Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL5488

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/1339
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering bouwvergunning voor varkensstal, omdat er ernstig gevaar bestaat dat die bouwvergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en strafbare feiten te plegen. Wet Bibob.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 52 met annotatie van H.J.A. van Ham
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/1339

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 11 februari 2010

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mw. mr. C.D.A. Bos,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 12 februari 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2008 heeft verweerder geweigerd om aan eiser een reguliere bouwvergunning tweede fase te verlenen voor de bouw van een varkensstal aan de [straat] te [woonplaats].

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 8 januari 2010. Eiser is aldaar niet in persoon verschenen, maar werd vertegenwoordigd door mw. mr. C.D.A. Bos, advocaat te Nijmegen, en zijn zoon [zoon]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.G. Blasweiler, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

3. Overwegingen

3.1 Op 4 maart 2008 heeft eiser verweerder verzocht om een reguliere bouwvergunning tweede fase voor het bouwen van een varkensstal aan de [straat] te [woonplaats]. Voor dit bouwplan heeft verweerder bij besluit van 21 mei 2007 een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend. Bij besluit van 28 november 2007 is een reguliere bouwvergunning eerste fase voor de nokverhoging van de stal verleend.

Naar aanleiding van een nieuwsbericht van 26 maart 2008 over een hennepkwekerij in een varkensstal aan de [straat] te [woonplaats], is eiser bij brief van 18 april 2008 in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (afgekort: Wet Bibob) verzocht een formulier in te vullen en gegevens aan te leveren. Op 22 april 2008 heeft verweerder het ingevulde formulier van eiser ontvangen. Op 25 april 2008 heeft verweerder van eiser documenten ontvangen.

Op 7 mei 2008 heeft verweerder het Landelijk Bureau Bibob (afgekort: LBB) om advies gevraagd. Dit advies is door verweerder op 14 juli 2008 ontvangen.

Bij brief van 15 juli 2008 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen om de gevraagde reguliere bouwvergunning tweede fase te weigeren.

Op 17 juli 2008 heeft eiser samen met zijn gemachtigde mw. mr. Bos en zijn zoon, de heer [zoon], het advies van het LBB ingezien.

Op 21 juli 2008 heeft eiser samen met mw. mr. Bos en genoemde zoon zijn mondelinge zienswijze gegeven en zijn schriftelijke zienswijze ingediend.

De afwijzing van de aanvraag bij besluit van 23 juli 2008 heeft verweerder gebaseerd op het advies van het LBB dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen.

Dit besluit is, na bezwaar, bij het bestreden besluit gehandhaafd.

3.2 De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen eigenaar meer was van het perceel [straat] te [woonplaats]. Nu eiser echter heeft gesteld dat hij als gevolg van het bestreden besluit schade heeft geleden en die stelling niet onaannemelijk voorkomt, is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft (behouden).

3.3 Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Nu de bouwaanvraag vóór 1 juli 2008 is ingekomen, is de Woningwet zoals die gold vóór dat tijdstip van toepassing.

Ingevolge artikel 44a, eerste lid, onder a, van de Woningwet kan in afwijking van artikel 44, eerste lid, en artikel 56a, tweede en derde lid, de reguliere bouwvergunning tevens worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een aanvrager van de bouwvergunning kan worden gelijkgesteld.

Ingevolge het tweede lid van artikel 44a, van de Woningwet kan het LBB, bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd, voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar, en

b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

3.4 De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan in beginsel van het advies van het LBB mag uitgaan, gelet op de expertise van dit bureau. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusie te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2009, LJN: BJ2636).

Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb en met toestemming van eiser kennis te hebben genomen van het advies van het LBB overweegt de rechtbank als volgt.

3.5 Eiser is op 29 december 2005 onherroepelijk veroordeeld tot tachtig uren werkstraf, subsidiair veertig dagen hechtenis en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 4.000, omdat op zijn perceel een hennepkwekerij is aangetroffen. Eiser heeft in die strafrechtelijke procedure hierover verklaard dat hij aan derden een schuur ten behoeve van een hennepkwekerij heeft verhuurd en hij deze kwekerij zelf heeft opgebouwd.

