Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL4374

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
189852
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Twilly stelt dat de Gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en daarmee onrechtmatig tegenover haar in het kader van de besluitvorming over de ontwikkeling van een winkelconcentratiegebied.

Rechtbank wijst de vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 189852 / HA ZA 09-1685

Vonnis van 27 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TWILLY B.V.,

gevestigd te Ochten, gemeente Neder-Betuwe,

eiseres,

advocaat mr. D.J. Gutter te Utrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NEDER-BETUWE,

zetelende te Opheusden, gemeente Neder-Betuwe,

gedaagde,

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Twilly en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 november 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 13 januari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Twilly was eigenaar van het perceel Liniestraat 5/5a te Ochten - hierna: het perceel. Op het perceel was Sprinter Elektro Ochten gevestigd, een winkel in audio- en video, witgoed en huishoudelijke apparaten. Sprinter was een van de twaalf winkels die in de kern Ochten was gevestigd. Reeds lang waren er in de Gemeente initiatieven om te komen tot een winkelconcentratiegebied in Ochten. Op het moment dat het overleg over herontwikkeling van het perceel tussen Twilly en de Gemeente in februari 2005 startte, leefde binnen het gemeentebestuur de wens de totstandkoming van een winkelconcentratiegebied rondom het voormalig gemeentehuis te Ochten en het Van Drielplein actief te bevorderen en had zij Adviesburo Kardol - hierna: Kardol - opdracht gegeven onder de winkeliers onderzoek te doen naar draagvlak voor zo’n winkelconcentratiegebied.

2.2. Twilly en de Gemeente hebben op 18 februari 2005 overlegd over de mogelijkheden van herontwikkeling van het perceel. Aanwezig waren de heren [betrokkene1] en [betrokkene2], bestuurders van Twilly, wethouder mevrouw [betrokkene3] en de heer [betrokkene4] van de Gemeente. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de Gemeente aan Twilly bij brief van 2 maart 2005 onder meer het volgende geschreven:

“Door u zijn enkele globale opties voorgelegd, die variëren van amovering van het bestaande pand en de bouw van twee vrijstaande woningen dan wel een appartementencomplex als de winkelconcentratie doorgaat tot realisering van een nieuwe winkelvestiging met daarboven appartementen (voor starters) als de winkelconcentratie niet doorgaat. (…)

Aangezien de gemeente de totstandkoming van de winkelconcentratie actief wil bevorderen als blijkt, dat er voldoende draagvlak voor aanwezig is, ligt het voor de hand, dat de betreffende ondernemers mogelijkheden krijgen voor herinrichting van de locatie, die door de verplaatsing van hun winkel beschikbaar komt. Woningbouw in enigerlei vorm is dan de meest voor de hand liggende optie. omdat met de opbrengst van een dergelijke invulling een substantiële bijdrage kan worden gegenereerd in de verplaatsingskosten.

Vanuit de filosofie om de winkelconcentratie te stimuleren verdient uw verzoek een positieve benadering en wethouder [betrokkene3] heeft zich dan ook in die zin uitgelaten. Wij achten het evenwel prematuur om de stedenbouwkundige in dit stadium opdracht te geven om te onderzoeken welke mogelijkheden de locatie biedt. Zoals u weet wordt er op dit moment immers door Adviesburo Kardol een onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van de winkelconcentratie en is begin mei bekend of er bij de plaatselijke winkeliers voldoende draagvlak is om de plannen voor concentratie te realiseren.

Resumerend delen wij u mee, dat uw verzoek in principe positief wordt beoordeeld, maar dat de stedenbouwkundige pas zal worden ingeschakeld op het moment, dat vaststaat, dat de plannen voor winkelconcentratie wel of niet in uitvoering zullen worden genomen. Het is dan raadzaam, dat er een min of meer concreet plan voor de herinrichting wordt gepresenteerd, hetgeen mogelijk is, omdat u dan weet naar welke optie voor herinrichting uw voorkeur uitgaat. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat er door de stedenbouwkundige meerdere adviezen over dezelfde locatie moeten worden uitgebracht, hetgeen van belang is, omdat de daaraan verbonden kosten voor uw rekening komen. Wij zien uw reactie medio mei met belangstelling tegemoet en zijn alsdan gaarne bereid tot nader overleg omtrent de mogelijkheden tot herinrichting van de locatie.”

