Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL4441

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
187157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reaal vordert een verklaring voor recht dat de Gemeente en/of de Provincie onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijke veroordeling van de Gemeente en de Provincie tot betaling van de kosten van de sanering.

Volgens eiser heeft de gemeente in de eerste plaats onrechtmatig gehandeld door toestemming te geven voor het door (naam club) in 1983 aanbrengen van de kabelshredder en daarvoor een subsidie te verstrekken. De Gemeente heeft in de tweede plaats onrechtmatig gehandeld door haar toezegging uit 1996 bevestigd in 2004, dat zij garant zou staan voor de kosten van sanering, niet na te komen. De Gemeente en de Provincie hebben ten slotte onrechtmatig gehandeld, door betrokkenen niet te informeren over de resultaten van het bodemonderzoek uit 1994, althans door hun kennis over de verontreinigingen in kabelshredder in 1994 niet met betrokkenen te delen, althans door ten onrechte aan betrokkenen en (naam club) te berichten dat uit het bodemonderzoek niets verontrustends was gekomen. Als zij betrokkenen wel zouden hebben geïnformeerd over de verontreiniging van de kabelshredder, zou de sanering eerder zijn verricht en zou de schade beperkter zijn geweest.

De vorderingen worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2010/39 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187157 / HA ZA 09-1261

Vonnis van 27 januari 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

REAAL VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. drs. M.M.S. ter Beek- Ehren te Rosmalen,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GROESBEEK,

zetelend te Groesbeek,

gedaagde,

advocaat mr. W.J.M. Gitmans te Nijmegen,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE GELDERLAND,

zetelend te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna Reaal, de Gemeente en de Provincie genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 november 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 13 januari 2010 (per vergissing gedateerd op 13 januari 2009).

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De heer [betrokkene1] en mevrouw [betrokkene2] - hierna in enkelvoud: [betrokkenen] - waren eigenaar van het perceel [adres+kad.gegevens] - hierna: het perceel. [betrokkenen] exploiteerde op het perceel een manege, “[naam manege]” genaamd. [betrokkenen] heeft omstreeks 1983 de manege verhuurd aan de Landelijke Rijvereniging en Ponyclub [naam club] - hierna: [naam club] - die toen twee buitenbakken heeft aangelegd op het perceel. [naam club] heeft in overleg met de Gemeente haar verenigingsactiviteiten verplaatst naar het perceel, omdat het terrein waarop zij voordien was gevestigd, voor woningbouw was bestemd. [naam club] heeft de buitenbakken bedekt met onder meer een toplaag van 15 cm rubberkorrels, dat afkomstig was van afval van draadomhulsel. Deze stof wordt hierna kabelshredder genoemd. [naam club] heeft de Gemeente bij brief van 2 april 1981 verzocht om subsidie voor de aanleg van de buitenbakken. Daarover is overleg geweest tussen [naam club] en de Gemeente op 24 februari 1982 en 1 december 1982. Tijdens de gesprekken is aan de orde gekomen dat [naam club] een toplaag van kabelshredder zou aanbrengen. Het verzoek om subsidie is in de toenmalige financiële commissie van de Gemeente behandeld in 1983. Het is niet meer te achterhalen of de Gemeente een subsidie heeft verstrekt.

2.2. Burgemeester en wethouders van de Gemeente - hierna: B&W - hebben bij beschikking van 29 september 1992 aan de heer [betrokkenen] een hinderwetvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een manege.

2.3. Buurman van [betrokkenen] is de heer [betrokkene3], [adres]. [betrokkene3] heeft in 1994 geklaagd over bodemverontreiniging die zich vanuit het perceel van [betrokkenen] naar zijn perceel verplaatste. Naar aanleiding van de klacht hebben de heren [betrokkene4] en [betrokkene5] van het bureau Bouw- en Milieuzaken van de Gemeente en de heer [betrokkene6] van de dienst Water en Milieu Provincie op 2 november 1994 een bedrijfsbezoek gebracht aan [betrokkenen]. In het archief van de Gemeente bevinden zich afschriften van brieven van haar aan de Provincie, [betrokkenen] en [betrokkene3], waarvan de Provincie en [betrokkenen] ontkennen ze te hebben ontvangen. De tekst van de brieven is voor een deel gelijk. Uit de brief aan manege “[naam manege]” t.a.v. de heer [betrokkenen] (waarvan [betrokkenen] stelt haar niet te hebben ontvangen) wordt het volgende geciteerd:

“Tijdens genoemd bedrijfsbezoek is met u gesproken over een mogelijke verontreiniging van de bodem ter plaatse van de zogenaamde “buiten-oefenbak” door het op of in de bodem brengen van kabelshredder. Dit kabelshredder is een van buiten uw inrichting afkomstige bedrijfsafvalstof. Het betreft een geschatte hoeveelheid van ca. 100 m³ kabelshredder.

