Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL7186

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
184170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De VIA legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Internetvakbond toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst met de VIA. Deze tekortkoming bestaat uit een incorrecte uitvoering van de ledenraadpleging, het verstrekken van onjuiste informatie aan de VIA over het aantal leden van de Internetvakbond, het niet tijdig informeren van de VIA over de onjuiste aanmeldingswijze en van het gebrek aan geregistreerde leden en/of het zich op ondeugdelijke dan wel oneigenlijke gronden terugtrekken uit het CAO-traject. Deze tekortkoming levert volgens de VIA ook een onrechtmatige daad op, die de Internetvakbond kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 184170 / HA ZA 09-755

Vonnis van 3 maart 2010

in de zaak van

de vereniging

VERENIGING VAN INTERNATIONALE ARBEIDSBEMIDDELAARS,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

advocaat mr. D.A.M. Lagarrigue te Eindhoven,

tegen

1. de vereniging

DE INTERNETVAKBOND,

gevestigd te Culemborg,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

2. de vereniging

DE UNIE, VAKBOND VOOR INDUSTRIE EN DIENSTVERLENING,

gevestigd te Culemborg,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

4. [gedaagde4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

Partijen zullen hierna de VIA en de Internetvakbond, de Unie, [gedaagde3] en [gedaagde4] genoemd worden. De Internetvakbond, de Unie en [gedaagde3] zullen gezamenlijk worden aangeduid als de Internetvakbond c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 september 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 30 november 2009,

- de akte houdende wijziging/vermeerdering van eis tevens akte overlegging productie van de VIA van 23 december 2009,

- de akte houdende reactie op wijziging/vermeerdering van eis en overlegging van een nadere productie van de Internetvakbond c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De VIA behartigt als werkgeversvereniging de belangen van bedrijven die zich met name bezig houden met de arbeidsbemiddeling voor werknemers die niet permanent in Nederland wonen (‘arbeidsmigranten’). De VIA heeft al enige jaren de wens om een CAO te sluiten.

2.2. De Internetvakbond is in 2006 opgericht en behartigt als werknemersvereniging de belangen van werknemers. De Internetvakbond is opgericht door [gedaagde4], die tot medio 2009 ook werknemer en bestuurder van de Unie was. De Internetvakbond is gevestigd op hetzelfde adres als de Unie.

2.3. In augustus 2008 heeft de VIA onder meer de Internetvakbond benaderd met het verzoek met haar in onderhandeling te treden over een CAO. De Internetvakbond is op die uitnodiging ingegaan en partijen zijn met elkaar in onderhandeling getreden. De heer [betrokkene1] trad tijdens die onderhandelingen op als vertegenwoordiger van de Internetvakbond. [gedaagde4] was destijds als bestuurder bevoegd om namens de Internetvakbond een CAO te sluiten.

2.4. In het kader van de onderhandelingen heeft de VIA haar leden verzocht zoveel mogelijk van hun werknemers bij de Internetvakbond aan te dragen om daarvan lid te worden. De aanmelding van deze leden verliep via de VIA, die de gegevens van de werknemers per e-mail ontving van haar leden en die dan doorzond aan de Internetvakbond. Op deze wijze werden deze werknemers, zo was tussen de Internetvakbond en de VIA afgesproken, per direct lid van de Internetvakbond.

2.5. Op 27 januari 2009 heeft de Internetvakbond per e-mail, onder meer aan de VIA, bericht dat ‘inmiddels ca. 1.350 werknemers lid zijn geworden van de Internetvakbond’ en dat ‘het betreft werknemers waarvan de werkgevers zijn aangesloten bij de VIA’.

2.6. Op 28 januari 2009 is tussen de VIA en de Internetvakbond een principeakkoord voor een CAO gesloten. Op 29 januari 2009 heeft de Internetvakbond hierover een bericht geplaatst op haar website met onder meer de volgende tekst:

‘Onderhandelaar [betrokkene1] benadrukt dat er goede argumenten zijn om dit principe-akkoord positief voor te leggen aan de leden.’

