Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL6005

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
195179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van verzekerde jegens rechtsbijstandsverzekeraar tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst. De zaak draait om de vraag of verzekeraar zijn werkzaamheden voor verzekerde heeft mogen stopzetten en de overeenkomst mag opzeggen wegens wangedrag van verzekerde jegens medewerkers van verzekeraar (= handelen in strijd met in polisvoorwaarden neergelegde medewerkingsplicht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 195179 / KG ZA 10-25

Vonnis in kort geding van 16 februari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.K. Ramdas te [Rotterdam],

tegen

de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

advocaat mr. F.R.A. Schaaf te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van RVS.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft een rechtsbijstandverzekering voor particulieren bij RVS met polisnummer: 26174063 (hierna: de overeenkomst). De uitvoering ervan is in handen gegeven van Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer (hierna: SRK). In de toepasselijke polisvoorwaarden staat onder meer:

‘19.4 Medewerkingsplicht

a. Verzekerde is verplicht de volle medewerking te (blijven) verlenen en alles na te laten wat de belangen van het SRK en/of RVS zou kunnen schaden.

b. Verzekerde is verplicht zich te houden aan de aanwijzingen van het SRK, de advocaat, andere rechtens bevoegde deskundige, mediator of expert.

c. Het is verzekerde niet toegestaan zonder toestemming van of overleg met SRK een advocaat, andere rechtens bevoegde deskundige, mediator of expert in te schakelen.

d. Het is verzekerde niet toegestaan de tegenpartij te benaderen over een zaak zonder SRK, de ingeschakelde advocaat, de andere rechtens bevoegde deskundige of mediator vooraf te raadplegen.’

2.2. Bij brief van 9 november 2009 heeft SRK aan [eiser] onder meer geschreven:

‘Onlangs - onder meer op 28 oktober jongstleden - heeft u telefoongesprekken gevoerd met de heer [betrokkene1] Deze brief ontvangt u naar aanleiding van deze gesprekken en hetgeen eerder in deze zaak en andere zaken is voorgevallen.

Sinds 2007 heeft u zeer regelmatig zaken (meer dan 30) bij ons gemeld waarin diverse medewerkers u hebben bijgestaan.

In een aantal van deze zaken hebben uw uitingen en opstelling tot escalaties geleid die in de loop van de tijd een steeds heftiger vorm hebben aangenomen. Zo heftig zelfs dat u tot driemaal toe een bedreiging heeft geuit op het leven en/of welbevinden van twee medewerkers van SRK, te weten de heer [betrokkene2] en de heer [betrokkene1]

U heeft de heer [betrokkene2] “een kankerlijer” en een “eikel” genoemd, terwijl u hem tot slot heeft medegedeeld dat u hem een kogel door zijn kop zou jagen.

Tegen de heer [betrokkene1] zelf heeft u het dreigement geuit dat ‘u wel langs zou komen en dat hij dan wel anders zou piepen’. Hiervan en van de bedreigingen richting de heer [betrokkene2] heeft SRK aangifte gedaan, waaruit u kunt opmaken dat de Politie op de hoogte is gebracht. Daarnaast heeft u vele malen mijn medewerkers door middel van verbaal geweld zeer onheus bejegend. De woorden die u heeft gebezigd, laat ik hier achterwege.

Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat SRK in redelijkheid niet meer gehouden is in deze zaak verder rechtsbijstand te verlenen. Ik verwijs u in dat kader naar de brief van 11 augustus jongstleden van de heer [betrokkene1]

Bovendien heeft SRK op de voet van het bovenstaande besloten om nieuwe meldingen van u niet in behandeling te nemen.

Ik licht deze beslissing in het onderstaande toe.

(…) Volgens artikel 19.4 van de Rechtsbijstandverzekering voor Particulieren bent u verplicht om uw volledige medewerking te verlenen en zich te onthouden van alles dat de belangen van SRK en/of RVS zou kunnen schaden. In het bijzonder is het niet toegestaan om zonder toestemming van SRK een advocaat in te schakelen, dan wel de tegenpartij te benaderen. U bent voorts verplicht zich te houden aan de aanwijzingen van SRK.

