Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL3200

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
05/800869-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een militair tot een voorwaardelijke militaire detentie voor de duur van één maand en het verrichten van een werkstraf gedurende honderdvijftig uren wegens openlijke geweldpleging en zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800869-08

Datum zitting : 25 januari 2010

Datum uitspraak : 8 februari 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

raadsvrouw : mr. G. van der Meij, advocaat te Katwijk.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na twee door de militaire kamer toegewezen vorderingen wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2008 te Leiden met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, de Steenstraat en/of de Sint Aagtenstraat, in elk geval op

of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer], welk geweld bestond uit het duwen en/of slaan en/of stompen

en/of trappen en/of schoppen van die [slachtoffer];

2.

hij op of omstreeks 20 januari 2008 te Leiden aan de Beestenmarkt en/of de Nieuwe Beestenmarkt aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(een gebroken bot onder het rechteroog), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (zeer) krachtig in het gezicht/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 20 januari 2008 te Leiden aan de Beestenmarkt en/of de Nieuwe Beestenmarkt opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (zeer) krachtig in het gezicht/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken botonder het rechteroog), althans enig lichamelijk

letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 04 december 2008 en 09 april 2009 ter terechtzitting van de militaire politierechter in bovengenoemde rechtbank onderzocht. Op 09 april 2009 is deze zaak verwezen naar de militaire kamer. Op 25 januari 2010 is de zaak ter terechtzitting van de militaire kamer onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. G. van der Meij, advocaat te Katwijk.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer].

Namens hem is ter terechtzitting van 09 april 2009 verschenen G. Maasbroek, medewerker Slachtofferhulp Nederland.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een militaire detentie voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 150 uren werkstraf, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.786,35 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Feit 1

Op 20 januari 2008 werd tegen [slachtoffer] op de openbare weg, de Steenstraat en/of de Sint Aagtenstraat te Leiden, door meerdere personen geweld gepleegd, waardoor hij letsel heeft opgelopen.

Feit 2

Op 20 januari 2008 te Leiden werd [slachtoffer] zeer krachtig in het gezicht gestompt . Hierdoor heeft [slachtoffer] een gebroken bot onder het rechteroog opgelopen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en zware mishandeling. De officier van justitie verwijst ter onderbouwing naar de aangifte en de medische verklaring van het door aangever [slachtoffer] opgelopen letsel. Hij heeft verder aangevoerd dat verschillende getuigen, onder wie [getuige1], [getuige2] en [getuige3], verklaren dat verdachte betrokken was bij het openlijk geweld en degene is die de laatste klap heeft gegeven, waardoor de aangever knock-out is gegaan.

Getuigen [getuige2] en [getuige3] hebben bij de politie specifiek over het eerste feit, de openlijke geweldpleging verklaard. De officier van justitie acht die verklaringen geloofwaardig. Hij merkt op dat de verklaringen die deze getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris hebben afgelegd tegenstrijdig zijn met de eerdere door hen bij de politie afgelegde verklaringen. De eerste verklaringen zijn bij de politie zeer kort na het incident afgelegd en daardoor betrouwbaarder dan de verklaringen die later zijn afgelegd. Getuige [getuige2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bij de politie op aandringen van anderen een valse verklaring heeft afgelegd. Deze verklaring is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig, gelet op het korte tijdsbestek tussen het incident en de eerste verklaring van voornoemde getuige. Daarbij komt dat deze getuige bij de politie nog een tweede verklaring heeft afgelegd waarin hij de rol van [medeverdachte] afzwakt en voor het overige bij zijn eerste verklaring blijft. Bij de rechter-commissaris verklaart hij in eerste instantie dat hij bij de politie de waarheid heeft verklaard, pas later in zijn verklaring stelt hij dat hij onder druk een valse verklaring heeft afgelegd. Ook getuige [getuige3] zwakt bij de rechter-commissaris zijn verklaring af. Ten aanzien van het gedeelte van zijn verklaring bij de politie waarin hij stelt dat “Ibo” in het leger zit en zal weten hoe hij moet slaan, verklaart hij bij de rechter-commissaris dat hij zich wel kan herinneren dat hij zoiets heeft gezegd. De officier van justitie acht eveneens de bij de politie afgelegde verklaring van getuige [getuige3] betrouwbaarder dan de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring.

