Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL7700

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/41
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft loonbelasting wel ingehouden maar niet afgedragen. Deze is terecht nageheven. Artikel 16 van de AWR noch het vertrouwensbeginsel staan daaraan in de weg. De boetebeschikking wordt onder verwijzing naar HR 26 juni 2009, nr. 42 764, vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/32.6 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0761
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/41

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 16 maart 201[A]ke

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].A.01.2500) Loonbelasting/Premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) opgelegd van € 16.097, alsmede bij beschikking een boete van € 1.609 en € 3.204 aan heffingsrente.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 20 november 2008 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 24 december 2008, ontvangen bij de rechtbank op

29 december 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010 te Arnhem.

Namens eiseres is daar verschenen haar directeur, [A], bijgestaan door zijn echtgenote, mevrouw [B], alsmede de gemachtigde van eiseres,

mr. [gemachtigde] (hierna ook: de gemachtigde). Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en mr. [D].

Eiseres heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota gefaxt aan de rechtbank en aan verweerder. Deze pleitnota wordt geacht te zijn voorgedragen en tot de gedingstukken gerekend. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan verstrekt aan de rechtbank en aan de wederpartij. Ook deze pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

[A] (hierna: [A]) is directeur en enig aandeelhouder van eiseres. [A] heeft in 2002 van eiseres een salaris van € 49.008 ontvangen waarop € 16.097 loonbelasting is ingehouden. Deze loonbelasting heeft eiseres niet afgedragen.

In verband met het niet indienen van de aangiften LB/PVV zijn aan eiseres onder meer voor de maanden januari 2002 tot en met december 2002 naheffingsaanslagen LB/PVV opgelegd naar geschatte bedragen. Tevens zijn verzuimboetes opgelegd van € 813 voor de tijdvakken januari, februari en maart 2002 en van € 1.513 voor de tijdvakken april tot en met december 2002. Hiervan heeft € 113 betrekking op het niet doen van aangifte en het restant op het niet afdragen van de belasting.

De naheffingsaanslag LB/PVV voor de maand januari 2002 is op 21 juni 2002 ambtshalve verminderd tot nihil. De gelijktijdig met deze naheffingsaanslag opgelegde verzuimboete vanwege het niet betalen van de belasting is verminderd tot nihil. De verzuimboete van € 113 vanwege het niet doen van aangifte is gehandhaafd.

Op 25 oktober 2002 heeft [A] van zijn privé rekening een bedrag van € 8.189 betaald. Deze betaling heeft, zoals blijkt uit het betalingskenmerk dat is vermeld op het rekeningafschrift, betrekking op de naheffingsaanslag LB/PVV die voor het tijdvak maart 2002 aan eiseres is opgelegd.

[A] heeft namens eiseres alsnog aangiften LB/PVV gedaan voor (in ieder geval) de tijdvakken mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en december 2002. Hierbij is gebruik gemaakt van de aan eiseres uitgereikte aangiftebiljetten. De aangiften zijn gedagtekend 4 april 2004 en ondertekend door [A]. Bij ‘Gegevens belastingconsulent’ is [E] ingevuld. Zowel onder de rubriek ‘Loon’ als onder de rubriek ‘Te betalen loonbelasting/premie volksverzekeringen’ is ‘nihil’ ingevuld.

De naheffingsaanslagen LB/PVV voor de tijdvakken februari, maart en april 2002 zijn op 23 april 2004 ambtshalve verminderd tot nihil. De naheffingsaanslagen voor de tijdvakken april tot en met december 2002 zijn op 30 april 2004 ambtshalve verminderd tot nihil. De gelijktijdig met de naheffingsaanslagen opgelegde verzuimboetes die zijn opgelegd vanwege het niet betalen van de belasting zijn verminderd tot nihil. De verzuimboetes van € 113 vanwege het niet doen van aangifte zijn gehandhaafd.

[A] heeft op 23 november 2004 op papier aangifte Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2002 gedaan. Deze aangifte is op 26 november 2004 door de Belastingdienst ontvangen. In deze aangifte is de niet afgedragen loonheffing van € 16.097 verrekend als voorheffing. De aanslag IB/PVV is overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd.

In de brief van 18 mei 2005 van [F] (hierna: [F]) van Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Hilversum (hierna: Belastingdienst Hilversum) aan de gemachtigde van eiseres is onder meer het volgende vermeld:

‘ Naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften tegen de opgelegde ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting 1997 tot en met 2001 van uw cliënt, de heer [A], en de gevoerde telefoongesprekken doe ik u hierbij toekomen een overzicht van de stukken welke ik gaarne ter inzage wil ontvangen.