2.3. Twilly heeft hierop bij brief van 7 maart 2005 geantwoord. Daaruit worden de volgende passages geciteerd:

“Gezien het koopgedrag en economische omstandigheden, overwegen wij de huidige winkelvestiging bij voorkeur te verplaatsen richting kern Ochten. Hierdoor is noodzaak tot combinatie winkelvestiging met appartementen op locatie Liniestraat voor de hand liggend.

Wij willen ons in eerste instantie richten op ontwikkeling van woningbouw. Hiervoor zijn een aantal varianten mogelijk. Vooralsnog gaat de voorkeur uit naar appartementen in twee bouwlagen met een derde laag in de kap.

Het is van primair belang op zo kort mogelijke termijn stedenbouwkundig onderzoek te laten verrichten naar de huidige locatie mogelijkheden. Wij verzoeken U niet tot eind mei 2005 te wachten. Totdat onderzoek Adviesbureau Kardol heeft plaatsgevonden naar haalbaarheid winkelconcentratie en draagvlak plaatselijke winkeliers.

Zoals in uw brief aangegeven, is bijdrage in verplaatsingskosten sterk afhankelijk van de te genereren opbrengst mogelijkheden van de huidige locatie.

Met dank voor Uw positieve benadering hierbij dringend verzoek stedenbouwkundig onderzoek te starten. Vooraf s.v.p. opgave van te verwachten kosten.”

2.4. Hierop heeft de Gemeente bij brief van 21 maart 2005 onder meer als volgt gereageerd:

“Uit een tussentijdse, informele rapportage van Adviesburo Kardol hebben wij de indruk gekregen, dat er in beginsel voldoende belangstelling van plaatselijke ondernemers aanwezig is om te participeren in de realisering van het project. Zoals in onze brief van 2 maart jl. is aangegeven is voor het welslagen van het project van eminent belang, dat de betreffende ondernemers mogelijkheden krijgen voor herinrichting van de locatie, die door verplaatsing van hun winkel beschikbaar komt en woningbouw in enigerlei vorm is dat de meest voor de hand liggende optie, omdat met de opbrengst van een dergelijke invulling een substantiële bijdrage in de verplaatsingskosten kan worden gegenereerd.

Op dit moment is evenwel nog niet bekend hoeveel winkels er uiteindelijk daadwerkelijk zullen worden verplaatst, hetgeen betekent, dat eveneens nog niet bekend is hoeveel locaties voor herinrichting in aanmerking komen. In het kader van een weloverwogen en zorgvuldige besluitvorming verdient het gelijkheidsbeginsel hierbij een prominente rol te spelen en vanuit die optiek achten wij het niet te motiveren om vooruitlopend op die integrale beoordeling van de herinrichtingslocaties reeds nu een stedenbouwkundige verkenning voor uw locatie te laten uitvoeren. Overigens is deze interim-beslissing niet van invloed op de eerder door ons college uitgesproken in principe positieve benadering ten aanzien van de herontwikkeling van uw locatie.”

2.5. Twilly heeft daarop bij brief van 22 maart 2005 teleurgesteld gereageerd, omdat haar ervaring is dat de ondernemers in Ochten niet erg slagvaardig zijn en dat zij onmogelijk kan wachten op de besluitvorming omtrent het winkelconcentratiegebied. Verder heeft zij in de brief geschreven:

“Onze bedrijfsorganisatie oefent naar aanleiding van de verminderde koopkracht grote druk op ons uit. Wij dienen op korte termijn alternatieve mogelijkheden tot winkelverplaatsing in de kern Ochten te benutten. Herontwikkeling van onze huidige locatie is nu primair onderdeel van de te onderzoeken verplaatsingskosten. Uitstel van stedenbouwkundig advies voor onbepaalde tijd, frustreert nu onze voorbereiding. Dit brengt op termijn het voortbestaan van onze bedrijfsvoering in gevaar.”

2.6. De Gemeente heeft bij brief van 9 mei laten weten niet te zullen terugkomen van haar standpunt dat op grond van het gelijkheidsbeginsel één integrale stedenbouwkundige verkenning dient plaats te vinden. Zij heeft verder bestreden dat de opdracht aan de stedenbouwkundige voor onbepaalde tijd is uitgesteld.

2.7. Twilly heeft in haar antwoord van 20 mei 2005 gevraagd of de Gemeente de vaart in de planvorming zou willen houden en met haar contact zou willen opnemen over de herinrichting rond het perceel.

