Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL6596

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-02-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
645417 - CV EXPL 09-10549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van uitleg van de arbeidsovereenkomst en voor zoveel nodig uitleg van de cao, komt de kantonrechter tot het oordeel dat de arbeidsoverkomst van rechtswege is beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 645417 \ CV EXPL 09-10549 \ WE\390\eh

uitspraak van 22 februari 2010

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. S. Osinga

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A.T.U. Autotechniek Unger B.V.

gevestigd te Arnhem

gedaagde partij

gemachtigde mr. J.B.R. Daniels

Partijen worden hierna [eisende partij] en ATU genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 november 2009

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 18 januari 2010.

2. De feiten

2.1 [eisende partij] is op 3 december 2007 bij ATU in dienst getreden in de functie van

verkoopadviseur. Laatstelijk ontving hij aan loon € 2.476,44 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2 In artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst staat het volgende:

“De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd van 6 maanden en eindigt van rechtswege zonder dat opzegging vereist is op 31 mei 2008. Indien Werknemer naar het uitsluitend oordeel van ATU goed functioneert en naar het oordeel van ATU vanuit bedrijfseconomische perspectief de mogelijkheid bestaat, zal ATU aansluitend aan deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aanbieden”.

2.3 In artikel 10.1 van de arbeidsovereenkomst staat het volgende:

“Partijen verklaren de voor ATU geldende CAO, thans de CAO Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf, van toepassing zoals deze nu luidt en in de toekomst zal luiden. (…)”

2.4 [eisende partij] heeft, na ommekomst van de in de arbeidsovereenkomst bepaalde termijn, zijn werkzaamheden voor ATU voortgezet.

2.5 Bij brief van 5 maart 2009 heeft ATU bij UWV Werkbedrijf (hierna: UWV) een

aanvraag ingediend voor het ontslag op bedrijfseconomische gronden van een aantal van haar werknemers, waaronder [eisende partij]. In de door ATU aan UWV verstrekte personeelslijst is vermeld dat [eisende partij] voor onbepaalde tijd bij ATU in dienst is. [eisende partij] heeft in die procedure verweer gevoerd.

2.6 Bij brief van 18 maart 2009 heeft ATU [eisende partij] een voorstel gedaan voor een beëindigingsovereenkomst. Partijen hebben daarover geen overeenstemming bereikt.

2.7 Bij brief van 22 april 2009 bericht ATU [eisende partij] onder meer:

“(…) Bij deze delen wij U mede dat onze arbeidsovereenkomst van rechtswege afloopt op 2 juni 2009. De bedrijfseconomische situatie van A.T.U. is dermate, dat wij U geen nieuwe arbeidsovereenkomst aan kunnen bieden. (…)”

2.8 Op 29 april 2009 heeft ATU de aanvraag voor een ontslagvergunning voor [eisende partij ] ingetrokken bij het UWV.

2.9 Bij brief van 28 mei 2009 heeft de gemachtigde [eisende partij] de vernietigbaarheid

van het ontslag ingeroepen. Namens [eisende partij] vordert de gemachtigde loondoorbetaling, waarbij [eisende partij] zich bereid verklaart de overeengekomen werkzaamheden te verrichten.

3. De vordering en het verweer

3.1 [eisende partij] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, de

veroordeling van ATU om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen:

a. het loon over de maanden juni, juli en augustus 2009 inclusief de vakantietoeslag ter hoogte van € 8.023,66 bruto, onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

b. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

c. de wettelijke rente over het onder sub a gevorderde vanaf 1 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

d. de buitengerechtelijke incassokosten;

e. de proceskosten

3.2 [eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij voor onbepaalde tijd bij

ATU in dienst is. Hij stelt zich op het standpunt dat er bij aanvang van zijn dienstverband door ATU is toegezegd dat hij na een half jaar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen. Bovendien stelt [eisende partij] dat aan de twee voorwaarden van artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst is voldaan, aangezien hij altijd goed heeft gefunctioneerd en de bedrijfseconomische omstandigheden van ATU in 2008 goed waren, hetgeen zijns inziens heeft geresulteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd per 31 mei 2008.