2.7. In een ‘voortgangsrapportage’ van 30 januari 2009 van [gedaagde4], gericht aan het bestuur van de Internetvakbond, de BR Commissie Beleid en Advies en het Hoofdbestuur van de Unie en op dezelfde datum doorgestuurd aan de VIA, staat onder meer het volgende opgenomen:

‘Ledenaantal Internetvakbond

Bij de start is gebruik gemaakt van een ledenbestand van de Unie. Het betrof Unie leden welke participeerde in een digitaal project van De Unie (ca 1500 leden). M.a.w. een administratieve handeling, Unie leden welke zonder kosten een dubbel lidmaatschap hadden met De Unie en De Internetvakbond. Eind 2008 is het ledenbestaand van de Internetvakbond opgeschoond. Per 1 januari 2009 heeft de Internetvakbond 646 geregistreerde leden.’

2.8. Als bijlage bij deze voortgangsrapportage is een ‘interne notitie’ betreffende de ‘toelichting principe akkoord CAO tijdelijke arbeidsmigranten’ gevoegd. Deze notitie bevat onder meer de volgende passages:

‘Hoe nu verder:

1. Komende week zal er een achterban raadpleging plaatsvinden onder de leden van de Intenetvakbond. Op dit moment betreft het 5200 leden welke gebruik hebben gemaakt van de Aktie van de Internetvakbond (…). Bij de werkgevers is aangegeven dat wij streven naar ca. 10.000 leden betrokken bij de CAO VIA. (…)

2. Naar de werkgevers VIA is aangegeven dat het principe akkoord na de ledenraadpleging zal worden voorgelegd aan het Bestuur van de Internetvakbond, de BR Commissie Beleid en Advies en het HB van De Unie. (…)

5. Het principe akkoord zal gelijktijdig door de VIA worden voorgelegd aan haar achterban.’

2.9. In de landelijke pers en onder de vakbonden is enige ophef ontstaan over het principe akkoord over de CAO-VIA. Samengevat komt het erop neer dat de vakbonden het niet nodig vonden nog een uitzend-CAO te sluiten. Zij hebben zich daarover in negatieve bewoordingen uitgelaten, ook tegenover de Internetvakbond.

2.10. Op 4 februari 2009 heeft [gedaagde4] een e-mail gezonden met als onderwerp ‘Ledenraadpleging principe akkoord CAO VIA’. De e-mail is gericht aan het e-mailadres van de Internetvakbond en bevat de volgende tekst:

‘Culemborg 4 februari 2009

Beste leden van de Internetvakbond,

Bijgevoegd treffen jullie de samenvatting aan van het principe akkoord dat de Internetvakbond heeft afgesloten met de werkgeversvereniging VIA.

Graag willen wij jullie mening weten over dit principe akkoord. Stuur daarom een mail aan internetvakbond@unie.nl< en geef aan of je kunt instemmen met het akkoord, of dat je niet kunt instemmen met het akkoord.

Indien je inhoudelijke reacties of opmerkingen hebt over het akkoord, dan zijn die natuurlijk ook welkom.

Willen jullie je mening en eventuele inhoudelijke reacties uiterlijk maandag 9 februari bij ons kenbaar maken?

Alvast dank voor jullie reactie.

De Internetvakbond.’

2.11. Bij e-mail van 9 februari 2009 heeft [gedaagde4] aan de advocaat van de VIA bericht:

‘Donderdagavond heeft er overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de VIA en de Internetvakbond. Daar heb ik namens de Internetvakbond aangegeven dat nu een verzoek indien tot dispensatie van de VIA CAO, voor de Internetvakbond niet aan de orde is. Wij wachten het aangekondigde overleg met minister Donner af.

Los van de VIA Cao zijn er bestuurlijke vraagstukken binnen de Internetvakbond gerezen, welke het bijeenroepen van een algemene ledenvergadering op korte termijn noodzakelijk maken. De Internetvakbond zal deze algemene ledenvergadering afwachten alvorens te besluiten, wel of niet de door u gevraagde bescheiden aan te leveren.’