Als bewijs van het eerste feit dienen ook de verklaringen van medeverdachten die hebben bekend bij het openlijk geweld betrokken te zijn geweest.

De verklaring van [getuige1] heeft betrekking op het eerste én het tweede feit en is zeer gedetailleerd. Zij heeft haar verklaring ten overstaan van de rechter-commssaris gehandhaafd. Ook de verklaringen van [getuige4] en [getuige5] kunnen dienen als bewijs ten aanzien van beide feiten. Getuige [getuige4] heeft verklaard dat hij bij [getuige5] in de auto zat op het moment dat [getuige5] werd gebeld door iemand die vroeg of [getuige4] in de buurt was. Getuige [getuige4] hoorde dat verdachte aan de andere kant van de lijn was en tegen hem zei: “ik zal jou eens wat vertellen, ik heb jouw broertje geslagen”. Tevens is [getuige5] telefonisch gehoord. [getuige5] verklaarde in dit verhoor dat hij hoorde dat “Ibo” hem belde en dat hij “Ibo” kent en zijn stem herkende. “Ibo” vroeg in dit gesprek naar [getuige4] waarop [getuige5] de telefoon aan [getuige4] heeft gegeven.

Getuige [getuige6] verklaart ten slotte specifiek over het tweede feit. Hij heeft verklaard dat verdachte degene is die de klap aan aangever heeft uitgedeeld, waardoor aangever op de grond viel. Hij heeft verdachte voor 100% herkend in een spiegelconfrontatie. Een dergelijke confrontatie kan tot bewijs worden gebezigd, met name als deze wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent bij beide feiten betrokken te zijn geweest. Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Zij bepleit daarom primair vrijspraak.ten aanzien van beide feiten. Zij heeft onder meer het navolgende aangevoerd.

Signalement

Het signalement van verdachte komt niet overeen met de beschrijving die aangever geeft, te weten een jongen van ongeveer 1.85 meter, nu verdachte slechts 1.75 meter lang is. Aangever verklaart weliswaar in zijn tweede verklaring dat “Ibo” erbij betrokken is geweest, maar deze verklaring is veel later afgelegd en kennelijk mede door [getuige1] ingefluisterd.

Tweede verklaring bij de politie en de verklaring bij de rechter-commissaris van getuige

[getuige1]

Volgens de raadsvrouw is de tweede verklaring van getuige [getuige1], waarin zij verklaart dat zij “Ibo” herkent op een foto en dat zij honderd procent zeker weet dat “Ibo” de laatste genadeklap gegeven heeft waardoor aangever op de grond viel en zijn bewustzijn verloor, niet geloofwaardig in het licht van haar eerste verklaring, waarin zij stelt dat ze niet precies kan vertellen hoe de jongen eruit zag. Hetzelfde geldt voor de door [getuige1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring.

Verklaring van getuige [getuige2]

Ten aanzien van getuige [getuige2] voert de raadsvrouw aan dat niet duidelijk is dat hij met “Ibo” verdachte bedoelt, daar deze getuige niet met verdachte is geconfronteerd. Bovendien verklaart deze getuige dat de jongens die aangever aanvielen allemaal donker getint waren, maar kan hij zich verder geen kleding of signalement herinneren. Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige2] dat zijn eerste bij de politie afgelegde verklaring een valse verklaring was. Hij zegt hierover: “Ik ging toen veel met vrienden van het slachtoffer om en zij vroegen mij dit te verklaren”.

Herkenning verdachte door getuige [getuige6]

De verklaring van getuige [getuige6] en diens herkenning van verdachte via de confrontatiespiegel is volgens de raadsvrouw niet betrouwbaar, omdat hij verklaart over een getinte man van ongeveer 1.80 meter. Overigens is er hier geen gebruik gemaakt van de zogenaamde Oslo-confrontatiemethode, hetgeen mogelijk een meer betrouwbare uitkomst had opgeleverd. De verklaring van [getuige6] is volgens de raadsvrouw bovendien niet overtuigend, omdat hij verklaart de dader niet goed te kunnen beschrijven maar desondanks wel te kunnen herkennen. Daarbij komt dat hij in zijn verklaring bij de politie stelt dat de dader een sikje had, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij de avond van het incident geen sikje heeft gehad. Verder verklaart hij dat verdachte zwart kort haar zou hebben, maar verdachte had die avond nog lang haar tot in zijn nek.