[eisende partij] stelt voorts dat hij een half jaar na zijn indiensttreding door zijn teamleider, de heer [naam teamleider], is gefeliciteerd met zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat het de bedoeling van partijen was om na verloop van een half jaar een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd aan te gaan, hetgeen volgens hem blijkt uit de door ATU geëntameerde beëindigingprocedure bij het UWV, alsmede uit het door ATU aangeboden beëindingsvoorstel. Bovendien staat op de door ATU aan het UWV verstrekte personeelslijst dat [eisende partij] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft.

3.3 ATU heeft de vordering gemotiveerd betwist.

Zij voert aan dat partijen op 3 december 2007 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gesloten, eindigend op 31 mei 2008, en dat deze overeenkomst op grond van artikel 7:668 lid 1 BW tweemaal stilzwijgend is verlengd voor de overeengekomen periode, te weten telkens zes maanden. ATU stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst derhalve is geëindigd per 1 juni 2009. Bij brief van 22 april 2009 heeft ATU [eisende partij] immers medegedeeld dat zij [eisende partij] geen nieuwe arbeidsovereenkomst kon aanbieden. ATU heeft voorts betwist dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan op grond van het bepaalde in artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst, nu zij [eisende partij] geen aanbod heeft gedaan in de zin van dat artikel. Ten aanzien van de door [eisende partij] gestelde – en door ATU betwiste – uitlatingen van zijn teamleider, de heer [naam teamleider], stelt ATU dat de gestelde uitlatingen geen consequenties kunnen hebben, nu die betreffende teamleider geen bevoegdheden heeft op het gebied van personeelszaken. ATU heeft voorts betwist dat partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst de bedoeling hebben gehad om – na ommekomst van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te gaan. ATU betwist dat op dit punt toezeggingen aan [eisende partij] zijn gedaan.

3.4 Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, zal hierna voor zover nodig aan de

orde komen.

4. De beoordeling

4.1 De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [eisende partij] op grond

van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij ATU in dienst was, dan wel dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege op 1 juni 2009 is geëindigd.

4.2 [eisende partij] heeft gesteld dat ATU bij de totstandkoming van de

arbeidsovereenkomst heeft toegezegd dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, na afloop, voor onbepaalde tijd zou worden voortgezet. [eisende partij] heeft voorts gesteld dat zijn teamleider hem een half jaar na indiensttreding heeft gefeliciteerd met zijn vaste contract.

ATU heeft de gestelde toezegging én de gestelde felicitatie primair betwist. Subsidiair – althans zo begrijpt de kantonrechter – stelt ATU zich op het standpunt dat degene die deze uitlatingen volgens [eisende partij] zou hebben gedaan daartoe niet bevoegd was. ATU heeft onweersproken gesteld dat de heer [X] degene is die alle personeelszaken bij ATU regelt. Laatstgenoemde heeft volgens ATU geen toezegging gedaan aan [eisende partij] dat hij na ommekomst van de in de arbeidsovereenkomst bepaalde termijn een vaste aanstelling zou krijgen.

Gelet op de betwisting aan de zijde van ATU rust op [eisende partij] de bewijslast van zijn stelling. [eisende partij] heeft echter geen concreet bewijsaanbod gedaan, zodat de kantonrechter niet toekomt aan het opdragen van bewijs.

4.3 De kantonrechter is voorts van oordeel dat uit artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst niet blijkt dat ATU bij de verlenging van de eerste arbeidsovereenkomst verplicht was [eisende partij] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. Voor zover al aan de voorwaarden van artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst is voldaan – hetgeen door ATU is betwist – is de kantonrechter van oordeel dat dit niet zonder meer resulteert in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor [eisende partij]. Uit de formulering van voormeld artikel volgt immers dat actief handelen van ATU was vereist. Niet is gesteld of gebleken dat ATU [eisende partij] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft aangeboden. De kantonrechter verwijst in dit verband naar r.o. 2.6 van het arrest van het Hof Arnhem d.d. 5 januari 2010 (zaaknummer gerechtshof 200.039.193), waarvan een afschrift ter comparitie in het geding is gebracht.