2.12. Op 11 februari 2009 heeft [gedaagde4] in een e-mail aan de heer [betrokkene2], voorzitter van de VIA, geschreven:

‘De ledenraadpleging van de Internetvakbond over het principeakkoord CAO-VIA heeft een teleurstellend aantal reacties opgeleverd (in totaal 3). Dit betekent dat, vanuit bestuurlijk oogpunt gezien, er onvoldoende reacties zijn om tot een betrouwbaar beeld te komen, welk een verzoek tot dispensatie van de CAO VIA kan rechtvaardigen. De Internetvakbond zal derhalve na zorgvuldige afweging, een aanmelding van de CAO VIA en een dispensatieverzoek niet steunen. Wij zullen ons blijven inzetten om de punten die de Internetvakbond heeft ingebracht bij het cao-overleg op ander manieren te realiseren. Wij vertrouwen erop hiermede na behoren het VIA bestuur te hebben geïnformeerd.’

2.13. Per 12 februari 2009 is [gedaagde4] arbeidsongeschikt geraakt. De arbeidsovereenkomst tussen De Unie en [gedaagde4] is bij beschikking van 23 september 2009 door de kantonrechter te Arnhem ontbonden per 15 oktober 2009.

2.14. Op 24 februari 2009 heeft de VIA conservatoir bewijsbeslag gelegd op diverse schriftelijke en digitale stukken van de Internetvakbond. Bij vonnis in incident van 22 juli 2009 is de Internetvakbond veroordeeld om aan de VIA op grond van art. 843a Rv. (volledige) inzage te verlenen in de bescheiden waarop op 24 februari 2009 conservatoir beslag is gelegd.

3. Het geschil

3.1. De VIA vordert samengevat - na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(i) voor recht te verklaren dat de Internetvakbond toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van het principeakkoord en/of een onrechtmatige daad jegens de VIA heeft gepleegd,

(ii) de Internetvakbond primair te veroordelen tot rectificatie in minimaal twee landelijke dagbladen, waarin zij haar excuses aanbiedt voor het zich op oneigenlijke gronden terugtrekken uit het CAO-traject, subsidiair de Internetvakbond te veroordelen tot het publiceren van de volledige tekst van het (eind)vonnis in onderhavige kwestie in minimaal twee landelijke dagbladen. Zowel primair als subsidiair de Internetvakbond te veroordelen aan de toegewezen vordering te voldoen zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat de Internetvakbond nalaat geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling te voldoen,

(iii) voor recht te verklaren dat de Unie een onrechtmatige daad jegens de VIA heeft gepleegd,

(iv) voor recht te verklaren dat [gedaagde4] een onrechtmatige daad jegens de VIA heeft gepleegd,

(v) voor recht te verklaren dat [gedaagde3] een onrechtmatige daad jegens de VIA heeft gepleegd,

(vi) de Internetvakbond, de Unie, [gedaagde4] en [gedaagde3], althans de gedaagden die aansprakelijk worden geacht voor de schade, hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding nader op te maken bij staat,

(vii) de Internetvakbond, de Unie, [gedaagde4] en [gedaagde3], althans de gedaagde(n) die aansprakelijk worden geacht voor de schade, hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een voorschot ad € 75.000,--,

(viii) de Internetvakbond te veroordelen in de kosten van het incident,

(ix) de Internetvakbond, de Unie, [gedaagde4] en [gedaagde3] hoofdelijk te veroordelen in de kosten in de hoofdzaak,