(…)

9. Inkomsten uit dienstbetrekking 1999

Gaarne toezending van de jaaropgaaf en stukken waaruit blijkt dat de ingehouden loonheffing ook daadwerkelijk is afgedragen.

Gelet op de gevraagde voortgang in de afhandeling van de ingediende bezwaarschriften heb ik het overzicht beperkt tot de benodigde stukken. (…)

Zodra ik de stukken heb ontvangen kan ik verdergaan met de ingediende bezwaarschriften. (…)’

In de brief van 24 mei 2005 van [G] (hierna: [G]) van Belastingdienst Hilversum aan de gemachtigde is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘ De alsnog ingediende aangiftes vennootschapsbelasting 1999 tot en met 2002 zijn bij mij in behandeling en vormen voor mij aanleiding tot het stellen van de volgende vragen en het plaatsen van enkele opmerkingen.

(…)’

In de brief van de gemachtigde van 30 augustus 2005 aan [F] die gaat over [A] is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘ Ter voorbereiding op onze bespreking van 8 september a.s. doen wij u bijgaand toekomen de relevante bescheiden ten aanzien van de door u gestelde vragen.

(…)

9.

Bijgaand de jaaropgaaf over 1999 [A]. Uit de opgevraagde bankafschriften uit 1999 van [X] B.V. blijkt dat in het bestreffende jaar voor ruim € 68.000 aan belastingen is betaald. Uit de betalingen kunnen we onmogelijk nagaan of daarin ook de loonheffing over 1999 is afgedragen. Overigens is dit niet van belang voor de aangifte inkomstenbelasting 1999.

(…)’

In de brief van de gemachtigde van 30 augustus 2005 aan [G] die gaat over eiseres is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘ Ter voorbereiding op onze bespreking van 8 september a.s. doen wij u bijgaand toekomen een uiteenzetting van de nog openstaande vragen (…).

1999

Zoals bekend was het grootste deel van de administratie van onze cliënt in het ongerede geraakt als gevolg van het faillissement van [a ] B.V. waarvan [X] B.V. aandeelhouder was. Het overgrote deel van de administratie is boven water gekomen echter niet over het jaar 1999.

(…)’

Vervolgens wordt in deze brief ingegaan op de door [G] in zijn brief van

24 mei 2005 gestelde vragen. Zo gaat de gemachtigde in op de kosten van eiseres voor het jaar 1999, waaronder loonkosten. Ook voor het jaar 2000 is onder meer ingegaan op personeelskosten en algemene kosten. Voor de jaren 2001 en 2002 heeft gemachtigde specificaties van overige personeelskosten overgelegd en voor het jaar 2002 ook een specificatie van de algemene kosten.

Vervolgens heeft op 8 september 2005 een bespreking plaatsgevonden bij de Belastingdienst Hilversum. Hiervan is door [G] een verslag gemaakt. In dit verslag komen de volgende onderwerpen aan de orde: de inkomstenbelasting voor de jaren 1995 tot en met 2003, de vennootschapsbelasting voor de jaren 1999 tot en met 2004 en de aangifte vennootschapsbelasting 2005.

Bij brief van 2 mei 2007 [H] (hierna: [H]), werkzaam bij verweerder, eiseres met betrekking tot het jaar 2002 het volgende:

‘ Bij de (voorbereiding van de) behandeling van de aangifte vennootschapsbelasting 2004 van [X] BV. zijn een aantal vragen gerezen met betrekking tot de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2002 (…).

Jaar 2002

Volgens opgaaf is er in 2002 aan salaris genoten een bedrag van € 49.008. Hierover zou zijn ingehouden

€ 16.097. Dit bedrag is in de aangifte inkomstenbelasting 2002 verrekend. Voor zover ik heb kunnen constateren heeft er over 2002 geen enkele afdracht plaatsgevonden. Alle (ambtshalve) opgelegde naheffingsaanslagen zijn teruggebracht tot nihil. Graag verneem ik van u of mijn constatering juist is. Indien er wel afdrachten hebben plaatsgevonden dan verneem ik graag van u op welke wijze dit is gebeurd (data, tijdvakken, bedragen en loonbelastingnummer).’