U bent de op u rustende medewerkingsplicht keer op keer niet nagekomen. Bovendien bent u zich een aantal keren te buiten gegaan tegenover medewerkers van SRK, waarbij u bedreigingen tegen het leven niet heeft geschuwd.

Deze situatie maakt het voor SRK onmogelijk om voor u nog langer uitvoering te geven aan de rechtsbijstandverzekering die u bij RVS heeft afgesloten. SRK heeft dan ook besloten de uitvoering van uw polis te staken, hetgeen betekent dat u zich voor de toekomst op een andere wijze en op voor eigen rekening rechtshulp zal moeten voorzien. wij zullen RVS van ons besluit op de hoogte stellen.

SRK realiseert zich dat deze beslissing voor u ingrijpend is. U laat SRK evenwel geen keus. Na afweging van alle belangen en gelet op de ingrijpendheid van ons besluit, is SRK evenwel bereid de behandeling van de lopende zaken, waarin u nog geen problemen heeft veroorzaakt, binnen het kader van de polisvoorwaarden voort te zetten en af te handelen. Dit onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat u zich daarin onthoudt van welk kwalijk gedrag dan ook. Mocht u zich in deze zaken eveneens schuldig maken aan beledigingen en/of bedreigingen dan staakt SRK de behandeling hiervan eveneens en wel terstond.

Graag verneem ik van u of u akkoord gaat met de verdere behandeling van deze zaken, onder de voorwaarde, als vermeld.

Ik verzoek u mij hierover per email te informeren (…).

In deze brief is het formele SRK standpunt verwoord. Wanneer u zich hiermee niet kunt verenigen, kunt u zich wenden tot (…) RVS (…)’

2.3. [eiser] heeft over de brief van SRK contact gehad met RVS. Naar aanleiding daarvan heeft RVS bij e-mail van 12 november 2009 aan [eiser] onder andere bericht:

‘U heeft (…) laten weten dat u een brief heeft ontvangen van SRK. In deze brief staat onder meer dat SRK niet langer rechtsbijstand aan u wil verlenen. Dit heeft onder andere te maken met bedreigingen die u tegen medewerkers van SRK heeft geuit. U ontkent dit echter, en eist van RVS nakoming van de verzekeringsovereenkomst (…)

(…) Wettelijk is echter geregeld dat RVS niet zelf de rechtsbijstand mag verlenen. Om die reden heeft RVS de uitvoering van de rechtsbijstandverzekering overgedragen aan SRK (…) Omdat SRK een onafhankelijke instantie is heeft RVS geen inzage in de dossiers die SRK voor verzekerden van RVS behandelt (…)

In de brief van SRK van 9 november 2009 die u heeft doorgemaild, staat summier vermeld wat de redenen geweest zijn.

RVS is het met u eens dat dit ernstige beschuldigingen zijn, maar RVS kan deze niet zomaar negeren. SRK is een professionele organisatie, en RVS heeft een dergelijke stopzetting van de behandeling nog nooit meegemaakt. RVS kan hier dan ook niet omheen. Bovendien begrijpt RVS uit de brief dat er zelfs aangifte is gedaan wegens geweldsdreiging (…)

U ontkent echter de beschuldigingen in de brief van SRK. Om te kunnen onderzoeken wat er aan de hand is, heeft RVS inzage nodig in die dossiers. Deze inzage krijgt RVS alleen nadat u een machtiging daartoe heeft afgegeven. Dit moet echter via SRK gebeuren (…) Nadat SRK deze machtiging ondertekend van u terug heeft ontvangen, kan RVS de dossiers inzien en een inhoudelijke reactie geven (…)

Vooralsnog moet RVS er vanuit gaan dat SRK inderdaad om zwaarwegende redenen geen uitvoering meer aan uw verzekering kan geven. Uw polis voorziet niet in een andere wijze van rechtshulpverlening dan via SRK. Dit houdt in dat u geen beroep kunt doen op de polis.’

2.4. [eiser] is niet bereid een machtiging af te geven op basis waarvan RVS inzage in zijn dossiers bij SRK krijgt.