3.2. De VIA legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Internetvakbond toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst met de VIA. Deze tekortkoming bestaat uit een incorrecte uitvoering van de ledenraadpleging, het verstrekken van onjuiste informatie aan de VIA over het aantal leden van de Internetvakbond, het niet tijdig informeren van de VIA over de onjuiste aanmeldingswijze en van het gebrek aan geregistreerde leden en/of het zich op ondeugdelijke dan wel oneigenlijke gronden terugtrekken uit het CAO-traject. Deze tekortkoming levert volgens de VIA ook een onrechtmatige daad op, die de Internetvakbond kan worden toegerekend. De VIA stelt verder dat [gedaagde4] en [gedaagde3] als bestuurders van de Internetvakbond onrechtmatig hebben gehandeld jegens de VIA. De VIA maakt [gedaagde4] daarbij het verwijt dat hij het vertrouwen van de VIA heeft gewekt dat de Internetvakbond zou zorgen voor voldoende leden om een VIA-CAO tot stand te brengen en dat, als er inderdaad maar drie leden zouden zijn, [gedaagde4] de VIA heeft misleid. De VIA stelt verder dat de Internetvakbond en de Unie met elkaar gelijk gesteld dienen te worden dan wel dat de gedragingen van de Internetvakbond aan de Unie kunnen worden toegerekend. Zo is de Unie steeds door de Internetvakbond op de hoogte gehouden van de status van de onderhandelingen en zijn de twee vakbonden feitelijk met elkaar verweven omdat ze op hetzelfde adres zijn gevestigd, dezelfde e-mailinfrastructuur gebruiken en werknemers van de Unie bij de Internetvakbond werkten. Volgens de VIA dienen de Internetvakbond en de Unie daarom vereenzelvigd te worden. Daarmee heeft ook de Unie onrechtmatig gehandeld jegens de VIA.

3.3. De Internetvakbond en de Unie voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. [gedaagde4] is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen.

3.4. [gedaagde3] is op de comparitie van partijen aanwezig geweest. Mr. F.A.M. Knïppe heeft zich toen voor hem gesteld. [gedaagde3] heeft, behalve op de comparitie, geen verweer gevoerd tegen de tegen hem in gestelde vorderingen.

4. De beoordeling

Aantal leden

4.1. De stelling van de VIA dat de Internetvakbond onjuiste informatie heeft verstrekt over het aantal leden is door de Internetvakbond niet bestreden, omdat zij niet beschikt over de ledenadministratie waar dit uit zou moeten blijken. De rechtbank constateert dat niet duidelijk is hoeveel leden de Internetvakbond had in januari/februari 2009. Zo wordt door de Internetvakbond in de e-mail van 27 januari 2009 gesproken van 1.350 leden die zijn geworven via de VIA, in het memo van 30 januari 2009 van 646 geregistreerde leden per 1 januari 2009 en in de bijlage daarbij van 5.200 leden ‘op dit moment’. De VIA heeft daarnaast nog gesteld dat zij via haar leden 7.832 werknemers als lid heeft aangemeld bij de Internetvakbond. De Internetvakbond is op dat aantal niet specifiek ingegaan en heeft dat niet betwist.

4.2. Onduidelijk is hoe de hiervoor genoemde verschillende ledenaantallen zich met elkaar verhouden. De ledenadministratie, zoals die door de Internetvakbond had moeten worden bijgehouden, zou op dit punt uitsluitsel moeten geven. Deze is evenwel niet voorhanden, zo is ter comparitie vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de onduidelijkheid over het aantal leden voor rekening van de Internetvakbond dient te komen. Het lag immers op haar weg, ook gelet op het bepaalde in art. 2:10 BW, een deugdelijke administratie bij te houden en deze gedurende enige tijd te bewaren. Nu zij evenmin heeft betwist dat sprake is geweest van onjuiste informatie, is de rechtbank van oordeel dat de Internetvakbond onjuiste informatie heeft verstrekt over het ledenaantal. Nu de Internetvakbond de stellingen van de VIA over het aantal leden niet heeft betwist, gaat de rechtbank voorts uit van de juistheid van de stellingen van de VIA op dit punt. De rechtbank gaat dan ook uit van een ledenaantal van 7.832.