Telefoongesprek met getuige [getuige4]

Verdachte ontkent zowel contact te hebben gehad met [getuige4] (de broer van het slachtoffer) als daarbij te hebben gezegd dat hij aangever zou hebben geslagen. De printgegevens van dit vermeende telefoongesprek zijn niet meer te achterhalen.

Verklaring getuige [getuige7]

Volgens de raadsvrouw kan ook de verklaring van getuige [getuige7] geen bijdrage leveren aan het bewijs. Zij voert hiertoe aan dat deze getuige heeft verklaard over een jongen van Marokkaanse afkomst met kort zwart haar, terwijl verdachte die avond lang haar had in een matje tot in zijn nek. Bij de rechter-commissaris verklaart deze getuige geen beschrijving te kunnen geven van de jongen die de laatste klap gaf. Zij heeft alleen van horen zeggen dat deze marinier was, maar tegelijkertijd verklaart zij toen wel meer namen te hebben gehoord die ze nu vergeten is.

Verklaring van getuige [getuige8]

Getuige [getuige8] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij nu weet wie verdachte is en nu weet hoe hij er uit ziet. De avond waarop aangever werd geslagen kende hij hem niet en hij verklaart niet te weten of verdachte een aandeel had in de vechtpartij.

Verklaring van getuige [getuige3]

Getuige [getuige3] verklaart bij de rechter-commissaris dat verdachte er wel bij was die avond, maar dat hij verdachte niets heeft zien doen.

Beoordeling de van standpunten

Op 20 januari 2008 is tegen aangever [slachtoffer] in Leiden openlijk geweld gebruikt door een aantal mensen. De vraag die, met het oog op de vraag of het eerste ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard, voorligt is of verdachte een wezenlijke en significante bijdrage aan het openlijke geweld heeft geleverd. Voor beantwoording van de vraag of het tweede ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard, moet worden vastgesteld of verdachte degene is geweest die aangever een gebroken bot onder het rechteroog heeft bezorgd, door hem zeer krachtig in het gezicht te stompen.

De militaire kamer zal, gelet op de samenhang tussen de beide ten laste gelegde feiten, deze feiten hierna gezamenlijk bespreken. Meerdere mensen hebben verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij een vechtpartij op de Steenweg en/of de Sint Aagtenstraat en dat hij degene is geweest die aan de aangever de ‘genadeklap’ heeft uitgedeeld.

Getuige [getuige1] (hierna: [getuige1])

In de eerste plaats heeft [getuige1] verklaard dat zij heeft gezien dat een groep op haar broer, aangever, aan het inslaan- en schoppen was. Tevens heeft zij verklaard dat zij verdachte heeft herkend als de persoon die haar broer de laatste klap gaf waardoor hij het bewustzijn verloor. In tegenstelling tot de raadsvrouw is de militaire kamer van oordeel dat niet alleen de eerste, maar ook de latere verklaringen van [getuige1] geloofwaardig te achten zijn. Het is juist dat zij in haar eerste verklaring stelt dat zij niet precies kan vertellen hoe de jongen eruit zag. Echter, zij geeft wel een signalement van de dader. Daarbij is zij ervan overtuigd dat de persoon die zij op de foto herkent als “Ibo” ook de persoon is die de laatste genadeklap heeft gegeven .

Getuige [getuige2]

Ook [getuige2] heeft een aantal verklaringen afgelegd. In zijn eerste verklaring, die hij op 20 januari 2008 om 5.20 uur heeft afgelegd bij de politie, heeft hij verklaard dat een aantal jongens, 5 of 6, begonnen te vechten met aangever en dat hij verdachte (“Ibo”) herkent als de persoon die tweemaal opzettelijk en met kracht met zijn rechtervuist een vuistslag in het gezicht van aangever gaf. De militaire kamer acht deze eerste verklaring van getuige [getuige2] het meest betrouwbaar. De openlijke geweldpleging en de zware mishandeling hebben op 20 januari 2008 tussen 04.30 uur en 05.00 uur plaatsgehad. Deze eerste verklaring is aldus zeer kort na het incident afgelegd. De militaire kamer acht de latere verklaring van deze getuige, waarin hij verklaart dat hij op verzoek van vrienden van aangever een valse verklaring heeft afgelegd, ongeloofwaardig. Dit aangezien er tussen het tijdstip waarop het feit zou zijn gepleegd en het tijdstip waarop de getuige werd gehoord weinig tot geen gelegenheid is geweest om verklaringen op elkaar af te stemmen. Daarbij komt dat voornoemde getuige bij de rechter-commissaris verklaart dat hij aanvankelijk een valse verklaring heeft afgelegd en dat hij die later bij de politie wilde herstellen. Echter, in die latere verklaring - waarin hij terugkomt op zijn eerste verklaring - heeft hij wel de rol van medeverdachte [medeverdachte] afgezwakt maar verklaart hij verder - en dus ook ten aanzien van de rol van verdachte - bij zijn eerder afgelegde verklaring te blijven. Hij kan niet zeggen waarom hij zijn verklaring over verdachte niet heeft hersteld in zijn tweede verklaring. Gelet op het vorenstaande acht de militaire kamer de eerste verklaring, afgelegd op 20 januari 2008 om 05.20 uur het meest geloofwaardig en zij zal deze verklaring tot het bewijs bezigen.