2.8. In haar volgende brief heeft Twilly er zich over beklaagd dat de Gemeente zich niet aan haar planning, zoals geschetst in de brief van 2 maart 2005 heeft gehouden. Hoewel het onderzoek van Kardol in mei 2005 is afgerond, is er nog geen duidelijkheid over de verdere stappen. Twilly heeft verder haar onvrede geuit over het feit dat zij uit de krant heeft moeten vernemen dat er twaalf winkeliers geïnteresseerd waren in verplaatsing van hun winkels naar een winkelconcentratiegebied. Zij heeft de indruk gekregen dat de niet bij de winkeliersvereniging aangesloten winkeliers worden uitgesloten van overleg met de Gemeente en zij voelt zich daardoor ongelijk behandeld. In de brief komt de volgende passage voor:

“Los van de vorderingen van winkelconcentratie Ochten is onze oorspronkelijke focus nog steeds gericht op de concrete herontwikkeling van onze huidige locatie Liniestraat 5/5a.”

2.9. [betrokkene1] en [betrokkene2] hebben op 2 september 2005 overleg gehad met de toenmalige burgemeester [betrokkene6] en met de heer [betrokkene7]. Tijdens dat overleg heeft de burgemeester de verwachting uitgesproken dat in januari 2006 in de raad een beslissing zal worden genomen over een go of no go van het winkelconcentratieplan.

2.10. [betrokkene2] en architect [betrokkene8] hebben op 5 december 2005 overleg gehad met wethouder [betrokkene9] en [betrokkene4] over een appartementencomplex op het perceel. De Gemeente heeft naar aanleiding van dit overleg in haar brief aan [betrokkene8] van 21 december 2005 haar eerder meegedeeld standpunt herhaald dat er op grond van het gelijkheidsbeginsel één stedenbouwkundige verkenning van de vrijkomende locaties zal plaatsvinden. Verder heeft zij onder meer het volgende geschreven:

“Bij de heer [betrokkene2] bestond begrip voor dit standpunt, maar tegelijkertijd werd van uw kant benadrukt, dat er op korte termijn duidelijkheid aan de potentiële doelgroep dient te worden verschaft, omdat er anders winkeliers door het tijdsverloop zullen afhaken. Tijdens het gesprek werd aangenomen, dat hieraan tegemoet gekomen zou kunnen worden, omdat er voor 13 december jl. een bijeenkomst was gepland om de ondernemers (onder wie de heer [betrokkene1]), die in principe bereid zijn tot deelname aan het project, over de stand van zaken te informeren, zodat er voor het kerstreces uitsluitsel zou kunnen worden gegeven.

Kort nadien bleek deze datum evenwel niet haalbaar, omdat een zorgvuldige voorbereiding van de bijeenkomst meer tijd vraagt dan in eerste instantie was voorzien, zodat de bijeenkomst is uitgesteld tot een nader te bepalen datum in de eerste helft van januari 2006. Het is de bedoeling aansluitend met de betreffende ondernemers een intentieovereenkomst aan te gaan inzake hun participatie aan het project winkelconcentratie en vervolgens aan de stedenbouwkundige opdracht te geven tot een integrale verkenning van de mogelijkheden tot herinrichting van de vrijkomende locaties. In afwachting van dat moment is het door u ingediende inbreidingsplan voor kennisgeving aangenomen.”

2.11. Twilly heeft hierop bij brief van 4 januari 2006 onder meer als volgt gereageerd:

“Twilly verzoekt Uw college het bedoelde inbreidingsplan alsnog in behandeling te nemen. Wij verzoeken U uitspraak te doen en inzicht te verschaffen in tijdsplanning en slagvaardige aanpak betreffende de stedenbouwkundige mogelijkheden en benodigde bestemmingswijziging ter voorbereiding van een bouwaanvraag en planrealisatie.

Ter informatie delen wij mede dat de voorgaande besprekingen betreffende winkelconcentratie van Sprinter Elektro ten onrechte met dit verzoek in verband worden gebracht. Twilly B.V. wenst niet te wachten op de voortgang van winkelconcentratie in Ochten. Daarbij verzoeken wij het onafhankelijk ingediende inbreidingsplan niet te associëren met de gelijkheidsbeginselen voor de georganiseerde winkeliers.