4.3. De stellingen van de VIA met betrekking tot het gebrek aan informatie over de onjuiste aanmeldingswijze van de leden hangt hiermee samen. Nu de rechtbank uitgaat van de door de VIA aangemelde 7.832 leden behoeft dit deel van de vordering geen bespreking meer, omdat daarmee van een eventuele onjuiste aanmeldingswijze geen sprake meer is.

Ledenraadpleging

4.4. De Internetvakbond bestrijdt dat zij is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. De Internetvakbond erkent dat zij met de VIA is overeengekomen dat een ledenraadpleging zou worden gehouden. De Internetvakbond heeft vervolgens een ledenraadpleging gehouden, waarna bleek dat onvoldoende draagvlak bestond.

4.5. De VIA stelt dat de Internetvakbond de ledenraadpleging had moeten uitvoeren onder alle leden van de Internetvakbond en dat dat niet is gebeurd. De e-mail van [gedaagde4] van 4 februari 2009 is gericht aan het adres van de Internetvakbond zelf. Tussen partijen staat vast dat deze e-mail als ‘blind copy’ is gestuurd aan leden van de Internetvakbond. Dat blijkt ook uit e-mails van twee leden ([betrokkene3] en [betrokkene4]) die in deze procedure zijn overgelegd. Uit de e-mail van [gedaagde4] van 4 februari 2009 blijkt echter niet aan welke leden hij de e-mail met het principe akkoord heeft gestuurd. De rechtbank heeft vastgesteld dat uitgegaan moet worden van 7.832 leden van de Internetvakbond. Aan deze leden had de Internetvakbond de e-mail over de ledenraadpleging moeten toezenden. De rechtbank constateert dat niet vaststaat aan hoeveel leden van de Internetvakbond deze e-mail is verzonden. Daarmee staat ook niet vast of de Internetvakbond op dit punt is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

4.6. Nu de VIA zich beroept op deze tekortkoming, dient zij op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv. te bewijzen dat de ledenraadpleging niet heeft plaatsgevonden onder alle 7.832 leden. Indien de VIA slaagt in haar bewijs, komt haar vordering op dit punt voor toewijzing in aanmerking.

4.7. Daarnaast dient de VIA te bewijzen dat de Internetvakbond op de ledenraadpleging een positieve reactie heeft ontvangen van meer dan drie leden. Dit punt is door de Internetvakbond gemotiveerd betwist en uit de door de VIA overgelegde stukken blijkt niet van meer positieve respons dan van twee leden. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv. dient de VIA dit te bewijzen, nu zij zich beroept op de rechtsgevolgen hiervan. Indien de VIA slaagt in haar bewijs, komt haar vordering in zoverre voor toewijzing in aanmerking.

4.8. De stelling van de VIA dat de Internetvakbond zich op ondeugdelijke of oneigenlijke gronden heeft teruggetrokken uit de CAO-onderhandelingen hangt met de te bewijzen punten samen, zodat de beslissing hierop zal worden aangehouden tot na de bewijslevering.

Inhoud ledenraadpleging

4.9. De Internetvakbond heeft slechts in algemene bewoordingen betwist dat de ledenraadpleging op gebrekkige wijze heeft plaatsgevonden. Zij is niet ingegaan op de stelling van de VIA dat de ledenraadpleging slechts in het Nederlands heeft plaatsgevonden, dat dat in feite leidt tot een minder effectieve ledenraadpleging en dat dat ook in strijd met de afspraken was. De Internetvakbond is ook niet ingegaan op de stelling dat tussen partijen was afgesproken dat het principeakkoord met een positief advies voorgelegd zou worden aan de leden en dat een dergelijk positief advies niet is gegeven in de e-mail van 4 februari 2009. De rechtbank is van oordeel dat de Internetvakbond de stellingen van de VIA op deze wijze onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de Internetvakbond op deze punten is tekort geschoten in de nakoming van de afspraken. De gevorderde verklaring voor recht kan dan ook in zoverre worden toegewezen.