Op grond van de bepalingen van de Wet Milieubeheer is het verboden zonder een vergunning van Gedeputeerde Staten van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen op of in de bodem te brengen. Uit navraag is begrepen dat hiervoor geen vergunning is verleend. (…)

Wij hebben het college van Gedeputeerde Staten dan ook verzocht de behandeling van deze kwestie over te geven.

2.4. In de brief aan de Provincie komt de volgende passage voor:

“Een bekend probleem bij het op of in de bodem brengen van kabelshredder (zonder beschermende voorziening) is verontreiniging van de bodem met o.a. koper en antimoon.

Gelet op de hoeveelheid op de bodem gebracht kabelshredder (de oefenbak heeft een lengte van 47 meter en een breedte van 45 meter; het shredder heeft een laagdikte van ca. 0,05 meter) van ca. 100 m³ en het soort afvalstof (bedrijfsafvalstof) moeten wij konkluderen dat uw college in deze bevoegd gezag is.”

2.5. Ambtenaren van de Gemeente hebben op 23 februari 1995 overlegd met bestuursleden van [naam club]. Op basis van dit gesprek is een ambtelijk voorstel aan B&W voorbereid om [naam club] te ondersteunen in een bezwaarschriftenprocedure tegen een provinciale beschikking tot ontruiming. Het voorstel droeg de titel “Gebruik shredder door Rijvereniging [naam club]” en was als volgt toegelicht:

“Onder verwijzing naar bijgevoegd verslag van het gesprek met Rijvereniging [naam club] op 23-2-1995, wordt voorgesteld om thans en vooralsnog:

1. De vereniging bij te staan in haar verweer tegen de provinciale beschikking tot ontruiming van de rijbak.

2. Hiertoe Bureau Milieuzaken archiefonderzoek te laten plegen ter beantwoording van de vraag of de gemeente destijds uitdrukkelijk met het gebruik van de shredder [heeft] ingestemd, en zo ja, terecht? Had de gemeente op de hoogte kunnen c.q. moeten zijn van eventuele schadelijke effecten van dit materiaal?”

2.6. Op het voorstel is met de pen bijgeschreven “niet accoord”. Het stuk is niet in B&W behandeld.

2.7. [naam club] vierde in 1996 haar 50-jarig jubileum. Op de receptie in een feesttent op het perceel ter gelegenheid van het jubileum waren aanwezig raadslid en locoburge¬mees¬ter [(XXX)] en wethouder mevrouw [(XX)]. Ook aanwezig waren de bestuursleden van [naam club] de heren [XXXX] (destijds voorzitter van [naam club]) en [XXXXX] en mevrouw [XXXXXX].

2.8. De kabelshredder uit de westelijk gelegen buitenbak is in 2001 verplaatst naar de oostelijk gelegen buitenbak. Na een egalisatie van de westelijk gelegen buitenbak is kabelshredder terechtgekomen op het zuidelijk gedeelte van het perceel. Van daaruit is de kabelshredder bij regenbuien afgestroomd naar het perceel van [betrokkene3]. Ook heeft de kabelshredder zich verspreid doordat het bleef hangen aan de benen van de paarden.

2.9. Na nieuwe klachten van [betrokkene3] heeft VOF EnviroPlan te Weurt - later: EnviroPlan B.V., hierna: EnviroPlan - in opdracht van de Gemeente in 2003 een inventariserend bodemonderzoek naar verontreiniging van de percelen van [betrokkenen] en [betrokkene3] gedaan. Uit dit onderzoek is gebleken dat de kabelshredder hoge concentraties zware metalen bevatte en dat daardoor de interventiewaarden voor koper in de grond waren overschreden. Nadat B&W de heer [betrokkenen] onder verwijzing naar de art. 13 en 28 Wet bodembescherming bij brief van 4 december 2003 hadden verplicht nader onderzoek te verrichten naar de bodemverontreiniging, heeft EnviroPlan in opdracht van [betrokkenen] in 2004 het nadere onderzoek verricht, waaruit dezelfde uitkomsten bleken. Het betrof een ernstig geval van bodemverontreiniging. Nadat EnviroPlan eind 2004 een saneringsplan had opgesteld, heeft zij in de periode van december 2004 tot april 2005 de sanering uitgevoerd.