Eiser is voorts op 8 augustus 2006 onherroepelijk veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en honderd uren werkstraf subsidiair vijftig dagen hechtenis, omdat op zijn perceel opnieuw een hennepkwekerij is aangetroffen. Eiser heeft destijds verklaard dat hij de hennepkwekerij zelf heeft opgezet en geëxploiteerd.

Op 7 maart 2007 heeft de politie een anonieme tip gekregen dat er op het bedrijf van eiser tussen de schuur en de varkensstal een hennepkwekerij zou zijn. Op 26 maart 2008 is daar een hennepkwekerij aangetroffen. Er waren aanwijzingen dat deze kwekerij al geruime tijd aanwezig was. Op alle apparatuur werd zeer veel stof aangetroffen en de koolstoffilters waren zeer zwaar vervuild. Er zou zeker sprake geweest kunnen zijn van minimaal 10 oogsten. Hoewel eisers zoon [zoon] heeft verklaard dat hij niets met deze kwekerij te maken had, heeft hij op de vraag of hij de kwekerij van stroom kon voorzien een schakelaar omgezet waardoor de kwekerij werd voorzien van stroom. Tussen hem en eiser bestaat een zakelijk samenwerkingsverband.

3.6 Eiser heeft aangevoerd dat de hennepkwekerijen die op zijn bedrijf zijn aangetroffen zijn opgebouwd en geëxploiteerd door woonwagenkampbewoners die zich wederrechtelijk de toegang tot eisers schuur hebben verschaft. Eiser heeft de schuld op zich genomen, omdat hij en zijn gezin werden bedreigd.

De rechtbank is van oordeel dat eiser deze stellingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de door eiser tegenover de politie afgelegde verklaringen, zoals die zijn weergegeven in het rapport van het LBB, en het oordeel van de strafrechter dat eiser de strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder B (telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren) en C (aanwezig hebben) van de Opiumwet heeft gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam gebleken dat er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde bouwvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, nu er voldoende aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat de hennepteelt op het bedrijf van eiser vanaf januari 2005 een structureel karakter heeft (gehad).

Het is een feit van algemene bekendheid dat het uit hennepteelt verkregen voordeel groot is. Aangenomen wordt dat dit ook bij eiser het geval is geweest. Het feit dat bij de eerste veroordeling van eiser op 29 december 2005 ‘slechts’ € 4.000 wederrechtelijk verkregen voordeel is ontnomen, doet hieraan onvoldoende af.

3.7 Eiser heeft voorts bestreden dat de aangevraagde bouwvergunning mede zal worden gebruikt om het uit de hennepteelt verkregen voordeel wit te wassen. Eiser heeft een verklaring van de ING Bank overgelegd waaruit blijkt dat deze bank bereid is de varkensschuur te financieren. Daargelaten het feit dat bedoelde verklaring niet zonder voorbehoud is gegeven, is de rechtbank van oordeel dat de eventuele bereidheid van een bank om de stal te financieren, door verweerder terecht niet als beslissend is beschouwd, nu het uit de hennepteelt verkregen of te verkrijgen voordeel ook kan worden benut om bankschulden af te lossen.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob is voldaan, omdat er ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en strafbare feiten te plegen. Verweerder was dan ook bevoegd om de gevraagde bouwvergunning te weigeren.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid geen gebruik heeft mogen maken.

Van strijd met het in artikel 3:3 van de Awb neergelegde verbod van détournement de pouvoir, in die zin dat verweerder de bouwvergunning heeft geweigerd, omdat hij het bedrijf van eiser, gelet op de stankcirkel daarvan en het nabijgelegen bedrijventerrein, weg wil hebben, is niet gebleken.

3.8 Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. L. van Gijn, voorzitter, en mrs W.F. Bijloo en H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 11 februari 2010