Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL4370

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
05/508116-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte, een arrestantenverzorger, vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen met een arrestante gedurende twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/508116-08

Data zittingen : 12 februari 2009 en 4 februari 2010

Datum uitspraak : 18 februari 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. G.J. Gerrits, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van de maand januari 2006 tot en met de maand december 2007 te Arnhem, (telkens) terwijl hij toen werkzaam was in dienst van de politie Gelderland-Midden als arrestantenverzorger, in elk geval als ambtenaar, ontucht heeft gepleegd met [sl[slachtoffer], die als politiegedetineerde, in elk geval als ingeslotene op het politiebureau, aan verdachtes waakzaamheid was toevertrouwd

en/of verdachtes gezag was onderworpen, immers heeft hij toen aldaar (telkens) die [slachtoffer]

- bij/aan haar geslachtsdeel, in elk geval haar schaamstreek, en/of haar borst(en) betast en/of

- zijn, verdachtes, geslachtsdeel laten vasthouden.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 februari 2009 en 4 februari 2010 ter terechtzitting onderzocht. Op 4 februari 2010 is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. G.J. Gerrits, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

[slachtoffer].

De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 3.000,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Verdachte, een arrestantenverzorger die werkzaam was in het politiebureau aan de Beekstraat te Arnhem, wordt er van verdacht in de jaren 2006 en 2007 meerdere keren ontucht te hebben gepleegd met één vrouwelijke arrestant. Verdachte ontkent zeer stellig.

De arrestante heeft ten overstaan van verbalisanten verklaard dat twee “collega arrestantenverzorgers” ontuchtige handelingen met haar hebben gepleegd. Hierbij noemde zij direct de voor- en achternaam van verdachte. Verdachte zou aan haar “poes” en “tieten” hebben gezeten en zij zou aan zijn “lul” hebben moeten zitten. Het plegen van ontucht door de arrestantenverzorgers zou in 2000 zijn begonnen en daarna zou zij iedere keer als zij werd ingesloten, zijn misbruikt. Alleen tijdens de laatste keer dat zij werd ingesloten, zou zij niet zijn betast, omdat zij toen werd ingesloten in de observatiecel.

De verklaring die de arrestante heeft afgelegd bij de rechter-commissaris komt grotendeels overeen met haar politieverklaring. In aanvulling op haar politieverklaring verklaarde zij dat zij door verdachte is gedwongen om hem te pijpen. Desgevraagd verklaarde zij bij de rechter-commissaris dat zij “niet weet of er in de claustrofobiecel is ontucht is gepleegd”.

De arrestante heeft in 2004 tegen een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van Iriszorg verklaard dat op het politiebureau agenten werkten die, in ruil voor seksuele handelingen, bereid waren om dingen door de vingers te zien. Hierbij heeft de arrestante de voornaam “[naam]” genoemd.

Een consulente van stichting MEE heeft verklaard dat zij arrestante heeft begeleid en dat zij op 22 september 2006 in een rapport heeft vastgelegd dat arrestante het weekend heeft vastgezeten en is misbruikt door agenten. Aangeefster heeft soortgelijke mededelingen gedaan aan een medewerkster van Woonzorgnet Renkum. Uit de verklaring van de medewerkster van Woonzorgnet is echter niet af te leiden wanneer een en ander zou hebben plaatsgevonden.

De verklaring van de arrestante lijkt te worden bevestigd door de verklaring van een medeverdachte. Hij was ook als arrestantenverzorger werkzaam in het politiebureau aan de Beekstraat te Arnhem. Hij heeft het plegen van ontucht met de betreffende arrestante en twee andere vrouwen bekend.

De medeverdachte heeft verklaard dat hij één keer heeft gezien dat verdachte de borsten van de arrestante betastte. Hij beschreef hierbij dat verdachte voor het hek stond en dat de arrestante met haar bovenkleding omhoog en blote borsten, achter het hek stond. Verdachte stak zijn handen door de tralies zat toen aan haar borsten. De medeverdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij toen zag dat verdachte met zijn handen onder haar truitje zat. Tijdens hetzelfde verhoor verklaarde hij later dat hij zag dat verdachte met zijn handen onder haar T-shirt zat.