Hierop reageert de gemachtigde bij brief van 10 mei 2007. In deze brief is voor zover van belang het volgende vermeld:

‘ (…) Begin dit jaar is [X] B.V. alsmede de heer [A] verhuist van de inspectie Hilversum naar uw inspectie. (…)

Op 8 september 2005 hebben wij op het belastingkantoor in Hilversum een bespreking gehad met uw collega, de heer [G] en de heer [F] over de aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 1999 tot en met 2004. Naar aanleiding van deze bespreking zijn afspraken gemaakt die in de betreffende aangiften zijn verwerkt. Voor wat betreft de aangifte vennootschapsbelasting 2004 en voorgaande jaren willen wij u dan ook verwijzen naar de heer [G]. (…)’

In reactie op deze brief schrijft [H] in zijn brief van 23 oktober 2007 onder meer:

‘Medio augustus 2007 heb ik uit Hilversum reaktie ontvangen met de aantekening dat nog zou worden getracht gegevens te achterhalen. Onlangs heb ik vernomen, dat bij het gesprek op 8 september 2005 punten ten aanzien van de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting aan de orde zijn geweest. Mijn collega [G] kon zich niet herinneren, dat gesproken is over de (niet) afgedragen loonbelasting/loonheffing over de jaren tot en met 2004.

De vragen die ik in mijn brief van 2 mei 2007 heb gesteld zijn dan ook niet beantwoord. (…)’

Met dagtekening 12 december 2007 zijn de in geding zijnde naheffingsaanslag LB/PVV, boetebeschikking en beschikking heffingsrente aan eiseres opgelegd. Eiseres heeft hiertegen bij brief van 10 januari 2008 bezwaar gemaakt. Hierin is tevens verzocht om toekenning van een vergoeding voor de kosten van bezwaar.

Op 7 oktober 2008 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Vervolgens is bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2008 het bezwaar afgewezen.

3. Geschil

In geschil is:

a. of de naheffingsaanslag LB/PVV vernietigd moet worden omdat het bepaalde in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) hieraan in de weg zou staan;

b. of de naheffingsaanslag LB/PVV vernietigd moet worden wegens strijd met het vertrouwensbeginsel;

c. of de boete terecht is opgelegd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Strijd met artikel 16 AWR?

De rechtbank stelt voorop dat partijen er ten onrechte vanuit gaan dat het opleggen van een naheffingsaanslag LB/PVV in dit geval slechts mogelijk is als voor de inkomstenbelasting is voldaan aan de voorwaarden van artikel 16, eerste lid, van de AWR. Het gaat in dit geval immers om de situatie dat te weinig inkomstenbelasting is geheven omdat ten onrechte loonbelasting is verrekend. Hierop is het bepaalde in tweede lid van voornoemd artikel van toepassing. Een nieuw feit is dan niet vereist. Het door partijen aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1993, nr. 27 813, BNB 1993/138, waarin is beslist dat geen naheffingsaanslag loonbelasting mag worden opgelegd als in de inkomstenbelasting navordering niet mogelijk was geweest vanwege het ontbreken van een nieuw feit, mist in dit geval dan ook toepassing.

In artikel 16, tweede lid, van de AWR, worden geen extra eisen gesteld aan het opleggen van een navorderingsaanslag, zodat ook aan het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag geen extra eisen worden gesteld. Van strijd met het bepaalde in artikel 16 van de AWR is dan ook geen sprake.

Vertrouwensbeginsel

De regel dat altijd kan worden nageheven geldt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet in de situatie dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Eiseres heeft zich in dit verband beroepen op het vertrouwensbeginsel. Eiseres stelt zich op het standpunt dat, gelet op het overleg dat met de Belastingdienst Hilversum heeft plaatsgevonden, welk overleg erop was gericht openheid van zaken te geven en schoon schip te maken, zij erop mocht vertrouwen dat de Belastingdienst zou nagaan of de loonbelasting over het jaar 2002 was afgedragen. Te meer nu ook voor 2002 de balansposten zijn besproken, waaronder de balanspost loonbelasting. Eiseres kon volgens haar zeggen niet zien of deze verschuldigd was omdat zij de onderliggende stukken niet had.

Wil in een geval als dit het beroep op het vertrouwensbeginsel slagen, dan is vereist dat de Belastingdienst Hilversum in redelijkheid de indruk bij (de gemachtigde van) eiseres heeft kunnen wekken dat is nagegaan of voor 2002 loonbelasting is afgedragen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan op grond van de volgende overwegingen in dit geval geen sprake.

De rechtbank stelt voorop dat gesteld noch gebleken is dat tijdens de gesprekken die in 2005 hebben plaatsgevonden de loonbelasting 2002 expliciet aan de orde is gesteld. Tevens is gesteld noch gebleken dat door de Belastingdienst Hilversum en/of verweerder op enig moment is toegezegd dat geen naheffingsaanslag LB/PVV voor het jaar 2002 zou worden opgelegd.