2.10. Op 2 juni 2004 is er op het gemeentehuis overleg geweest over de sanering tussen de heer [XXX] en mevrouw [XXX], bestuursleden van [naam club], de heer [XXX], de heer [XXX], destijds in dienst bij de Gemeente als toezichthouder, en de heer [betrokkenen].

2.11. Omstreeks 2006 is [betrokkenen] verhuisd naar Kranenburg, Duitsland en heeft hij het perceel verkocht en overgedragen aan een derde.

2.12. In december 2006 heeft [naam club] “alle aanspraken jegens de gemeente tot nakoming van gedane toezegging en tot vergoeding van de schade wegens aantasting van het registergoed, [kad.gegevens], alsmede van het naastgelegen perceel van buurman [betrokkene3] aan de [adres] [plaats], door het onrechtmatig handelen door toestemming te verlenen aan [naam club] voor de toepassing van kabelshredder als bodembedekkingsmateriaal in de rijbakken van de aan de [adres] aanwezige buitenmanege, alsmede de toezegging van de gemeente in de persoon van J. [XXX], dat bij eventuele problemen met de kabelshredder de gemeente garant zou staan voor het saneren van de grond” gecedeerd aan [betrokkenen].

2.13. [betrokkenen] was in het bezit van twee bodemmonsters, met aanduiding bovengrond (1C) en ondergrond (2C), kennelijk genomen door de dienst Water en Milieu van de Provincie op 21 december 1994 om 10:00 en 11:00 uur. In opdracht van [betrokkenen] heeft Peutz bv te Mook - hierna: Peutz - in augustus 2007 de zegels verbroken en de monsters onderzocht. De monsters vertoonden verhoogde concentraties zware metalen. In monster 1C waren de interventiewaarden van een aantal metalen overschreden, in monster 2C alleen voor koper.

2.14. Op verzoek van [betrokkenen] is in 2007 een voorlopig getuigenverhoor gehouden (zaak-/rekestnummer: 155502/07-144). De Gemeente was gerekwestreerde. Gehoord zijn de heer en mevrouw [betrokkenen], de heren [XXX], Wientjes en [XXX] en de dames [XXX], [XXX] en [XXX].

2.15. [betrokkenen] heeft in oktober 2008 aan Reaal overgedragen zijn “vordering op de gemeente Groesbeek en/of de provincie Gelderland terzake de schade die [betrokkenen] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de bodemverontreiniging op/aan het registergoed aan de [adres+kad.gegevens], hetwelk tot het voormalig eigendom van [betrokkenen] behoort, alsmede van het naastgelegen perceel van buurman [betrokkene3] aan de [adres] [plaats], voor welke schade [betrokkenen] de gemeente Groesbeek en de Provincie aansprakelijk heeft gesteld.”

