Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL5699

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
05/5000553-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een Duitse beroepschauffeur, heeft op de A73 een verkeersongeval veroorzaakt waarbij vier personen zijn omgekomen. De verdediging heeft bepleit dat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank oordeelt dat wel sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder reclasseringstoezicht zal stellen, ook indien dit inhoudt een gedragsaanwijzing inhoudende dat verdachte onder toezicht van de Duitse Reclasseringsorganisatie voor de duur van 240 uur werkzaamheden ten algemene nutte dient uit te voeren in Duitsland. Voorts legt de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op voor de duur van 24 maanden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/500553-09

Datum zitting : 6 november 2009 en 12 februari 2010

Datum uitspraak : 26 februari 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : 1[geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. J.C. Wery, advocaat te Enschede.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 6 november 2009 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd en zoals hierna is weergegeven:

1.

hij op of omstreeks 05 mei 2008, te Beuningen in de gemeente Beuningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker (merk Mercedes)met oplegger) daarmede heeft gereden op (de rechter rijstrook van de rijbaan van) de weg, de A73, gaande in de richting van de A50

zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of roekeloos,

terwijl op die rijbaan sprake was van een grote verkeersintensiteit, verkeersdrukte en/of filevorming en/of

terwijl een ander/e op die rijbaan rijdende verkeersdeelnemer/s zijn/hun waarschuwings- of alarmverlichting van zijn/hun motorrijtuig(en) had(den) ingeschakeld

en/of terwijl de op enige afstand voor hem, verdachte waarneembare, zich boven de rijbaan bevindende matrixborden een maximum snelheid van 50 en/of 70 kilometer per uur aangaven,

niet of in onvoldoende mate op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die rijstrook en/of rijbaan heeft gelet en/of is blijven letten en/of niet, althans niet tijdig heeft bemerkt dat het voor hem, verdachte uit op die rijstrook rijdende verkeer, had afgeremd en/of (aanzienlijk) langzamer was gaan rijden en/of tot stilstand was gekomen en/of

(in het geheel) niet, althans niet tijdig heeft geremd en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorvoertuig (trekker (merk Mercedes)met oplegger) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorvoertuig (trekker (merk Mercedes)met oplegger) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die rijbaan van die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte uit op die rijstrook stilstaande of langzamer rijdende caravan en ander motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Renault, tengevolge waarvan die caravan werd vernield en/of dat andere motorrijtuig (personenauto) dwars op die rijstrook, met de voorzijde in de richting van de gezien, zijn verdachtes rijrichting, rechts gelegen vluchtstrook, is terechtgekomen en/of

ten gevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto), (met de linker voorzijde van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (trekker(merk Mercedes)met oplegger), tegen de achterzijde van een voor dat andere motorrijtuig (personenauto) zich op dezelfde rijstrook bevindend andere motorrijtuig (trekker(merk Scania)met oplegger) is (plat)gedrukt, in elk geval gedrukt

en/of

ten gevolge waarvan die caravan en dat/die motorrijtuig(en), te weten die personenauto, waarin de slachtoffers ([slachtoffer1], [slachtoffer2], [slachtoffer3], en/of [slachtoffer4]) nog aanwezig was/waren en/of die trekker(merk Mercedes) met oplegger in brand geraakt is/zijn geraakt en/of uitgebrand

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander(en) ([slachtoffer1], [slachtoffer2], [slachtoffer3], en/of [slachtoffer4]) werd(en) gedood;