Eiseres heeft voor het jaar 2002 wel € 16.097 loonheffing op het salaris van [A] ingehouden maar deze vervolgens niet afgedragen. In verband hiermee zijn naheffingsaanslagen LB/PVV opgelegd naar geschatte bedragen. Vervolgens heeft [A] in april 2004, in ieder geval voor de tijdvakken mei 2002 tot en met december 2002, namens eiseres zogenoemde nihilaangiften LB/PVV gedaan. Daarna zijn de naar geschatte bedragen opgelegde naheffingsaanslagen LB/PVV over het jaar 2002 ambtshalve verminderd tot nihil, met uitzondering van de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak januari 2002 die medio 2002 al was verminderd tot nihil. Vervolgens heeft [A] eind 2004 aangifte IB/PVV 2002 gedaan waarbij hij de niet afgedragen loonheffing van € 16.097 als voorheffing heeft verrekend.

Gelet op deze gang van zaken en gelet op het feit dat de afdracht van loonbelasting 2002 niet het onderwerp van gesprek was met de Belastingdienst Hilversum, had het naar het oordeel van de rechtbank in eerste instantie op de weg van eiseres gelegen om de afdracht van loonbelasting over 2002 zelf ter sprake te brengen en hierover desgewenst informatie te verstrekken. Van de Belastingdienst Hilversum kan en mag ook redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij uit eigen beweging het systeem gaat raadplegen op zoek naar niet afgedragen loonbelasting. Het enkel bespreken van de balanspost loonbelasting is onvoldoende om aan te nemen dat door de Belastingdienst Hilversum bij (de gemachtigde van) eiseres in redelijkheid de indruk bij is gewekt dat is nagegaan of voor 2002 loonbelasting is afgedragen.

Dat de afdracht van loonbelasting niet aan de orde is gesteld omdat [A] als gevolg van de moeilijke omstandigheden waarin hij op dat moment verkeerde, geen overzicht meer had, is bij de beantwoording van de vraag of eiseres een beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel niet relevant. Het nadelige gevolg dat eiseres hiervan ondervindt, te weten dat zij in december 2007 geconfronteerd wordt met een naheffingsaanslag LB/PVV 2002, dient voor haar rekening te komen en te blijven. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen.

Boete

Het ne-bis-in-idembeginsel beoogt te voorkomen dat iemand tweemaal voor hetzelfde feit wordt bestraft. Het ne-bis-in-vexaribeginsel beoogt te bewerkstelligen dat iemand niet tweemaal voor hetzelfde feit wordt vervolgd. In casu heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in strijd met deze beginselen gehandeld als gevolg waarvan de boetebeschikking moet worden vernietigd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Bij de eerste naheffingsaanslagen LB/PVV die voor het jaar 2002 zijn opgelegd, zijn verzuimboetes (hierna ook: de eerste verzuimboete) opgelegd vanwege het niet afdragen van loonbelasting voor de tijdvakken in 2002. Deze verzuimboetes zijn, gelijktijdig met het verminderen van de naheffingsaanslagen LB/PVV 2002 tot nihil, verminderd tot nihil. Vervolgens is bij de thans in geding zijnde naheffingsaanslag wederom een verzuimboete (hierna ook: de tweede verzuimboete) opgelegd vanwege het niet afdragen van de loonbelasting voor de tijdvakken in 2002.

Omdat de tweede verzuimboete is opgelegd voor hetzelfde feit als waarvoor de eerste verzuimboete is opgelegd, dient de tweede verzuimboete te worden vernietigd. De rechtbank heeft hierbij aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2009, nr. 42 764, LJN: BD0200, VN 2009/32.8. Dat in dit geval, anders dan in voornoemd arrest, de eerste verzuimboete is verminderd tot nihil en het om een eerste verzuimboete gevolgd door een tweede verzuimboete gaat, maakt niet dat dit arrest toepassing mist.

Conclusie

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep tegen de naheffingsaanslag LB/PVV en de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard. Het beroep tegen de boetebeschikking is gegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van

€ 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag LB/PVV ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de beschikking heffingsrente ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de boetebeschikking gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze de boetebeschikking betreft;

- vernietigt de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 966;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 288 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. E.C.G. Okhuizen en mr. C.W.J. Lorenzo van Rooij, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 16 maart 2010

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.