3. Het geschil

3.1. Reaal vordert samengevat - een verklaring voor recht dat de Gemeente en/of de Provincie onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [betrokkenen] c.q. Reaal en hoofdelijke veroordeling van de Gemeente en de Provincie tot betaling van EUR 227.162,73, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. De Gemeente en de Provincie voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [betrokkenen] exploiteerde op het perceel een manege, “[naam manege]” genaamd. Hij heeft de manege vanaf 1983 verhuurd aan [naam club] zodat deze haar verenigingsactiviteiten op het perceel kon laten plaatsvinden. Daarvoor zijn in 1983 onder andere twee rijbakken aangelegd, waarin een toplaag met kabelshredder is aangebracht. De Gemeente was ermee bekend dat deze toplaag werd aangebracht. Later is gebleken dat de kabelshredder verontreinigd was met zware metalen en dat ook de bodem op het perceel van [betrokkenen] en dat van buurman [betrokkene3] verontreinigd is geraakt. [betrokkenen] heeft de kosten van sanering vergoed. In deze procedure vordert Reaal als verkrijger krachtens cessie van de vorderingen van [betrokkenen] en [naam club] dat de Gemeente en/of de Provincie haar deze kosten vergoedt. Zij stelt dat de Gemeente en/of de Provincie tegenover [betrokkenen] en [naam club] onrechtmatig hebben gehandeld. De Gemeente heeft in de eerste plaats onrechtmatig gehandeld door toestemming te geven voor het door [naam club] in 1983 aanbrengen van de kabelshredder en daarvoor een subsidie te verstrekken. De Gemeente heeft in de tweede plaats onrechtmatig gehandeld door haar toezegging uit 1996 aan [naam club], bevestigd in 2004, dat zij garant zou staan voor de kosten van sanering, niet na te komen. De Gemeente en de Provincie hebben ten slotte onrechtmatig gehandeld, door [betrokkenen] niet te informeren over de resultaten van het bodemonderzoek uit 1994, althans door hun kennis over de verontreinigingen in kabel¬shredder in 1994 niet met [betrokkenen] te delen, althans door ten onrechte aan [betrokkenen] en [naam club] te berichten dat uit het bodemonderzoek niets verontrustends was gekomen. Als zij [betrokkenen] wel zouden hebben geïnformeerd over de verontreiniging van de kabel¬shredder, zou de sanering eerder zijn verricht en zou de schade beperkter zijn geweest. Hierna zullen deze drie gronden worden onderzocht.

1983 - toestemming en subsidie

4.2. [naam club] heeft in 1983 als huurster van het perceel van [betrokkenen] kabelshredder op de bodem gebracht. De Gemeente was ermee bekend dat [naam club] deze kabelshredder op de bodem zou brengen. [naam club] heeft een subsidie voor de aanleg van de buitenbakken aangevraagd. Of deze subsidie is verleend, is thans niet meer vast te stellen. De rechtbank gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat deze subsidie aan [naam club] is verleend. In dat geval heeft de Gemeente een activiteit van een huurster gesubsidieerd die tot verontreiniging van het perceel van de verhuurder heeft geleid en was de Gemeente bovendien bekend met de toepassing van de stof, waarvan later is vastgesteld dat die de oorzaak van de verontreiniging was.

4.3. De vraag of de Gemeente met deze kennis en door deze subsidie onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [betrokkenen] als verhuurder en eigenaar van het perceel, wordt ontkennend beantwoord. De vraag komt er in feite op neer of de Gemeente in plaats van de activiteit toe te laten en zelfs te financieren, niet handhavend had moeten optreden door [naam club] te verbieden deze stof toe te passen, althans van tevoren haar de toepassing van deze stof dringend had moeten ontraden. Cruciaal voor de beoordeling is dat [betrokkenen], [naam club] en de Gemeente er in 1983 niet bekend mee waren dat kabelshredder in verband met de aanwezigheid van zware metalen zou leiden tot bodemverontreiniging als deze op de bodem zou worden gebracht. Verder heeft Reaal niet gesteld en is ook niet gebleken dat de Gemeente er in 1983 een verwijt van kon worden gemaakt dat zij dat niet wist. Dat betekent dat [naam club] in 1983 een toplaag in de buitenbakken heeft aangebracht, waarvan de Gemeente niet wist en niet behoefde te weten dat deze een verontreinigend karakter had. Daaruit volgt weer dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld door [naam club] deze stof te laten aanbrengen en evenmin door deze activiteit met een subsidie te financieren. Dit onderdeel van de vordering is daarom niet gegrond.

4.4. Reaal heeft nog gesteld dat de kabelshredder met toestemming van de Gemeente zou zijn aangebracht op de bodem. De Gemeente heeft betwist dat zij toestemming heeft gegeven. Reaal heeft niet aangegeven hoe, wanneer en door wie namens de Gemeente toestemming zou zijn gegeven en met het oog op welk publiek- of privaatrechtelijk voorschrift dat zou zijn gebeurd. Ook al zou de Gemeente toestemming hebben gegeven, welke betekenis daar dan ook aan gehecht zou moeten worden, dan nog kan dat niet de conclusie dragen dat de Gemeente daardoor onrechtmatig tegenover [betrokkenen] heeft gehandeld. In dat geval geldt ook dat de Gemeente niet wist en niet behoefde te weten dat de door [naam club] toegepaste stof een verontreinigend karakter had.