2.5. Bij brief van 9 december 2009 heeft de advocaat van [eiser] SRK verzocht om [eiser] een laatste kans te bieden bij wijze van minnelijke schikking, inhoudende:

‘Indien SRK het oordeel is toegedaan dat toekomstige uitlatingen van cliënt als bedreiging dienen te worden opgevat, dan dient deze bedreiging te worden bewezen. Bij bewezenverklaring zal cliënt de overeenkomst met RVS opzeggen, met als voorwaarde dat RVS geen melding maakt van de reden van opzegging in de daartoe bestemde systemen dan wel registers, zodat cliënt zonder enige belemmering een andere rechtsbijstandsverzekering kan afsluiten.’

2.6. In reactie daarop heeft SRK bij brief van 14 december 2009 teruggeschreven:

‘Zowel SRK als RVS achten het voorstel niet acceptabel gelet op de ernst van de voorgevallen feiten. SRK is niet langer bereid de heer [eiser] nog een laatste kans te geven en RVS zal geen poging doen SRK te dwingen de behandeling weer op te pakken. Mede omdat de heer [eiser] in een aantal telefonische contacten met SRK wederom krachttermen heeft gebezigd, leeft de overtuiging dat het niet langer mogelijk is om de heer [eiser] als klant te handhaven.

Met deze stand van zaken liet RVS ons weten dat zij - bij wijze van minnelijke regeling - slechts bereid is om de heer [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn polis binnen één week na dagtekening van deze brief schriftelijk op te zeggen. RVS zal hem in dit geval niet melden in het daartoe bestemde register.

Maakt de heer [eiser] van de gelegenheid geen gebruik, dan zal RVS overgaan tot beëindiging van de polis per 14 december 2009, inclusief de bijbehorende melding.’

2.7. [eiser] heeft het voorstel van SRK niet geaccepteerd. In verband daarmee is RVS van plan de overeenkomst met [eiser] op te zeggen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis en uitvoerbaar bij voorraad,

a. RVS te veroordelen om de uitvoering van de overeenkomst in alle lopende zaken voort te zetten;

b. RVS te veroordelen om de uitvoering van de overeenkomst in alle aangemelde zaken voort te zetten en te vergoeden;

c. RVS te veroordelen om de alreeds gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden;

d. RVS te verbieden de overeenkomst met [eiser] op te zeggen;

e. indien RVS de overeenkomst reeds heeft opgezegd met vermelding van [eiser] in het daartoe bestemde register, RVS te gebieden de opzegging en melding ongedaan te maken en gevolg te geven aan het onder a. en b. gestelde, met veroordeling in rechte dat RVS onrechtmatig heeft gehandeld;

f. RVS te veroordelen om aan [eiser] ten titel van dwangsom te betalen een bedrag van € 1.000,00 per - gehele of gedeeltelijke - niet nakoming, of voor elke dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen), zulks uitsluitend naar keuze van [eiser], dat RVS met de nakoming van haar verplichtingen als vermeld onder a. en b. in gebreke blijft;

g. met veroordeling van RVS in de kosten van deze procedure.

[eiser] voert daarvoor aan dat RVS gehouden is tot nakoming van de overeenkomst omdat er volgens hem geen grond is voor opzegging. In dat verband betwist [eiser] dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 19.4 van de polisvoorwaarden en ook dat hij bedreigend of beledigend is geweest voor medewerkers van SRK. [eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij nakoming van de overeenkomst omdat opzegging van de overeenkomst door RVS en melding daarvan in de daartoe bestemde registers ertoe zal leiden dat hij elders geen rechtsbijstandverzekering zal kunnen afsluiten, terwijl werkzaamheden verricht moeten worden in een aantal lopende zaken van hem, waarvoor hij inmiddels zelf al een advocaat heeft moeten inschakelen, aldus [eiser].

3.2. RVS voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van [eiser].

4.2. In deze zaak draait het om de vraag of SRK haar werkzaamheden voor [eiser] heeft mogen stopzetten en RVS, in het verlengde daarvan, de overeenkomst mag opzeggen. In dat kader moet als uitgangspunt worden genomen dat partijen verplicht zijn tot naleving van de tussen hen geldende overeenkomst en om zich daarbij jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. [eiser] is dus gehouden om ook jegens SRK de medewerkingsplicht (artikel 19.4 polisvoorwaarden) na te komen, nu de uitvoering van de overeenkomst in handen van SRK is gegeven, en in verband daarmee om zich jegens de medewerkers van SRK te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW). In de brief van 9 november 2009 van SRK staat dat [eiser] dusdanig in strijd met deze verplichtingen heeft gehandeld dat SRK om die reden niet langer uitvoering geeft aan de overeenkomst.