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 05 mei 2008, te Beuningen in de gemeente Beuningen, als bestuurder van een motorvoertuig (trekker (merk Mercedes)met oplegger) daarmede heeft gereden op (de rechter rijstrook van de rijbaan van) de weg, de A73, gaande in de richting van de A50,

is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte uit op die rijstrook stilstaande of langzamer rijdende caravan en ander motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Renault, tengevolge waarvan die caravan werd vernield en/of dat andere motorrijtuig (personenauto) dwars op die rijstrook, met de voorzijde in de richting van de gezien, verdachtes rijrichting, rechts gelegen vluchtstrook, is terechtgekomen en/of

tengevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto), (met de linker voorzijde van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (trekker (merk Scania)met oplegger) is platgedrukt,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 6 november 2009 ter terechtzitting onderzocht, hetgeen heeft geleid tot het tussenvonnis van 20 november 2009. Laatstelijk is de zaak ter terechtzitting van 12 februari 2010 onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.C. Wery, advocaat te Enschede. Als officier van justitie is aanwezig mr. T. Feuth. Als tolk is aanwezig M. van Kasteren.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd een aantal familieleden van het gezin [naam]. Namens de benadeelde partij is S. van Keulen als gemachtigde zowel op 6 november 2009 als op 12 februari 2010 ter terechtzitting verschenen. Op de terechtzitting van 6 november 2009 heeft de benadeelde partij verklaard af te zien van het indienen van een vordering tot schadevergoeding in het strafproces.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte reed op 5 mei 2008 om omstreeks 10.28 uur op de rechterrijstrook van de A73, ter hoogte van hectometerpaal 112.2 te Beuningen als bestuurder van een motorrijtuig, een Mercedes trekker met oplegger, in de richting van de A50. De matrixborden die op enige afstand van verdachte boven de weg geplaatst waren, gaven een maximum snelheid van 50 en/of 70 kilometer per uur aan. Op enig moment is er een file ontstaan. Een andere verkeersdeelneemster op dezelfde rijbaan had haar alarmlichten ingeschakeld. Verdachte heeft niet gezien dat er een file was. Hij heeft niet afgeremd omdat het daar al te laat voor was. Met een snelheid van circa 80 kilometer per uur is hij tegen de langzaam voor hem rijdende auto met caravan gereden. Als gevolg hiervan is de caravan vernield en is de auto dwars op de weg komen te staan met de voorkant naar de aan de rechterkant gelegen vluchtstrook, vanuit het gezichtspunt van verdachte gezien. De personenauto is platgedrukt tussen de voorzijde van de door verdachte bestuurde Mercedes trekker met oplegger en de achterzijde van een Scania-trekker met oplegger. Tengevolge hiervan zijn de trekker met oplegger van verdachte en de personenauto met caravan in brand geraakt en uitgebrand. De inzittenden van de personenauto, het gezin [naam] (vader, moeder en twee kinderen) zijn hierbij om het leven gekomen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte grove schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kan worden verweten nu verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen. De officier van justitie komt tot dit standpunt op grond van het feit dat verdachte, ondanks de verkeersdrukte, de aanwijzingen op de matrixborden en de knipperende alarmlichten van de voor verdachte rijdende Scania, de (zich vormende) file niet dan wel te laat heeft opgemerkt en meerdere seconden niet heeft opgelet en niet heeft geremd op het moment dat hij de auto voor hem wel opmerkte.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van één moment van onachtzaamheid, een verkeerde inschatting, waardoor verdachte niet tijdig heeft geremd en zijn voertuig niet op tijd tot stilstand heeft kunnen brengen. Volgens de verdediging zou de filevorming niet te voren zijn voorzien en zouden de signalen op de matrixborden verderop, op een afstand van ongeveer 335 meter voorbij de ongevalplaats, nog niet goed leesbaar zijn geweest voor verdachte. Dit dient tot vrijspraak te leiden van het primair tenlasteglegde artikel 6 WVW 1994. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde artikel 5 WVW 1994 heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Beoordeling van de standpunten door de rechtbank

De vraag die thans aan de orde is, is of verdachte door zijn handelen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan het ongeval heeft.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verschillende getuigen hebben verklaringen afgelegd over het verkeersbeeld.

