Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL6782

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
05/800255-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een 21-jarige matroos tot het verrichten van een werkstraf gedurende 240 uren en een voorwaardelijke militaire detentie voor de duur van 4 maanden wegens het handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam met iemand van wie de dader weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800255-09

Datum zitting : 22 februari 2010

Datum uitspraak : 8 maart 2010

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

rang/rnr : [nummer]

ingedeeld bij : [naam]

raadsman : mr. J.J. Jorna, advocaat te Den Helder

officier-raadsvrouw : luitenant ter zee van administratie der tweede klasse M.E. van Wingerde.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 augustus 2008 te Den Helder, met [slachtoffer], van wie

hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid of verminderd

bewustzijn (slaap of sluimertoestand) verkeerde, één of meer handeling(en)

heeft gepleegd, die bestond(en) of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het duwen/brengen van

zijn penis in de vagina van die [slachtoffer].

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 22 februari 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.J. Jorna, advocaat te Den Helder, en Luitenant ter Zee van Administratie der Tweede Klasse M.E. van Wingerde, officier-raadsvrouw te Alkmaar.

De officier van justitie, mr. J.T. Pouw, heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een militaire detentie voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 240 uren werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadslieden hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 10 augustus 2008 heeft verdachte in Den Helder met [slachtoffer], aangeefster, handelingen gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer].

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Hij is van oordeel dat op het moment dat eerdergenoemde handelingen plaatsvonden, aangeefster zich in een staat van verminderd bewustzijn bevond. De aangifte, ondersteund door de verklaringen van [getuige1] (vriendin van aangeefster) en [getuige2] (vriend van verdachte) acht hij voor dit oordeel voldoende bewijs. Gelet op de grote hoeveelheid alcohol die door aangeefster is genuttigd, de verklaringen van de getuigen die hebben verklaard dat aangeefster sliep toen zij de kamer verlieten (en nog hebben gecontroleerd of aangeefster nog wel leefde), en (de heftigheid van) haar reactie richting verdachte toen zij in de gaten kreeg wat er was gebeurd, kon het niet anders dan dat aangeefster zich onvoldoende bewust was van wat er gebeurde. Verdachte wist, en het kon niet anders zijn dan dat hij wist, dat aangeefster in staat van slaap of in ieder geval sluimertoestand verkeerde. De officier van justitie stelt voorts dat uit de jurisprudentie (HR 03-12-2002, NJ 2004, 353) volgt dat van de in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde wetenschap van de dader ook dan sprake is indien komt vast is komen te staan dat deze willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer in enige in dat artikel bedoelde toestand verkeerde. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat aangeefster wakker was, maar dat wist hij niet zeker.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. De raadsman is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat aangeefster in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Volgens de raadsman is er in ieder geval ten aanzien van het moment dat de bewuste handelingen hebben plaatsgevonden sprake van slechts twee informatiebronnen, waarbij de verklaring van aangeefster haaks staat op die van verdachte. De raadsman voert aan dat de verklaring van aangeefster niet geloofwaardig is, nu haar verklaring op meerdere punten wordt weersproken door andere verklaringen. Volgens verdachte heeft aangeefster volledig meegewerkt. Daarbij komt dat uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij zich wel bewust was van wat er om haar heen gebeurde, bijvoorbeeld uit de gedetailleerde verklaring over de positie van haar kleding toen de eerdergenoemde handelingen plaatsvonden. Ook heeft aangeefster blijkens haar verklaring waargenomen dat [getuige2] en [getuige1] de kamer verlieten.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Op 10 augustus 2008 heeft verdachte in Den Helder met aangeefster handelingen gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. De vragen die, met het oog op de vraag of het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard, voorliggen zijn de vraag of aangeefster in staat van verminderd bewustzijn (slaap- of sluimertoestand) verkeerde en de vraag of verdachte dit wist.

Staat van verminderd bewustzijn

Ten aanzien van de vraag of aangeefster in staat van verminderd bewustzijn (slaap- of sluimertoestand) verkeerde overweegt de militaire kamer dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat bij de invulling van het begrip verminderd bewustzijn kan worden gedacht aan een situatie van sluimering, voorafgaand aan of volgend op een diepe slaap of aan situaties waarin de persoon zich bevindt in een roes als gevolg van het innemen van alcohol of drugs. “Het gaat om situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan seksuele verlangens van een ander” (Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken II 2001/02, 27 745, nr. 6 p. 22).

De militaire kamer verwerpt het verweer van de raadsman dat de verklaring van aangeefster dat zij sliep niet geloofwaardig zou zijn en overweegt daartoe het navolgende. Aangeefster heeft een zeer uitgebreide en consistente verklaring afgelegd. De raadsman vraagt zich af hoe het kan dat aangeefster, als ze geslapen heeft, gedetailleerd verklaart over de positie van haar kleding. Echter, de verklaring van aangeefster op dit punt heeft betrekking op haar kleding op het moment waarop ze ontwaakt. Ze heeft niet verklaard over de positie van haar kleding tijdens de seksuele handelingen die in haar slaap plaatsvonden. De militaire kamer overweegt dat uit de relatieve gedetailleerdheid van de verklaring van aangeefster over wat zij heeft waargenomen op het moment van ontwaken niet de conclusie kan worden getrokken dat zij niet heeft geslapen. De passage uit de verklaring van aangeefster die de raadsman aanhaalt (waaruit zou moeten blijken dat aangeefster wakker was op het moment dat [getuige1] en [getuige2] de woonkamer verlieten) is kennelijk niet de weergave van de persoonlijke waarnemingen van aangeefster, maar van hetgeen [getuige1] later tegen aangeefster heeft gezegd dat gebeurd was.

