € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot

op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

W.J.H. [slachtoffer2], per adres postbus 9109, 6500 HL Nijmegen, te betalen in hoofdsom

€ 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 (vijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. D.A. van Steenbeek, als politierechter,

in tegenwoordigheid van M.H.J. Materman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2010.