Getuige [nr. 1], de bestuurster van de Scania trekker met oplegger die op de rechter rijstrook reed, voor de personenauto met caravan van de slachtoffers en de trekker-oplegger van verdachte, heeft verklaard dat zij voor zich een file zag staan op beide banen, dat zij de matrixborden met daarop 50 heeft waargenomen, haar snelheid heeft verminderd en de alarmlichten heeft aangedaan. Zij reed op het moment van de aanrijding circa 25 kilometer per uur. Ook de personenauto met caravan reed langzaam.

Andere getuigen, die achter dan wel naast verdachte reden, verklaren tevens over het drukker worden van het verkeer, het van veraf al zien van het ontstaan van de file en het afremmen door het verkeer net voorbij de afslag Beuningen. Getuige [nr. 2] verklaart dat net voorbij de afslag Beuningen het verkeer afremde en er een file ontstond. Zij reed achter de Scania en hoorde op het moment dat zij deze links inhaalde een klap. Getuige [nr. 3], die achter verdachte reed, verklaart dat hij zag dat het ter hoogte van de afslag Beuningen drukker werd. Hij is langzamer gaan rijden omdat hij waarnam dat de snelheid op de linkerbaan er uit ging en er een file ontstond. Getuige [nr. 4] verklaart dat hij achter een vrachtauto van [naam] reed en, omdat een file was ontstaan, die vrachtauto afremde. Hij heeft deze vrachtauto links ingehaald en op het moment dat hij er voorbij was een klap gehoord. Getuige [nr. 5] verklaart dat hij het druk vond op de weg. Hij kon, rijdend op de linkerrijstrook terwijl verdachte schuin rechts voor hem reed, normaal rijden tot aan de brug, maar na de brug zag hij op circa 400 - 500 meter een file ontstaan. Hij heeft direct het gas losgelaten. Toen hij waarnam dat er allemaal spullen door de lucht vlogen heeft hij stevig geremd. Hij heeft gezien dat er door verdachte niet geremd werd. Getuige [nr. 6] verklaart dat hij naast verdachte reed, matrixborden zag oplichten en daarop sterk ging remmen. Rechts voor hem reed de auto met caravan. Op het moment dat [nr. 6] remde, zag hij de vrachtauto van verdachte gewoon doorrijden. Verdachte zelf verklaart dat hij op enig moment afgeleid moet zijn geweest, hij weet niet meer precies waardoor maar het zou door de routeplanner of de laptop kunnen zijn geweest. Op het moment dat hij weer voor zich keek zag hij op een afstand van ongeveer 20 tot 30 meter een voertuig voor zich, naar later bleek een auto met een caravan.

Uit het verkeersbeeld is af te leiden dat vanaf 10.26 uur de gemiddelde snelheid van het verkeer vanaf hectometerpaal 112.2 sterk afnam. De snelheid lag volgens de weergave deels op minder dan 40 km/u en deels op minder dan 25 km/u. De matrixborden verderop gaven op dat moment een maximumsnelheid van 50 km/u aan. Dit beeld bleef op 10.27 uur en 10.28 uur nagenoeg gelijk.

Enkele getuigen, die voor danwel links naast of links achter verdachte reden, verklaren over het zien van de matrixborden. Het verweer dat verdachte de matrixborden niet zou kunnen hebben waarnemen, gelet op de afstand, wordt verworpen nu uit de diverse getuigenverklaringen blijkt dat zulks wel mogelijk was. Gesteld is dat ook de voor hem rijdende Scania danwel de caravan het zicht (deels) moeten hebben beperkt. Ook dit verweer wordt door de rechtbank verworpen nu een feitelijke onderbouwing hiervan door de verdediging niet is gegeven.