Sinds februari 2005 tracht ondertekende, als directeur van Twilly B.V., duidelijk antwoord te krijgen op de volgende vraag/ Wanneer kan het aangevraagde stedenbouwkundige advies concreet worden uitgevoerd m.b.t. herinrichting van bedoeld inbreidingsplan.”

2.12. Diezelfde dag heeft de Gemeente aan de twaalf geïnteresseerde winkeliers intentieovereenkomsten voorgelegd, waarmee deze tot uitdrukking zouden brengen dat zij met de Gemeente oprecht geïnteresseerd waren in verplaatsing van de winkels naar het winkelconcentratiegebied. Zeven ondernemers hebben de intentieverklaring getekend. Twilly heeft dat niet gedaan. In het voorstel aan de raad van 5 januari 2006 tot vaststelling van een Plan van Aanpak voor het winkelconcentratiegebied en tot instemming met de met de winkeliers gesloten intentieovereenkomsten voor de vergadering van 9 februari 2006 wordt over de aan dit plan gerelateerde voornemens tot realisatie van woningen het volgende opgemerkt:

“Ten aanzien van de gevolgen van de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwplanning in Ochten in relatie tot de winkelconcentratie zijn wij de volgende mening toegedaan. Mede gebaseerd op de dit jaar vast te stellen woonvisie voor onze gemeente dient voorrang te worden gegeven aan appartementenbouw in het winkelconcentratiegebied en de daarmee samenhangende vrijkomende herontwikkelingslocaties boven locaties elders in Ochten.

Naar verwachting zal na een jaar een beeld geschetst kunnen worden omtrent deze herontwikkelingslocaties. Tot die tijd zullen andere woningbouwprojecten (in het bijzonder appartementen) op inbreilocaties buiten behandeling blijven.”

2.13. De raad heeft het voorstel aanvaard in zijn vergadering van 9 februari 2006. De Gemeente heeft Twilly in haar brief van 17 februari 2006 bericht over de besluitvorming in de raad. Uit de brief wordt de volgende passage geciteerd:

“In uw geval is sprake van herinrichting van een vrijkomende locatie, hetgeen echter geen gevolg is van een verplaatsing van de winkel naar het concentratiegebied, maar van een beëindiging van de bedrijfsactiviteiten. De door u beoogde ontwikkeling valt derhalve niet onder de reikwijdte van het besluit van de raad om prioriteit te geven aan de herinrichting van locaties van winkeliers, die meedoen aan het project winkelconcentratie.”

2.14. [betrokkene1] en [betrokkene2] hebben op 4 juli 2006 overlegd met [betrokkene6] en [betrokkene9] over de herontwikkeling van het perceel.

2.15. De Gemeente heeft Twilly bij brief van 1 februari 2007 onder meer het volgende geschreven:

“Binnenkort zal de hiervoor genoemde termijn van een jaar zijn verstreken, maar aangezien de locatiekeuze voor de winkelconcentratie meer tijd vraagt dan in februari van het vorig jaar werd aangenomen en de besluitvorming hieromtrent door de raad pas zal plaatsvinden op 19 april a.s. met als consequentie, dat ook de herinvulling van de vrijkomende locaties dient te worden doorgeschoven zijn wij van mening, dat het niet aangaat de besluitvorming met betrekking tot uw verzoek langer aan te houden, zodat wij in het kader van een heroverweging hebben bezien welke mogelijkheden er zijn, afgestemd op de behoefte in de kern Ochten zoals die in het concept van de "Woonvisie 2006-2020 is beschreven en gerelateerd aan het concept van de "Dorpsvisie Ochten".

Toetsing aan het concept van de "Woonvisie 2006-2020"

In het concept wordt geconcludeerd, dat Ochten met de plannen "Triangel" en "Oranjehof" twee potentiële bouwlocaties heeft waarbinnen de geconstateerde behoefte tot 2020 vrijwel volledig is in te vullen. Dit en het feit, dat het centrumplan (winkelconcentratie) en het plan "De Linge" in de toekomst mogelijk tot ontwikkeling komen geeft binnen Ochten de ruimte om de behoefte in eigen kern op te vangen. Ook bestaat er binnen Ochten ruimte om een aantal reguliere eengezinswoningen in het goedkope segment te bouwen.