4.4 [eisende partij] heeft voorts gesteld dat de handelswijze van ATU niet strookt met

het standpunt van ATU dat [eisende partij] werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In dit kader verwijst [eisende partij] naar de door ATU aan het UWV verstrekte personeelslijst, waarop ATU achter de naam van [eisende partij] de aanduiding ‘ao’ heeft geplaatst. ATU heeft erkend dat de aanduiding ‘ao’ op haar personeelslijst betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, doch ATU heeft aangevoerd dat het internetprogramma van het UWV dat ATU heeft gebruikt bij haar aanvraag technisch geen andere optie kende zodat daarom aan dit gegeven geen waarde kan worden gehecht. Daarnaast meende ATU dat zij in het kader van de voordracht en de afspiegeling ook alle werknemers met een tijdelijk contract moest meenemen. Wat hier ook van zij, de enkele vermelding van [eisende partij] op de lijst als werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, leidt niet tot de conclusie dat hij ook daadwerkelijk een vast contract heeft.

De ontslagaanvraag voor [eisende partij] die ATU bij het UWV heeft ingediend, alsmede het door ATU gedane beëindigingsvoorstel, zijn tegenstrijdig met de stellingen van ATU in deze procedure, namelijk dat [eisende partij] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had. Echter, het voorgaande brengt niet zonder meer met zich mee dat er daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. In artikel 7:668 BW is immers bepaald dat indien een arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de tussen partijen overeengekomen termijn door partijen stilzwijgend wordt voortgezet, zij geacht wordt voor dezelfde tijd, maar telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan. De kantonrechter is van oordeel dat door de stilzwijgende verlenging van de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, op grond van het bepaalde in voormeld wetsartikel geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Evenmin is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan op grond van het bepaalde in artikel 7:668a BW. Daarin is enkel bepaald dat de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een reeks van méér dan drie arbeidsovereenkomsten, die elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd, geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Dat is in deze zaak niet aan de orde.

4.5 Op de onderhavige arbeidsovereenkomst is blijkens artikel 10 van de

arbeidsovereenkomst de CAO Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf van toepassing.

Bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 september 2007 zijn bepalingen uit deze CAO algemeen verbindend verklaard tót 31 januari 2008. Ook in de periode 17 oktober 2008 tot 30 november 2008 zijn bepalingen uit die CAO algemeen verbindend verklaard.

Zo de kantonrechter al ambtshalve gehouden zou zijn de rechtsgronden aan te vullen, in het kader waarvan de uitleg van de CAO Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf - in het bijzonder de artikelen 13 en 14 - aan de orde komt, is de kantonrechter van oordeel dat enkel in lid 1 van artikel 14 is geregeld dat contracten voor bepaalde tijd schriftelijk moeten zijn vastgelegd. Aan dat vereiste is in deze zaak voldaan. Met deze bepaling is de rechtszekerheid gediend. Niet is in de CAO geregeld dat de verlenging van de voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst eveneens schriftelijk moet zijn vastgelegd. Kennelijk is aansluiting gezocht bij het wettelijke systeem, zoals neergelegd in artikel 7:668 BW, zodat ook op deze grond in rechte er vanuit gegaan moet worden dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 juni 2009 van rechtswege is geëindigd.

4.6 Samenvattend komt de kantonrechter tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst die partijen op 3 december 2007 voor bepaalde tijd hebben gesloten, op grond van artikel 7:668 BW twee maal stilzwijgend is verlengd, telkens voor dezelfde tijd, te weten zes maanden. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ingaande 1 december 2008, is vervolgens van rechtswege geëindigd op 1 juni 2009. De vorderingen van [eisende partij] zullen daarom worden afgewezen.

4.7 [eisende partij] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1 wijst de vordering af;

5.2 veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van ATU begroot op € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2010.