Onrechtmatig handelen

4.10. De vraag of de tekortkomingen van de Internetvakbond tevens een onrechtmatige daad opleveren kan thans nog niet worden beslist omdat dit mede afhankelijk is van de uitkomst van de bewijslevering in verband met de ledenraadpleging. Indien zou komen vast te staan dat deze op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden en/of dat de uitkomsten daarvan onjuist zijn doorgegeven aan de VIA kan dat eventueel een onrechtmatige daad opleveren. Dat staat evenwel nog niet vast. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat de Internetvakbond onjuiste informatie heeft verstrekt over het aantal leden. Dat is op zichzelf reeds onrechtmatig. Dat de VIA (enkel) door die onjuiste informatie schade heeft geleden heeft zij niet gesteld en dat is ook niet gebleken.

Causaal verband

4.11. De Internetvakbond heeft betwist dat een causaal verband zou bestaan tussen de tekortkomingen en de schade. Zij voert aan dat, ook als een VIA-CAO tot stand zou zijn gekomen, geen dispensatie zou zijn verleend van de ABU-CAO. Zij wijst daarbij op een besluit van de Minister van 13 september 2005 waarin een verzoek om dispensatie te verlenen voor een eerdere VIA-CAO wordt afgewezen. De schade die de VIA stelt te lijden zou volgens de Internetvakbond daarom hoe dan ook zijn geleden. De VIA heeft ter comparitie het standpunt ingenomen dat de VIA-CAO in AVV-loze periodes zou kunnen worden toegepast en dat het tot stand brengen van een CAO voor haar een doel op zich was, ook als geen dispensatie zou kunnen worden verkregen. Dat is door de Internetvakbond niet betwist, hoewel zij in de gelegenheid is gesteld om zich bij akte ook hierover uit te laten. Gelet op de aard van de schade die door de VIA wordt gevorderd, die kan worden samengevat als de kosten die het onderhandelen over de CAO met zich brachten, is de rechtbank van oordeel dat als inderdaad komt vast te staan dat de Internetvakbond toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst met de VIA waardoor geen CAO tot stand kwam, tussen de tekortkoming en die schade wel degelijk een causaal verband aanwezig is.

4.12. Het causaal verband tussen de hiervoor reeds vastgestelde tekortkoming, bestaande uit de gebrekkige inhoud van de ledenraadpleging (zie r.ov. 4.9), en de schade staat naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet vast. Het is de vraag of wel een CAO tot stand zou zijn gekomen indien de ledenraadpleging inhoudelijk niet gebrekkig was geweest. De VIA zal, op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv., bewijs worden opgedragen dat geen CAO tot stand is gekomen als gevolg van het feit dat de ledenraadpleging niet in meer talen dan het Nederlands was opgesteld en dat daaraan geen positief advies was verbonden. Dit bewijs zal evenwel pas noodzakelijk worden als de overige tekortkomingen met betrekking tot de ledenraadpleging niet zijn komen vast te staan. Indien immers reeds komt vast te staan dat de ledenraadpleging niet onder alle leden heeft plaatsgevonden en dat daarop meer dan drie positieve reacties zijn gekomen kan een vordering tot schadevergoeding op die grond in beginsel reeds worden toegewezen. De bewijsopdracht met betrekking tot de inhoudelijk gebrekkige ledenraadpleging zal echter nu alvast worden gegeven, met het oog op de procesefficiëntie, zodat eventuele getuigen ook meteen op dit punt kunnen worden gehoord.

Schade

4.13. De Internetvakbond voert met betrekking tot de gevorderde schade aan dat de VIA geen geldvorderingen kan instellen namens haar leden, zoals is bepaald in art. 3:305a lid 3 BW. De VIA heeft gesteld dat de door haar gevorderde schade bestaat uit de tijd en kosten van de vijf bestuursleden, de juridische kosten van het opstellen van de CAO, de onkosten in verband met zaalhuur en imagoschade. De rechtbank stelt vast dat deze schade niet de schade van de leden van de VIA betreft, maar de eigen schade van de VIA. Daarop is art. 3:305a lid 3 BW niet van toepassing. Deze schade is door de VIA niet onderbouwd. De VIA zal na de bewijslevering in de gelegenheid worden gesteld stukken te overleggen waarin haar schade nader wordt onderbouwd.