Door de getuigen, die allen aan het afremmen waren of hun vaart al verminderd hadden, wordt gezien dat de trekker met oplegger van verdachte gewoon door bleef rijden en vol op de auto met caravan botste. Slechts één getuige geeft aan dat verdachte kennelijk nog naar rechts heeft proberen te sturen, dit in tegenstelling tot hetgeen verdachte denkt te hebben gedaan, hij verklaart namelijk naar links te hebben gestuurd. De afstand tussen het motorrijtuig van verdachte en de voor hem rijdende personenauto met caravan was inmiddels, op het moment dat hij de auto met caravan zag, te klein geworden om effectief ontwijkende maatregelen te kunnen nemen.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte het motorvoertuig direct voor de aanrijding enige tijd niet bewust heeft bestuurd. De rechtbank is van oordeel dat dit gedurende meerdere seconden het geval moet zijn geweest aangezien de verkeersontwikkeling enige tijd in beslag heeft genomen. Zij komt tot dit oordeel op grond van de verkeersbeelden en omdat andere verkeersdeelnemers op basis van diverse signalen hun rijgedrag wel al hadden aangepast of bezig waren met aanpassen aan de omstandigheden. Op de rechterrijstrook was de file al ontstaan en werd door de verkeersdeelnemers geremd. Diverse auto’s waren naar links gegaan om in te halen en ook op de linkerrijstrook was de snelheid er al uit. Dit gebeurde vanaf de brug/afslag, circa 200 meter voor de plaats van het ongeval. Verdachte, beroepschauffeur, heeft geen van die signalen opgemerkt en zijn snelheid niet aangepast. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de voertuigen direct voor, naast en achter verdachte hun snelheid al hadden verminderd van 80 kilometer per uur naar circa 25 kilometer per uur. Dit alles vergt meerdere seconden. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat geen sprake kan zijn van slechts een kort fataal moment van onoplettendheid.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen zodat het verwijt zoals verwoord in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 doel treft.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 05 mei 2008, te Beuningen in de gemeente Beuningen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker

(merk Mercedes) met oplegger) daarmede heeft gereden op de rechter rijstrook

van de rijbaan van de weg, de A73, gaande in de richting van de A50

aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam terwijl op die rijbaan sprake was van een grote verkeersintensiteit, verkeersdrukte en filevorming en

terwijl een andere op die rijbaan rijdende verkeersdeelnemer haar

waarschuwings- of alarmverlichting van haar motorrijtuig had

ingeschakeld en de op enige afstand voor hem, verdachte waarneembare, zich

boven die rijbaan bevindende matrixborden een maximum snelheid van 50 en/of 70

kilometer per uur aangaven,

niet op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die rijstrook en rijbaan

heeft gelet en is blijven letten en niet, heeft bemerkt dat het voor hem,

verdachte uit op die rijstrook rijdende verkeer, had afgeremd en

aanzienlijk langzamer was gaan rijden of tot stilstand was gekomen en

in het geheel niet, heeft geremd en

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (trekker (merk Mercedes)met oplegger) zodanig heeft geregeld dat

hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (trekker (merk Mercedes) met

oplegger) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte

die rijbaan van die weg kon overzien en waarover deze vrij was en

in aanrijding is gekomen met een voor hem,

verdachte uit op die rijstrook stilstaande of langzamer rijdende caravan en

ander motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Renault, tengevolge

waarvan die caravan werd vernield en dat andere motorrijtuig

(personenauto) dwars op die rijstrook, met de voorzijde in de richting van de

gezien, zijn verdachtes rijrichting, rechts gelegen vluchtstrook, is

terechtgekomen en

tengevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto), met de linker voorzijde

van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (trekker (merk Mercedes) met

oplegger), tegen de achterzijde van een voor dat andere motorrijtuig

(personenauto) zich op dezelfde rijstrook bevindend andere motorrijtuig

(trekker(merk Scania)met oplegger) is platgedrukt, en

ten gevolge waarvan die caravan en dat motorrijtuig, te weten die

personenauto, waarin de slachtoffers ([slachtoffer1], [slachtoffer2], [slachtoffer3]

en [slachtoffer4]) nog aanwezig waren en die trekker (merk Mercedes) met

oplegger in brand geraakt zijn geraakt en uitgebrand

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen ([slachtoffer1], [slachtoffer2], [slachtoffer3] en [slachtoffer4]) werden gedood;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sancties

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 15 januari 2010.