4.5. De conclusie is daarom dat de vordering van Reaal, voor zover gebaseerd op de gebeurtenissen in 1983, zal worden afgewezen.

1994 en 1995 - het zwijgen van Gemeente en Provincie

4.6. Reaal verwijt de Gemeente en de Provincie dat zij [betrokkenen] niet hebben geïnformeerd over het verontreinigende karakter van de kabelshredder. Zij hadden [betrokkenen] hiervan op de hoogte moeten stellen, omdat deze kennis bij hen sowieso aanwezig was en omdat hun algemene kennis moet zijn bevestigd door het door de Provincie uitgevoerde bodemonderzoek in 1994/1995. In plaats daarvan heeft de Provincie begin 1995 tijdens een bezoek van [betrokkenen], [XXX] en [XXX] gezegd dat er nog niets bekend was en dat [betrokkenen] en [naam club] daarover contact zouden moeten opnemen met de Gemeente en heeft [XXX] van de Gemeente tijdens een bezoek in mei 1995 van [betrokkenen], [XXX] en [XXX] daarover gezegd dat uit het onderzoek zou zijn gebleken dat er niets verontrustends aan de hand was. Volgens Reaal hebben de Gemeente en de Provincie hun bijzondere zorgplicht tegenover [betrokkenen] geschonden en daarom onrechtmatig tegenover [betrokkenen] gehandeld. Op Gemeente en Provincie rustte volgens Reaal een bijzondere zorgplicht, omdat de Gemeente destijds toestemming voor toepassing van de kabelshredder had gegeven en deze activiteit had gesubsidieerd, omdat zij bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer was en omdat Gemeente en Provincie bekend waren met het verontreinigende karakter van kabelshredder. Gemeente en Provincie betwisten deze stellingen. [XXX] heeft tijdens het getuigenverhoor verklaard dat milieuzaken destijds niet onder zijn portefeuille vielen en dat hij zich niet kan herinneren dat hij de uitslag van een bodemonderzoek aan [betrokkenen] heeft doorgegeven.

4.7. Volgens Reaal bezit [betrokkenen] zogenaamde contramonsters die door de Provincie in december 1994 (21 december 1994 tussen 10:00 en 11:00 uur) zouden zijn genomen van de boven- en ondergrond van de buitenbak. Onderzoek door Peutz wijst uit dat deze monsters gehaltes boven de interventiewaarden van vooral koper bevatten. Bij de Provincie is niets bekend over deze monsternemingen. Bij de Provincie is ook niets bekend over de locatie [adres] dat uit de jaren negentig dateert. Ook de brief die de Gemeente stelt op 24 november 1994 aan haar te hebben gezonden en die is geciteerd in 2.4, stelt de Provincie niet te hebben ontvangen. Schriftelijke vastlegging van de uitkomsten van een eventueel bodemonderzoek door de Provincie eind 1994, begin 1995 zijn ook niet bekend bij de Gemeente, [betrokkenen] of [naam club]. [betrokkenen] heeft in 2007 om dergelijke documenten boven water te krijgen, een verzoek krachtens de Wet openbaarheid van bestuur aan de Provincie gedaan, maar de Provincie heeft niets kunnen vinden. Of een dergelijk onderzoek is uitgevoerd, of de bodemmonsters zijn geanalyseerd en wat de uitkomsten daarvan waren, is daarom thans niet meer vast te stellen. Daardoor is evenmin vast te stellen dat Provincie of Gemeente daaromtrent onjuiste mededelingen hebben gedaan of daarover hebben gezwegen terwijl de uitkomsten van het onderzoek hen noopten daarover eigener beweging mededelingen aan [betrokkenen] te doen. Voor zover de stellingen van Reaal erop zijn gebaseerd dat de Provincie of de Gemeente de resultaten van dat eventuele bodemonderzoek niet of onjuist aan [betrokkenen] en/of [naam club] zouden hebben doorgegeven, moet de vordering van Reaal daarom worden afgewezen.