Ten aanzien van de Unie

4.14. De Unie voert aan dat geen sprake kan zijn van vereenzelviging van de Internetvakbond en de Unie. Om vereenzelviging aan te kunnen nemen is noodzakelijk dat sprake is van misbruik van identiteitsverschil tussen de beide vennootschappen en daarvan is volgens de Unie geen sprake.

4.15. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen - het volledig wegdenken van het identiteitsverschil - de meest aangewezen vorm van redres is (vgl. het geval dat aan de orde was in HR 9 juni 1995, NJ 1996, 213).

4.16. Om vereenzelviging aan te nemen moet derhalve sprake zijn van misbruik van het identiteitsverschil. Daarvan is hier geen sprake. Wellicht dat [gedaagde4] op het laatste moment door zijn werkgever de Unie onder druk is gezet om de onderhandelingen af te breken, zoals de VIA heeft gesteld, hetgeen wordt betwist door de Unie, maar dat is - wat daar ook van zij - onvoldoende voor vereenzelviging van de Unie en de Internetvakbond. Daarmee is immers nog geen sprake van misbruik van het identiteitsverschil tussen de beide rechtspersonen.

4.17. De vorderingen jegens de Unie zullen dan ook worden afgewezen.

Ten aanzien van [gedaagde4]

4.18. [gedaagde4] heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen. Indien komt vast te staan dat de Internetvakbond is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst met de VIA en daaruit zou volgen dat [gedaagde4] als bestuurder van de Internetvakbond onrechtmatig heeft gehandeld jegens de VIA, dan kan de gevorderde verklaring voor recht toegewezen worden.

Ten aanzien van [gedaagde3]

4.19. [gedaagde3] heeft op de comparitie aangevoerd dat hij geen feitelijke bemoeienis had met het bestuur van de Internetvakbond en dat hij er niet van op de hoogte was dat hij als bestuurder van de Internetvakbond stond ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dat [gedaagde3] niet wist van zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat [gedaagde3] bestuurder was van de Internetvakbond. Dat [gedaagde3] in de onderhandelingen met de Internetvakbond is opgetreden in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Internetvakbond of anderszins als bestuurder van de Internetvakbond naar buiten is getreden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank constateert dat alleen [gedaagde4] en [betrokkene1] hebben namens de Internetvakbond zijn opgetreden en hebben onderhandeld. De VIA heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende geconcretiseerd. Haar vorderingen jegens [gedaagde3] zullen dan ook worden afgewezen.

Rectificatie

4.20. Op deze vordering kan eerst beslist worden als vast is komen te staan dat onrechtmatig is gehandeld. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

Bewijslevering

4.21. Indien de VIA voor het leveren van bewijs getuigen wil horen, dient zij rekening te houden met het volgende. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt de VIA op te bewijzen:

(i) dat de ledenraadpleging niet heeft plaatsgevonden onder alle 7.832 leden,

(ii) dat de Internetvakbond op de ledenraadpleging een positieve reactie heeft ontvangen van meer dan drie leden,

(iii) dat geen CAO tot stand is gekomen als gevolg van het feit dat de ledenraadpleging niet in meer talen dan het Nederlands was opgesteld en dat daaraan geen positief advies was verbonden.

5.2. bepaalt dat, indien de VIA het bewijs door getuigen willen leveren, het getuigenverhoor aan de zijde van de VIA zal plaatsvin¬den op de terechtzitting van mr. S.H. Bokx-Boom in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op maandag 7 juni 2010 van 13:00 tot 17:00 uur,

5.3. bepaalt dat de VIA binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)- en aan de wederpartij moet berichten of hij bewijs door getuigen wil leveren en zo ja, onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen.

5.4. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)

- om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle bewijsstukken die zij nog in het geding willen brengen aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2010.