Vaststaat dat aangeefster de gehele nacht niet had geslapen en een zeer grote hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd. Aangeefster sliep op het moment dat [getuige2] en [getuige1] de woonkamer verlieten. Aangeefster reageerde toen niet meer toen ze werd aangesproken. Er is toen gekeken of ze nog leefde. Daarbij komt dat aangeefster eerder die nacht meermalen is flauw gevallen als gevolg van een snee in haar pols die zij had opgelopen. De militaire kamer overweegt verder dat verdachte zelf de broek van aangeefster “eraf heeft gehaald” en deze na de seksuele handelingen zonder hulp van aangeefster weer omhoog heeft gedaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer weet waarom hij dat deed en dat hij ook niet meer weet of aangeefster nog in staat was om zelf haar broek omhoog te doen. De militaire kamer acht de verklaring van verdachte dat aangeefster volledig heeft meegewerkt dan ook ongeloofwaardig. Daarbij komt voorts dat verdachte zelf ook verklaart heeft dat aangeefster niet klaarwakker was . Hij verklaart dat, in schaal van 0 tot 10 waarbij 0 klaarwakker is en 10 slapen, aangeefster op 7,5 zit.

Het vorenstaande bevestigt de verklaring van aangeefster dat zij ten gevolge van emoties en drankgebruik op de bank in een diepe slaap is gevallen, dat zij ervan wakker wordt wanneer verdachte zijn penis uit haar vagina haalt en dat zij door haar slaap geen weerstand heeft geboden of kunnen bieden aan het met die penis binnendringen van haar vagina.

Naar het oordeel van de militaire kamer staat gelet op het hiervoor overwogene vast dat aangeefster in kennelijke staat van verminderd bewustzijn verkeerde, namelijk in een slaap- of sluimertoestand en wel in zodanige toestand dat van haar in redelijkheid niet kon worden verwacht dat zij weerstand bood aan de seksuele handelingen van verdachte.

Wetenschap

Verdachte heeft gezien dat aangeefster ongeveer de helft van een literfles strohrum (bevattende ongeveer 80% alcohol) heeft genuttigd. Verdachte heeft voorts verklaard dat aangeefster stomdronken was. Hij heeft voorts ook zelf verklaart, kennelijk uit eigen wetenschap, dat zij niet klaarwakker was, maar dat zij, in schaal van 0 tot 10 waarbij 0 klaarwakker is en 10 slapen, op 7,5 zat . [getuige2] en [getuige1] verklaren dat aangeefster sliep op het moment dat zij de woonkamer verlieten. Ze hebben zelfs gecontroleerd of aangeefster nog leefde. In totaal zijn [getuige2] en [getuige1] slechts een half uur tot drie kwartier weg geweest.

Gelet op het hiervoor overwogene is de militaire kamer van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft geweten dat aangeefster ten tijde van het plegen van de seksuele handelingen in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde.

Bewezenverklaring

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 10 augustus 2008 te Den Helder, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn (slaap of sluimertoestand) verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer].

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand van wie de dader weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5a. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5b. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 19 januari 2010.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter zake van het tenlastegelegde gerekwireerd tot een militaire detentie voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 240 uren werkstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van het feit. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte geen blijk heeft gegeven van het inzicht dat het slachtoffer de handelingen in kwestie niet heeft gewild.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Subsidiair is verzocht bij een eventueel op te leggen sanctie rekening te houden met de rechtspositionele gevolgen die dit voor verdachte kan hebben met betrekking tot zijn (loop)baan bij de Koninklijke Marine. In dit verband heeft de verdediging gewezen op de goede staat van dienst van verdachte bij dit dienst-onderdeel.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Verdachte heeft misbruik gemaakt van de onder meer door fors alcoholgebruik verminderde staat van bewustzijn van het slachtoffer door met haar seksuele handelingen te verrichten, waaronder penetratie. Verdachte heeft hierbij op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen die deze handelingen voor het slachtoffer zouden kunnen hebben en heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging. Hij heeft door zijn handelen de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer op grove wijze geschonden.

De militaire kamer is van oordeel dat er sprake is van een ernstig feit. Verdachtes handelingen kunnen, naar de ervaring leert, psychische schade bij het slachtoffer veroorzaken, waarvan zij nog lang last kan hebben. De militaire kamer rekent het verdachte ook zwaar aan dat verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn handelen.

De militaire kamer heeft acht geslagen op een uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

Alles overwegende is de militaire kamer van oordeel dat een straf zoals geëist door de officier van justitie recht doet aan zowel de ernst van het feit als de persoon van verdachte. De militaire kamer zal dan ook een straf opleggen conform de eis van de officier van justitie.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91 en 243 van het Wetboek van Straf¬recht en artikel 11 en 14 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een militaire detentie voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat deze militaire detentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De militaire kamer stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. A.G. Broek-de Stigter en kapitein ter zee van administratie mr. H.T. Wagenaar (militair lid),

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 maart 2010.