Getuige [getuige6]

[getuige6] heeft ook bij de politie verklaard dat een groep, van ongeveer acht man, [slachtoffer] (aangever) heeft geduwd en geslagen. Later, op de Nieuwe Beestenmarkt, heeft hij gezien dat een getinte man die ook al bezig was met slaan, aangever met opzet een harde klap met gebalde vuist gaf waardoor aangever zijn bewustzijn verloor. Hij heeft deze man op 22 januari 2008 herkend als verdachte, door middel van confrontatie met een zogenaamde confrontatiespiegel. De militaire kamer zal deze verklaring, in samenhang met de uitkomst van de confrontatie, bezigen tot bewijs. Zij stelt voorop dat de meest betrouwbare methode van confrontatie een Osloconfrontatie is. Dat neemt echter niet weg dat naar vaste jurisprudentie de resultaten van rechtmatige, enkelvoudige confrontaties onbeperkt voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daartoe maakt het in beginsel geen verschil of dat bewijs doorslaggevend is voor de bewezenverklaring of slechts dient ter aanvulling van het overige bewijsmateriaal.

Door de verdediging is aangevoerd dat het door getuige [getuige6] gegeven signalement van verdachte niet helemaal juist is, de haarlengte zou niet kloppen en verdachte zou een sikje hebben. Hierover merkt de militaire kamer op dat het gaat om een subjectieve beoordeling.

Daarbij komt dat [getuige6] bij de rechter-commissaris heeft verklaard: “Ik vind het moeilijk om beschrijvingen te geven maar als ik iemand een keer in het gezicht heb gezien kan ik hem gemakkelijk herkennen” . De militaire kamer is derhalve van oordeel dat de verklaring naar aanleiding van de spiegelconfrontatie een rechtmatig verkregen en betrouwbaar bewijsmiddel is.

Getuige [getuige4] (hierna: [getuige4])

[getuige4] verklaart dat hij bij getuige [getuige5] (hierna: [getuige5]) in de auto zat toen deze werd gebeld op zijn gsm. Er was iemand aan de telefoon die aan [getuige5] vroeg of [getuige4] in de buurt was. Daarop gaf [getuige5] zijn gsm aan [getuige4]. Dit wordt bevestigd door [getuige5]. [getuige4] hoorde dat “Ibo” ([verdachte] aan de telefoon was en tegen hem zei: “Ik zal jou eens wat vertellen, ik heb jouw broertje geslagen” of woorden van gelijke strekking. [getuige5] verklaart eveneens dat “Ibo” degene was die belde. Hij kent “Ibo” namelijk en herkende zijn stem. De militaire kamer acht op grond van het vorenoverwogene de verklaring van verdachte dat het telefoongesprek niet heeft plaatsgevonden ongeloofwaardig.

Verklaring getuige [getuige7]

Het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van deze getuige behoeft geen nadere bespreking, nu de militaire kamer deze verklaring niet tot het bewijs zal bezigen.

Verklaring van getuige [getuige8]

De militaire kamer zal deze verklaring evenmin tot het bewijs bezigen, zodat het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van deze getuige geen nadere bespreking behoeft.