4.8. Reaal stelt ook dat Gemeente en Provincie [betrokkenen] hadden moeten vertellen wat zij ook onafhankelijk van dat bodemonderzoek wisten, nl. dat kabelshredder een verontreinigend karakter heeft. Uit de door Reaal zelf in het geding gebrachte stukken blijkt dat hoogst onaannemelijk is dat de medewerkers van Gemeente en Provincie [betrokkenen] in die tijd niet op de hoogte hebben gebracht van het feit dat kabelshredder een verontreinigende stof is of dat [betrokkenen] dat niet via [naam club] had vernomen. Er zijn in de eerste plaats de brieven van de Gemeente aan [betrokkenen], de Provincie en [betrokkene3]. Ook al staat niet vast dat die zijn aangekomen, zij laten wel zien dat de heren [betrokkene4] en [betrokkene5] van de dienst Bouw- en Milieuzaken van de Gemeente en [betrokkene6] van de dienst Water en Milieu van de Provincie op 2 november 1994 een bedrijfsbezoek hebben gebracht aan het perceel, juist met het oog op de aanwezigheid van kabelshredder. Volgens de brief aan de Provincie is een bekend probleem van kabelshredder dat hij te hoge gehaltes koper en antimoon bevat. De heer en mevrouw [betrokkenen] hebben verklaard dat deze ambtenaren op bezoek zijn geweest om een “inventarisatie van buitenbakken” te verrichten. Voor wat voor een inventarisatie de drie milieu-ambtenaren dan langs zouden zijn gekomen, hebben zij echter niet duidelijk gemaakt. In de tweede plaats blijkt uit de verklaringen van de heer en mevrouw [betrokkenen] dat vooral de heer [betrokkenen] in die tijd nauw heeft opgetrokken met de bestuursleden van [naam club]. Zo zijn zij begin 1995, resp. in mei 1995 samen naar de Provincie, resp. de Gemeente gegaan om te vragen naar de uitkomsten van het bodemonderzoek. Uit de door Reaal in het geding gebrachte ambtelijke notitie van de Gemeente van eind februari 1995, geciteerd in 2.5, blijkt dat de bestuursleden van [naam club] op 23 februari 1995 overleg hebben gehad met medewerkers van de Gemeente over de “shredder in buitenbakken” en over een dreigend sanctiebesluit van de Provincie tot verwijdering van de shredder. Het is onaannemelijk dat [betrokkenen] van deze kwestie onkundig is gebleven. In de derde plaats zijn er volgens hen door ambtenaren van de Provincie in december 1994 bodemmonsters van de kabelshredder en de ondergrond genomen. Het lijkt wederom onaannemelijk dat ook toen niet aan de orde is geweest dat de kabelshredder een verontreinigende stof is. Mevrouw [betrokkenen] heeft wel verklaard dat er niet is gesproken over verontreiniging toen de monsters werden genomen, maar voor het waarom van het nemen van die monsters geeft zij geen verklaring.

4.9. In de vierde plaats heeft mevrouw [betrokkenen] over de hierna te bespreken toezegging van [XXX] tijdens het 50-jarig jubileum van [naam club] het volgende verklaard: “Wij hadden tevoren met enige bestuursleden overlegd en besloten dat het misschien een gelegenheid was om de gemeente te vragen naar de stand van zaken inzake de kabelshredder. De heer [XXX] heeft tijdens of direct na de receptie de heer [XXX] daarop aangesproken. Ikzelf was bij dit gesprek niet aanwezig, maar nog wel in de tent. Ik heb zelf niet gehoord wat de reactie van [XXX] was. Ik weet zeker dat bij dat gesprek aanwezig waren voorzitter [XXX], de heer [XXX] en mevrouw [XXX] van de rijvereniging en misschien waren er nog wat andere bestuursleden bij. Direct na afloop heb ik van deze bestuursleden gehoord wat de reactie van [XXX] was. De locoburgemeester had volgens hen gezegd dat de resultaten van het onderzoek binnen waren en dat daaruit niets verontrustends bleek. De resultaten waren naar de onderste la van het bureau verdwenen. Hij heeft daar volgens hen aan toegevoegd dat als er gesaneerd moest worden, zij zich daarover geen zorgen hoefden te maken omdat de gemeente garant zou staan voor het opruimen en eventueel saneren van de buitenbakken.” Deze verklaring houdt in dat mevrouw [betrokkenen] in ieder geval in 1996 op de hoogte was van het verontreinigende karakter van kabelshredder.