Gerelateerd aan de behoefte is er een voorlopig programma opgesteld, dat voor de locaties "Triangel" en "Oranjehof" voorziet in 31 respectievelijk 16 gestapelde woningen in de huursector en 34 respectievelijk 5 in de koopsector. In het laatste verkavelingsplan voor "Triangel" wordt uitgegaan van 43 appartementen (19 in de huursector met een oppervlak van 80 m2 en 24 in de koopsector met een oppervlak van 100 m2). Ten opzichte van het voorlopig programma betekent dit verschil een verschil van 21 appartementen. Er moet echter ook rekening worden gehouden met de realisering van circa 38 appartementen in het kader van de winkelconcentratie (exclusief de herinrichting van vrijkomende locaties) en daarmee overstijgt het aanbod royaal de behoefte. Vanuit een oogpunt van volkshuisvesting is er dan ook geen aanleiding om medewerking aan de realisering van uw bouwplan te verlenen.

Toetsing aan het concept van de "Dorpsvisie Ochten"

In de concept-dorpsvisie wordt de Liniestraat gekarakteriseerd als een lint, waarlangs een mix aan functies aanwezig is. (wonen, winkels, maatschappelijke voorzieningen en lichte bedrijvigheid). Verder wordt uitgesproken, dat het toestaan van nieuwe winkelvoorzieningen in het kader van de winkelconcentratie niet wenselijk is en hieraan wordt toegevoegd, dat voor de herinrichting van locaties van bestaande te verplaatsen winkels een passende oplossing moet worden gevonden. Als richtlijn voor de planvorming is aangegeven, dat de nieuwe bebouwing moet passen binnen de dorpse structuur. Langs de Liniestraat staan vrijwel uitsluitend vrijstaande panden en de realisering van een appartementencomplex (met drie bouwlagen) op het perceel Liniestraat5j5a past daar qua vormgeving en omvang in het geheel niet. Van belang is ook de aanwezigheid van het pand Liniestraat 3, dat de status van Rijksmonument heeft en door de realisering van het appartementengebouw een veel minder markante plaats in het straatbeeld zal krijgen. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt valt het verlenen van medewerking dan ook niet te motiveren.

Alternatief plan

Tijdens een oriënterend gesprek, dat wethouder [betrokkene3] (destijds portefeuillehouder ruimtelijke ordening) op 18 februari 2005 met u heeft gevoerd over de mogelijkheden tot herinrichting van het perceel Liniestraat5/5a zijn enkele opties aan de orde geweest, die varieerden van de bouw van twee vrijstaande woningen tot een appartementengebouw. Enkele jaren geleden zijn als onderdeel van het inbreidingsplan "Weijert" aan de overzijde van de Liniestraat drie vrijstaande woningen gebouwd en een analoge ontwikkeling zou ook voor uw perceel een passende nieuwe invulling zijn. Relevant is in dit verband, dat er in het nieuwbouwplan "Triangel" geen vergelijkbare woningen zijn geprojecteerd, zodat hier in principe voldoende belangstelling moet bestaan. Wel achten wij het gewenst, dat de woningen zo veel als mogelijk "levensloopbestendig" worden gebouwd.

Voor de goede orde merken wij tenslotte op, dat realisering van het door ons aangedragen alternatief evenals het door u ingediende schetsplan slechts mogelijk is, indien een gedeelte van de openbare groenstrook tussen de westelijke grens van uw perceel en de Beukenlaan door de gemeente aan u wordt verkocht. Hiertoe is tegen marktconforme prijs in principe de bereidheid aanwezig.”

3. Het geschil

3.1. Twilly vordert een verklaring voor recht dat de Gemeente tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld, vermeerderd met kosten.

3.2. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Twilly stelt dat de Gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en daarmee onrechtmatig tegenover haar. Uit de uitgebreide stellingen van Twilly worden de volgende punten opgesomd:

1. De Gemeente heeft zich niet gehouden aan haar eigen planning en heeft Twilly lang aan het lijntje gehouden, waarmee zij tegenover Twilly onzorgvuldig heeft gehandeld.

2. De Gemeente is inconsequent geweest door eerst Twilly’s bouwplan lovend te ontvangen maar vervolgens te oordelen dat dit plan wegens strijdigheid met het gemeentelijke planologische beleid niet voor uitvoering in aanmerking komt. Daarmee heeft de Gemeente het vertrouwensbeginsel geschonden.

3. De Gemeente heeft de uitvoering van het plan van Twilly afgehouden met een beroep op een nog uit te voeren integrale ruimtelijke verkenning. Zij heeft uiteindelijk deze integrale ruimtelijke verkenning niet uitgevoerd, maar niettemin het bouwplan van Twilly afgewezen. Daarmee heeft de Gemeente inconsequent gehandeld.

