Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL6621

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
09/1915
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leefeenheid. Dreigende overbelasting. Omvang van AWBZ-geïndiceerde zorg is onvoldoende bij de advisering van CIZ meegewogen. Evenmin is voldoende onderzocht of deze zorg (gedeeltelijk) door een derde kan worden verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/1915

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 23 februari 2010.

inzake

[Eiser],

wonende te [Woonplaats], eiser, vertegenwoordigd door mr. P.A.M. Staal,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 april 2009.

2. Procesverloop

2.1. Bij besluit van 11 augustus 2008 heeft verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) de aanvraag van eiser om hulp bij het huishouden, conform het advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 29 juli 2008, afgewezen.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met inachtneming van het nadere advies van het CIZ van 3 februari 2009, het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 11 augustus 2008 gehandhaafd.

2.3. Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

2.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 januari 2010. Voor eiser is verschenen [curator], curator, bijgestaan door mr. Staal, voornoemd, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door I.N. Anroedh, werkzaam bij de gemeente Barneveld.

3. Overwegingen

3.1. Bij beschikking van 7 april 2008 heeft deze rechtbank (sector kanton) eiser met ingang van 30 maart 2008 onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis en voorts zijn ouders tot curatoren benoemd.

Eiser, 19 jaar, heeft het syndroom van Phelan-McDermid (22q13 deletie) – een zeldzame chromosoomafwijking – en functioneert op het niveau van een tweejarige. Eiser verblijft in De Wijde Mantel te De Glind. De Wijde Mantel is een woonvorm waar gehandicapte kinderen met hun ouders wonen. Het belangrijkste kenmerk van deze woonvorm is een combinatie van mantelzorg (door de ouders) en betaalde zorg. Kenmerkend voor de opzet van deze woonvorm is de verbinding van het zorgappartement met aan één zijde de ouderlijke woning en aan de andere zijde gemeenschappelijke faciliteiten waarin of waar vanuit zorg kan worden geboden (www.dewijdemantel.nl).

3.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, samengevat, ten grondslag gelegd dat eiser met zijn ouders een leefeenheid vormt. Daarbij doet volgens verweerder het minder- of meerderjarig zijn van de belanghebbende niet ter zake. Op basis van het nadere advies van het CIZ van 3 februari 2009 stelt verweerder dat de ouders van eiser samen in staat worden geacht de gebruikelijke zorg ten aanzien van de huishoudelijke taken van hun gezamenlijke leefeenheid op zich te nemen. Voorts betoogt verweerder dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel faalt.

3.3. Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Op zijn stellingen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

3.4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet in staat is tot het verrichten van enig huishoudelijk werk.

3.5. Allereerst overweegt de rechtbank dat in dit geval, gelet op de feitelijke woonsituatie van eiser en zijn ouders en het doel daarvan (het bieden van zorg aan eiser), er sprake is van een gemeenschappelijke leefeenheid waarbinnen zowel eiser als de ouders wonen. Dit brengt mee dat de ouders primair verantwoordelijk zijn voor het functioneren van het huishouden, zolang de huishoudelijke taken van de zorgbehoevende binnen die leefeenheid in redelijkheid kunnen worden herverdeeld (gebruikelijke zorg). In dit verband heeft verweerder terecht verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2008 (AWB 07/3526), waarin naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een met eisers geval vergelijkbare situatie.

3.6. Ter beoordeling staat de vraag of verweerder zijn, in bezwaar gehandhaafde, afwijzingsbesluit heeft mogen baseren op de adviezen van het CIZ van 29 juli 2008 en 3 februari 2009. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

3.7. Uit het advies van F.W. van den Broek, indicatiesteller verbonden aan het CIZ, van 29 juli 2008 blijkt, samengevat, dat op grond van opgevraagde medische informatie de moeder van eiser een tijdelijke beperking heeft in het verrichten van zwaar huishoudelijke taken. Zij kan niet reiken en haar armen boven schouderhoogte heffen. Wel kan zij stoffen, de was in de machine doen en strijken. Voorts blijkt daaruit dat de vader van eiser heeft aangegeven als gevolg van een motorongeluk enige klachten in bewegen te hebben. Welke beperkingen hieruit voortvloeien kan de vader niet goed duidelijk maken. Uit de opgevraagde medische gegevens blijkt dat er in het verleden een trauma is geweest, maar daaruit blijkt niet dat er nu beperkingen zijn waardoor de vader niet in staat is om huishoudelijke taken te verrichten. De vader heeft aangegeven wel een deel van de AWBZ-zorg voor eiser te kunnen bieden. Eveneens blijkt uit de aangeleverde gegevens geen objectiveerbare overbelasting. De indicatiesteller concludeert dat uit de opgevraagde medische gegevens van de huisarts, die door de arts van het CIZ zijn beoordeeld, niet blijkt dat er geen gebruikelijke zorg kan worden geboden, zodat om die reden negatief over de aanvraag moet worden geadviseerd.

Naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit van 11 augustus 2008 heeft verweerder het CIZ verzocht nader onderzoek te doen naar de belastbaarheid van de ouders van eiser. De uitkomst daarvan is neergelegd in het advies van D. Veenendaal, medisch adviseur verbonden aan het CIZ, van 3 februari 2009. Daarin is geconcludeerd dat er bij de moeder van eiser, als gevolg van een aandoening aan het bewegingsapparaat, sprake is van fysieke beperkingen ten aanzien van het verrichten van huishoudelijke taken conform in het advies is weergegeven. Gebruikelijke zorg ten aanzien van huishoudelijke taken kan daardoor maar voor een beperkt deel worden geboden. Er is geen aanleiding overbelasting aan te nemen. Bij de vader van eiser is er geen sprake van specifieke fysieke beperkingen ten aanzien van huishoudelijke taken. Ook is er geen sprake van overbelasting. Gebruikelijke zorg ten aanzien van de huishoudelijke taken is mogelijk, aldus de medisch adviseur.

3.8. Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan dat bij de besluitvorming gebruik maakt van een advies van een deskundige in het algemeen op dat advies afgaan, mits gebleken is dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is, volledig en voldoende inzichtelijk is. Gelet op het bepaalde in artikel 3:9 van de Awb dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat het advies aan deze eisen voldoet.

3.9. De rechtbank is van oordeel dat het advies van het CIZ van 29 juli 2008 niet aan bovengenoemde eisen voldoet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat dit advies niet is opgesteld door of tot stand is gekomen onder verantwoordelijkheid van een medicus, dat het advies weliswaar is gebaseerd op medische gegevens die door de huisarts zijn verstrekt doch dat deze niet aanwezig zijn in het procesdossier, zodat niet duidelijk is welke medische gegevens dat zijn en evenmin of het actuele gegevens betreft. Voorts heeft blijkens het advies overleg plaatsgevonden met een medische deskundige maar niet duidelijk is wie dat is geweest. Tot slot is niet gebleken dat de indicatiesteller eiser en/of zijn ouders tijdens het spreekuurbezoek dan wel door middel van een huisbezoek persoonlijk heeft gezien. Dit laatste had naar het oordeel van de rechtbank voor de hand gelegen, nu redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de specifieke (medische) problematiek van eiser een bijzondere en intensieve vorm van zorg vraagt.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het advies van 3 februari 2009 evenmin aan de hiervoor bedoelde eisen. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de omvang van de zorgbehoefte van eiser ongeveer 70 tot 80 uur per week bedraagt en voorts dat aan eiser AWBZ-geïndiceerde zorg voor 38 uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) is toegekend, bestaande uit persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding en medische zorg. Deze zorg wordt bij de vader van eiser ingekocht. Daarnaast heeft eiser 5 dagen per week AWBZ-dagbesteding waarvoor de vader van eiser het vervoer verzorgt. Hoewel de vader van eiser deze gegevens tijdens het spreekuurbezoek van de medische adviseur heeft verstrekt en toegelicht, is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende bij de advisering zijn meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank kan verder, gelet op de specifieke aard en intensiteit van de zorgbehoefte van eiser alsmede zijn persoonlijke problematiek, niet zonder nadere motivering gesteld worden dat de overblijvende 32 tot 42 uur volledig als gebruikelijke zorg valt te kwalificeren. Nader onderzocht had moeten worden of (een deel van) deze zorg als bovengebruikelijke zorg c.q. mantelzorg, zijnde een prestatieveld, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, sub 4, van de Wmo, aangemerkt moet worden. Voorts had verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Wmo niet zonder nader onderzoek mogen aannemen dat van de vader, teneinde dreigende overbelasting te voorkomen, gevergd kan worden dat hij de AWBZ-zorg voor eiser geheel of gedeeltelijk door een derde laat verrichten.

3.10. Het bovenoverwogene brengt mee dat verweerder de afwijzing van eisers aanvraag niet op de adviezen van 29 juli 2008 en 3 februari 2009 heeft kunnen baseren. Daardoor is evenmin voldaan aan de eis gesteld in artikel 26 van de Wmo dat voldoende inzichtelijk moet zijn dat de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van eiser.

3.11. Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met de artikelen 3:2, 7:12, eerste lid, van de Awb en 4 en 26 van de Wmo, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

3.12. Aangezien verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen en nog niet vaststaat hoe dit nieuwe besluit zal gaan luiden, ligt het thans niet op de weg van de rechtbank om zich over mogelijke vergoeding van de schade, zoals door eiser verzocht, uit te spreken. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit tevens aandacht zal moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om de schade te vergoeden.

3.13. De kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

3.14. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 644 en bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 23 februari 2010.