De medeverdachte verklaarde verder dat hij daarna verschillende keren met verdachte heeft gesproken over het betasten van de arrestante. De medeverdachte zou tegen verdachte hebben gezegd: “Gisteren was de ‘arrestante’ er ook en toen heb ik er nog wel even aangezeten”. Waarop verdachte zou hebben gezegd: “Knoppen heeft-ie, hè.” Verder zou de medeverdachte, als zij geen gezamenlijke dienst hadden gehad, naderhand van verdachte hebben begrepen dat er weer wat gebeurd was tussen hem en de arrestante.

De medeverdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij eerst zag dat verdachte de arrestante betastte door de tralies van de claustrofobiecel en dat zij er pas daarna er met elkaar over praatten.

De medeverdachte koppelde zijn waarneming van het bestasten van de arrestante door verdachte nadrukkelijk aan haar insluiting in de claustrofobiecel. In de tenlastegelegde periode is de arrestante zes keer ingesloten in het politiebureau aan de Beekstraat te Arnhem. De één na laatste keer, van 24 augustus 2006 15.36 uur tot 25 augustus 2006 12.37 uur, was zij ingesloten in de claustrofobiecel. De laatste keer, 18 juni 2007 van 11.33 uur tot 16.48 uur, werd de arrestante volgens eigen zeggen ingesloten in een observatiecel en is zij niet misbruikt.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, kan op basis van de dienstroosters van verdachte en de medeverdachte en het gebruik van hun toegangspassen niet worden uitgesloten, dat de medeverdachte het misbruik kan hebben gezien tijdens de insluiting van de arrestante in de claustrofobiecel. Doordat medewerkers met elkaar kunnen meelopen, is het immers niet zeker dat iemand waarvan de toegangspas niet is geregistreerd, niet in de cellengang aanwezig is. Ook is het niet zeker dat iemand waarvan de toegangspas is geregistreerd, ook daadwerkelijk in de cellengang aanwezig is. Met de verdediging wil de rechtbank echter aannemen dat het op het tijdstip waarop het misbruik zou moeten zijn gebeurd, ’s morgens tussen 7 en 8 uur, erg druk is in de cellengang waardoor het plegen van ontuchtige handelingen minder aannemelijk is.

De verschillen in de verklaring van de medeverdachte bij de politie en de rechter-commissaris zijn niet zo groot dat daarom geen waarde gehecht kan worden aan deze verklaringen.

De medeverdachte verklaarde echter dat hij na het misbruik dat verdachte van de arrestante zou hebben gemaakt tijdens haar insluiting in de claustrofobiecel, nog verschillende keren met verdachte heeft gesproken over het misbruik van de arrestante. Dit zou naar aanleiding van nieuwe insluitingen van de arrestante zijn gebeurd. Uit de insluitgegevens van de arrestante blijkt echter dat zij in de tenlastegelegde periode na haar insluiting in de claustrofobiecel nog slecht één keer is ingesloten. Zij verklaarde dat er toen geen misbruik van haar is gemaakt. Daarom sluit de tijdlijn die de medeverdachte schetst, niet aan bij de overige gegevens in het dossier.

Het voorgaande, in onderling verband beschouwd, maakt dat de rechtbank zo veel twijfels heeft over de verklaring die de medeverdachte over verdachte heeft afgelegd, dat deze verklaring niet als steunbewijs kan dienen voor de verklaring van de arrestante.

Van slechts één van de verklaringen die voormelde hulpverleners hebben afgelegd, staat vast dat deze betrekking heeft op de tenlastegelegde periode. Voorts herhaalden de hulpverleners slechts wat de arrestante aan hen heeft verteld. Daarbij komt dat de arrestante in 2006 de laatste keer op donderdag 24 en vrijdag 25 augustus was ingesloten. Dit was dus niet gedurende het weekend en één maand vóór de vermelding in de rapportage van de stichting MEE.

Uit het voorgaande volgt dat voor de verklaring van de arrestante onvoldoende overtuigend steunbewijs aanwezig is. Daarom behoort verdachte te worden vrijgesproken.

3a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. Zij vordert een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu aan de verdachte ten aanzien van het hieraan ten grondslag liggende feit geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a Sr geen toepassing heeft gevonden.

4. De beslissing

Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mrs. J.J.H. van Laethem, E.J.M. van Engelen en G.M.L. Tomassen, in tegenwoordigheid van mr. S.P.H. Brinkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 februari 2010.