4. Andere soortgelijke plannen, met name het plan Waalfront, zijn echter wel goedgekeurd. Daarmee heeft de Gemeente het gelijkheidsbeginsel geschonden.

5. Twilly heeft Twilly daarover en over de beleidsdocumenten “Woonvisie 2006-2020” en “Dorpsvisie Ochten 2006” onjuiste en misleidende informatie verschaft.

6. Het winkelconcentratiegebied is er niet gekomen en ziet het er niet naar uit dat dit binnenkort zal veranderen. Ook om die reden is de houding van de Gemeente tegenover Twilly onzorgvuldig.

7. De argumentatie van de Gemeente dat er geen behoefte is aan appartementen op het perceel van Twilly wordt gelogenstraft door de grote behoefte aan starterswoningen in Ochten.

8. De Gemeente heeft Twilly in haar brief van 2 maart 2005 aangespoord een min of meer concreet plan voor de herinrichting te presenteren. Dat heeft Twilly gedaan en daardoor kosten gemaakt, en niettemin heeft de Gemeente het bouwplan afgekeurd. Daarmee heeft de Gemeente onzorgvuldig gehandeld.

9. Twilly voelt zich tegengewerkt, misleid en bedrogen door de Gemeente.

4.2. De Gemeente stelt dat Twilly niet-ontvankelijk is in haar vordering. De bezwaren van Twilly richten zich tegen voorbereidingshandelingen van een eventueel te nemen besluit. Twilly had een besluit moeten aanvragen, waarna zij de mogelijkheid had gehad daartegen bezwaar en eventueel beroep in te stellen. Dan zou de bestuursrechter de handelingen van de Gemeente, met name of het bouwplan al of niet paste binnen de beleidsdocumenten “Woonvisie 2006-2020”en “Dorpsvisie Ochten 2006”, hebben beoordeeld. Voor de burgerlijke rechter is voor dit type argumenten geen taak weggelegd.

4.3. De Gemeente beroept zich op de zogenaamde Kuijpers/Valkenswaard-jurispru¬dentie (HR 9 september 2005, NJ 2006, 93) die meebrengt dat inlichtingen die zozeer samenhangen met het beoogde besluit dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter dragen, hoezeer ook onjuist, in beginsel worden gedekt door de formele rechtskracht van dat besluit. In dit geval heeft Twilly geen besluit aangevraagd en heeft de Gemeente geen besluit genomen. Van formele rechtskracht van een besluit is dan ook geen sprake. In de kern genomen stelt Twilly dat de Gemeente in de fase tot het nemen van een besluit op verschillende manieren onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor zij uiteindelijk heeft moeten afzien van het aanvragen van een bouwvergunning en waardoor zij wel is blijven zitten met schade. Een dergelijke vordering is ontvankelijk bij de burgerlijke rechter. De discussie voor de burgerlijke rechter is dan wel beperkt tot, vooral, vergoeding van door Twilly gemaakte onkosten. De stelling dat de Gemeente eigenlijk een vergunning had behoren te verlenen, als Twilly een aanvraag zou hebben ingediend, kan in een geval als dit niet worden onderzocht. Om die vraag onderzocht te krijgen had Twilly daadwerkelijk een vergunningaanvraag moeten indienen.