• een medische verklaring van dr. (med) R. Winkel betreffende verdachte, d.d. 09 juli 2009.

• een rapport van Reclassering Nederland inhoudende een reclasseringsadvies betreffende verdachte, d.d. 11 februari 2010.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 6 november 2009 geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 (twee) jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 (twee) jaren.

Ter terechtzitting van 12 februari 2010 heeft de officier van justitie zijn eis gewijzigd. De officier van justitie vordert thans dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan enig ander misdrijf en onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich stelt onder toezicht van Reclassering Nederland, ook wanneer dat inhoudt een gedragsaanwijzing inhoudende dat verdachte onder toezicht van de Duitse reclasseringsorganisatie 240 (tweehonderd en veertig) uur werkzaamheden ten algemene nutte zal verrichten. Voorts vordert de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting van 6 november 2009 heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat, gelet ook op de gevolgen voor verdachte die nog iedere dag onder het ongeval lijdt, een gevangenisstraf niet passend wordt geacht.

Ter terechtzitting van 12 februari 2010 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, nu uit het rapport van de Reclassering Nederland blijkt dat een werkstraf in de vorm van een bijzondere voorwaarde tot de mogelijkheden behoort, deze mogelijkheid passend en geboden is. Verdachte zelf heeft desgevraagd verklaard bereid te zijn deze bijzondere voorwaarde te vervullen.

Beoordeling van de standpunten door de rechtbank

Door zijn rijgedrag heeft verdachte een tragisch ongeval veroorzaakt. Hierbij zijn de slachtoffers [slachtoffer1], [slachtoffer2], [slachtoffer3] en [slachtoffer4] om het leven gekomen. Dit heeft groot en onherstelbaar leed voor de nabestaanden veroorzaakt, zoals ook op de terechtzitting van 6 november 2009 door mevrouw [naam] moeder en oma van de slachtoffers, duidelijk naar voren is gebracht. De nabestaanden staan voor de vrijwel onmogelijke taak om het verlies in hun leven een plaats te geven. De rechtbank realiseert zich dat dit grote verlies niet in enige strafmaat is uit te drukken. Toch moet zij zich de vraag stellen welke straf in dit geval passend en geboden is.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte weliswaar schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan het ongeval heeft, maar dat het hier niet gaat om de, binnen de kaders van de geschonden norm, zwaarste vorm van schuld. Dit dient dan ook tot uitdrukking te komen in de strafmaat. Daarnaast houdt zij in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor dergelijke feiten en dat de gevolgen van het ongeval, ook voor verdachte, zeer ingrijpend zijn geweest. Uit de medische verklaring betreffende verdachte blijkt dat hij tengevolge van het ongeval lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en niet meer in staat is om zijn werkzaamheden als beroepschauffeur uit te oefenen. Verdachte zal moeten leven met de niet door hem gewilde gevolgen van het ongeval. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze situatie geen passende straf is.

De rechtbank zal daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden opleggen, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder reclasseringstoezicht zal stellen, ook indien dit inhoudt een gedragsaanwijzing inhoudende dat verdachte onder toezicht van de Duitse Reclasseringsorganisatie voor de duur van 240 (tweehonderd en veertig) uur werkzaamheden ten algemene nutte dient uit te voeren in Duitsland. Voorts zal de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 4 (vier) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt een gedragsaanwijzing inhoudende dat veroordeelde onder toezicht van de Duitse Reclasseringsorganisatie (Bewährungshilfe) 240 (tweehonderd en veertig) uren werkzaamheden ten algemene nutte in Duitsland dient te verrichten.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt verdachte voorts tot

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Aldus gewezen door:

mrs. M.F. Gielissen (voorzitter), J.A.P. Bakker en H.T. Wagenaar als rechters in tegenwoordigheid van mr. J.W. Botter (griffier) en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 februari 2010.