4.10. In het licht van deze omstandigheden is het bepaald onaannemelijk dat [betrokkenen] in 1994/1995/1996 er niet van op de hoogte was dat de kabelshredder de bodem van de buitenbakken potentieel had verontreinigd. Niettemin veronderstellenderwijs aannemend dat de ambtenaren van Gemeente en Provincie in november 1994 een bedrijfsbezoek aan [betrokkenen] hebben gebracht en in december 1994 monsters hebben genomen zonder te wijzen op het verontreinigende karakter van kabelshredder en aannemend dat dit ook niet bij een van de andere gelegenheden is gebeurd waar zij in gesprek waren met [betrokkenen], kan niet gezegd worden dat Gemeente en Provincie daardoor een geschreven of ongeschreven zorgplicht tegenover [betrokkenen] hebben geschonden. Een mededelingsplicht van de overheid om degene die een inrichting drijft of eigenaar van een perceel is te waarschuwen dat deze een stof in de inrichting heeft gebracht of op zijn perceel heeft aangebracht of doen aanbrengen die verontreinigend is, vindt in het algemeen geen steun in het recht. Dat wordt niet anders doordat de Gemeente er in 1983 mee bekend was dat deze stof werd toegepast en deze mogelijk ook heeft gesubsidieerd en ook niet doordat de Gemeente bevoegd gezag is op grond van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de vordering is daarom niet gegrond.

1996 en 2004 - de mondelinge toezegging van [XXX]

4.11. De derde grondslag voor de vordering van Reaal is een door raadslid en locoburgemeester [XXX] in 1996 gedane en op 2 juni 2004 herhaalde mondelinge toezegging dat de Gemeente garant zou staan voor de kosten van sanering. Ook deze grondslag wordt verworpen. Bevoegd tot het verstrekken van financiële middelen aan een vereniging of een inwoner van de Gemeente in het kader van een sanering was volgens de stellingen van de Gemeente (nr. 26 CvA) destijds kennelijk BW. Veronderstellenderwijs aannemende dat [XXX] deze toezegging heeft gedaan, is zij onbevoegd gedaan. [naam club] mocht er niet op vertrouwen dat deze toezegging bevoegd was gedaan. De bevoegdheidsverdeling binnen een gemeente is duidelijk. In ieder geval is een raadslid niet bevoegd een gemeente te binden, zeker niet voor een omvangrijke en kostbare sanering als hier aan de orde, ook al is het betreffende raadslid locoburgemeester. Dat behoort [naam club] te weten. Uit de getuigenverklaring van [XXX] blijkt dat hij “van 2000 tot 2004” wethouder was. Mogelijk was [XXX] op 2 juni 2004 wethouder, toen hij de toezegging zou hebben herhaald. Dat leidt niet tot een andere beoordeling, omdat een wethouder evenmin bevoegd is een dergelijke toezegging te doen en [naam club] dat evenzeer behoort te weten. Gezien de duidelijke bevoegdheidsafbakening binnen een gemeente is er geen reden met een beroep op bijvoorbeeld HR 27 januari 1984, NJ 1984, 545 (WGO/KOMA) of HR 27 november 1992, NJ 1993, 287 (Felix/Aruba) van deze strakke lijn af te wijken.

4.12. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat [XXX] een mondelinge toezegging heeft gedaan. [XXX] en [XXX] hebben verklaard dat [XXX] tijdens de receptie in de feesttent in 1996 heeft gezegd dat de Gemeente garant zou staan voor sanering van de buitenbakken en [XXX] en [XXX] hebben verklaard dat [XXX] die toezegging op 2 juni 2004 zou hebben herhaald. Daar staan de verklaringen van [XXX] en wethouder [XXX] tegenover, die ontkennen dat er een dergelijke toezegging in 1996 is gedaan en de verklaringen van [XXX] en Wientjes die ontkennen dat zo’n toezegging in 2004 zou zijn herhaald. Omdat die verklaringen tegenover elkaar staan en niet gezegd kan worden dat de verklaringen namens Reaal geloofwaardiger zijn dan die namens de Gemeente, is de toezegging niet komen vast te staan.

4.13. De slotsom van al het voorgaande is dat de vorderingen zullen worden afgewezen. De overige verweren van Gemeente en Provincie behoeven geen bespreking.

4.14. Reaal zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente en de Provincie worden voor ieder van hen begroot op:

- vast recht EUR 4.938,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 8.938,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Reaal in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 8.938,00 en aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op EUR 8.938,00, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis door de Gemeente, resp. de Provincie tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010.