4.4. De Gemeente ging er in haar brief 2 maart 2005 van uit dat Twilly geïnteresseerd was in verplaatsing van haar winkel naar het winkelconcentratiegebied. Voor een winkelier die verhuisde wilde de Gemeente faciliteiten scheppen voor de herinrichting van de te verlaten locatie, vooral om de verhuizing financierbaar te maken. Zulks gold ook voor Twilly. Dat komt in de brief vooral naar voren in de volgende zin: “Vanuit de filosofie om de winkelconcentratie te stimuleren verdient uw verzoek een positieve benadering en wethouder [betrokkene3] heeft zich dan ook in die zin uitgelaten.” Verder is in die brief het voorbehoud gemaakt dat het voorstel van Twilly nog door een stedenbouwkundige zou worden beoordeeld. Dat impliceert dat Twilly er niet op mocht vertrouwen dat haar voorstel tot bouw van een appartementencomplex van drie lagen zou worden gehonoreerd. Ondanks aandringen van Twilly wilde de Gemeente de situatie van de betrokken winkeliers in een integrale ruimtelijke verkenning in kaart brengen en de aanvraag van Twilly niet vooruitlopend daarop in behandeling nemen. Toen de Gemeente duidelijk werd dat Twilly haar winkel had gesloten en dus niet zou verplaatsen naar het winkelconcentratiegebied, heeft de Gemeente aangegeven dat voor Twilly het normale beoordelingskader voor inbreidingslocaties gold. Toetsend aan dat beoordelingskader is de Gemeente in haar brief van 1 februari 2007 tot de conclusie gekomen dat een appartementencomplex van drie lagen niet passend was, maar de bouw van twee woningen wel. Deze benadering van Twilly door de Gemeente is de gehele periode consistent geweest. Twilly heeft aan de berichtgeving van de Gemeente niet het vertrouwen mogen ontlenen dat haar bouwplannen ook los van de ontwikkeling van het winkelconcentratiegebied op steun van de Gemeente zouden kunnen rekenen. Het is niet onrechtmatig van de Gemeente dat zij een beleid voerde dat winkeliers stimuleerde mee te doen met het winkelconcentratieplan en hen zou faciliteren in de herinrichting van de te verlaten locatie en dat zij dus in planologisch opzicht ruimhartiger was voor laatstgenoemden dan voor anderen die plannen voor een inbreidingslocatie hadden. Het is de vrijheid van gemeente een dergelijk beleid te voeren. Omdat Twilly niet meer wilde meedoen met verplaatsing naar het winkelconcentratiegebied, behoefde de Gemeente het bouwplan ook niet meer te toetsen aan de integrale ruimtelijke verkenning die voor de herinrichtingslocaties zou worden uitgevoerd. Ook in zoverre kan de Gemeente geen inconsistentie of onzorgvuldigheid worden verweten. De hierop ziende klachten van Twilly worden daarom afgewezen.

4.5. Ook het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel wordt afgewezen. De Gemeente heeft onvoldoende weersproken gesteld dat zij al had ingestemd met de ontwikkeling van de plannen Waalfront, Triangel en Oranjehof, vóórdat Twilly verzocht om medewerking aan de bouw van een appartementencomplex op het perceel. Bovendien heeft de Gemeente in haar brief van 1 februari 2007 uiteengezet dat er ook stedenbouwkundige bezwaren waren tegen de bouw van een appartementencomplex, te weten dat zo’n gebouw qua vormgeving en omvang in het geheel niet past in de lintbebouwing van de Liniestraat. Het feit dat er behoefte is aan starterswoningen in Ochten impliceert niet dat de Gemeente akkoord moet gaan met ieder plan tot bouw van starterswoningen. Daarom heeft de Gemeente evenmin in strijd gehandeld met haar beleidsdocumenten “Woonvisie 2006-2020” en “Dorpsvisie Ochten 2006”.

4.6. Het bezwaar dat de Gemeente zich niet aan haar eigen planning heeft gehouden en tijd heeft genomen om haar mening over het voorstel van Twilly kenbaar te maken, terwijl het winkelconcentratiegebied thans nog niet is gerealiseerd, impliceert niet dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Twilly. Kennelijk verloopt de uitvoering van het project winkelconcentratiegebied langzamer dan gehoopt. Dat is een kenmerk van veel projecten. Het enkele tijdsverloop leidt echter niet tot aansprakelijkheid van de Gemeente tegenover Twilly. Tijdens de comparitie is gebleken dat de Gemeente het plan niet heeft verlaten en realisering nog steeds nastreeft.

4.7. Evenmin heeft de Gemeente onrechtmatig gehandeld door Twilly aan te bevelen om aan de stedenbouwkundige een min of meer concreet plan voor herinrichting te presenteren. Als degene die een locatie wil ontwikkelen een architect een plan laat tekenen om daarmee een gemeente enthousiast te maken voor het plan, gebeurt dat voor eigen rekening, ook als een gemeente aangeeft dat dit een effectieve manier om haar voor het plan te interesseren. Het zou onwenselijk zijn als gemeenten in die situaties de kosten van het maken van dergelijke plannen zouden moeten dragen.

4.8. Het voorgaande brengt mee dat de Gemeente Twilly niet heeft misleid of bedrogen. De vordering van Twilly zal worden afgewezen.

4.9. Twilly zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Twilly in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 1.166,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010.