4.3. [eiser] stelt in dit kort geding dat, nu hij betwist dat hij in strijd heeft gehandeld met de hiervoor genoemde verplichtingen en RVS daartegenover geen onderbouwing geeft van het door SRK in de brief van 9 november 2009 gestelde ernstige wangedrag, er geen grond is voor stopzetting van de rechtsbijstand en daarmee ook niet voor opzegging van de overeenkomst. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in die zienswijze. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

4.4. Om de juistheid van de inhoud van de brief van 9 november 2009 van SRK te kunnen verifiëren, heeft RVS aan [eiser] verzocht om een machtiging af te geven aan SRK tot inzage door RVS van [eiser]’ dossiers. Weliswaar heeft [eiser] het recht om die machtiging niet te geven, maar die weigering mag er niet toe leiden dat RVS een gerechtvaardigde opzeggingsgrond, althans een onderbouwing daarvan, wordt onthouden. [eiser] brengt daartegenin dat als RVS zijn gedrag reden vindt voor opzegging van de overeenkomst, zij ook zonder machtiging om dossiers in te mogen zien, verklaringen van medewerkers van SRK had kunnen overleggen, of er voor had kunnen zorgen dat SRK in dit kort geding was verschenen als gevoegde partij aan de zijde van RVS. Nu RVS dat alles heeft nagelaten, moet het er, aldus [eiser], voor worden gehouden dat er geen grond is voor stopzetting van de rechtsbijstandverlening en dus ook niet voor opzegging van de overeenkomst. Dat beroep komt [eiser] evenwel niet toe nu hij ter zitting heeft erkend dat hij SRK uitdrukkelijk heeft verboden om informatie te verstrekken aan RVS en hij niet heeft weersproken dat hij SRK in dat verband zelfs met schadeclaims heeft gedreigd.

Daarbij komt dat [eiser] zelf SRK in deze procedure had kunnen betrekken. Het gaat hem immers om voortzetting van rechtsbijstand op grond van de overeenkomst. Weliswaar stelt hij dat RVS zijn contractspartij is en niet SRK, maar hij heeft niet weersproken dat op basis van de polis alleen SRK de overeenkomst kan uitvoeren.

4.5. Het heeft er dan ook alle schijn van dat [eiser], zoals RVS betoogt, het inhoudelijke debat over zijn gedrag jegens SRK uit de weg gaat om te voorkomen dat RVS kan aantonen dat er grond is voor beëindiging van de overeenkomst. Onder deze omstandigheden gaat het niet aan RVS te verwijten dat zij geen onderbouwing geeft van de door SRK gestelde ernstige wangedragingen en daaruit te concluderen dat er dus geen grond is voor opzegging van de overeenkomst. Daarom komt in dit kort geding groot gewicht toe aan de brief van 9 november 2009 van SRK. Nu uit die brief volgt dat [eiser] kennelijk de grenzen van artikel 6:2 BW en artikel 19.4 van de polisvoorwaarden dusdanig heeft overschreden dat SRK niet langer uitvoering kan geven aan de overeenkomst en RVS om die reden de overeenkomst zal moeten opzeggen, kunnen de vorderingen van [eiser] dan ook niet worden toegewezen.

4.6. Op grond van het vorenstaande leidt ook een belangenweging tot afwijzing van de vorderingen, te meer omdat uit de weergegeven correspondentie valt op te maken dat SRK en RVS zich rekenschap hebben gegeven van de ernstige gevolgen die opzegging van de overeenkomst voor [eiser] heeft. In dat kader hebben zij voorstellen gedaan aan [eiser], terwijl [eiser], gelet op de brief van 14 december 2009 van SRK, kennelijk ook in die fase wangedrag heeft vertoond.

4.7. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RVS worden begroot op:

- vast recht € 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van RVS tot op heden begroot op € 1.079,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 16 februari 2010.