Getuige [getuige3]

Deze getuige heeft bij de politie op 23 januari 2008 om 16.43 uur onder meer verklaard: “Weer een andere jongen die erbij was heet [verdachte]. Ze noemen hem ook wel Ibo. Ik weet dat Ibo militair is bij de landmacht. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] tweemaal geslagen heeft tijdens de eerste vechtpartij. Ik kan mij door de drukte niet meer herinneren waar hij [slachtoffer] geraakt heeft. Die [verdachte] zit in het leger dus die weet wel hoe hij moet slaan.” Op 16 september 2009 verklaart hij bij de rechter-commissaris dat hij “Ibo” die avond niet heeft zien slaan. Als hem de hiervoor geciteerde passage wordt voorgehouden zegt hij: “Volgens mij klopt dit niet. Ik heb hem volgens mij niet zien slaan” en “U houdt mij nogmaals pagina 151 voor waar ik verklaard heb, dat Ibo in het leger zit en zal weten hoe hij moet slaan. Ik vertel nu de waarheid. Ik kan me wel herinneren dat ik zoiets gezegd heb.” De militaire kamer acht de eerste verklaring die [getuige3] bij de politie heeft afgelegd het meest betrouwbaar. De militaire kamer overweegt hiertoe dat die verklaring niet lang na het incident is afgelegd. Daar komt bij dat de getuige in die verklaring consistent verklaart, in tegenstelling tot de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring.

Verklaring verdachte

De militaire kamer acht de verklaringen van verdachte dat hij alleen was en dat hij niet bij de incidenten aanwezig was ongeloofwaardig. Verdachte heeft verklaard dat hij die avond alleen was en niet in het bijzijn van [betrokkene1] . Getuige [getuige9] heeft verklaard dat zij omstreeks 02.45 uur [betrokkene1] zag staan met zijn vrienden: [betrokkene2], [betrokkene3] “Ibo”, [medeverdachte] en [betrokkene4]. Getuige [getuige3] verklaart over een groepje uit de (naam wijk). Hij noemt de namen van [medeverdachte], [betrokkene1], [betrokkene2] en “Ibo”.

Deze verklaringen worden onder meer ondersteund door [getuige1]. Zij heeft verklaard dat aangever werd geslagen en geschopt door een groep personen en dat hij later weer door één van die jongens geslagen werd. In haar tweede verklaring stelt ze dat ze “[betrokkene1]” herkende als één van de mishandelaars evenals “Ibo”. Ook getuige [getuige2] verklaart dat 5 of 6 jongens begonnen te vechten. Van deze jongens herkende hij [medeverdachte] en “Ibo”.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij rond 02.00 uur door een politieagent werd aangesproken, waarna hij direct naar huis is gegaan. Dit is in strijd met de verklaring van getuige [getuige9] waarin zij stelt dat zij omstreeks 06.00 uur bij de fietstunnels vlakbij het Diamantplein in Leiden [betrokkene1] samen met “Ibo” en [betrokkene4] tegenkwam. Toen verdachte hiermee werd geconfronteerd verklaarde hij in eerste instantie dat getuige [getuige9] een andere “Ibo” zal hebben bedoeld. Later verklaart hij dat hij geen namen kan noemen van anderen in de vriendengroep die op hem lijken en dat, wanneer wordt gesproken over [betrokkene1] in combinatie met “Ibo”, met “Ibo” verdachte zal worden bedoeld.

Letsel aangever

De militaire kamer is van oordeel dat het door aangever als gevolg van de klap opgelopen letsel, een gebroken bot onder het rechteroog, is te kwalificeren als ‘zwaar lichamelijk letsel’. In een door de forensisch geneeskundige van GGD Hollands Midden opgemaakte rapportage (zie onder vaststaande feiten) is vermeld dat het gelaat van aangever van vorm is veranderd en dat sprake is van functie verlies van de mond. [getuige1] heeft op 11 februari 2009 verklaard dat haar broer gedurende zes weken geen werk heeft mogen verrichten omdat de breuk dan terugkomt. Aansluitend mag hij gedurende drie maanden geen contact hebben met zijn gezicht.

Opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is vereist dat verdachte a) wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en b) verdachte die kans tijdens de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Door iemand met een gebalde vuist een genadeklap op het hoofd, zijnde het meest kwetsbare deel van het lichaam, te geven met een zodanige kracht dat daardoor letsel ontstaat als in deze zaak opgetreden bestaat op grond van algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat daardoor zwaar lichamelijk letsel ontstaat. Nu de gedraging van verdachte kan worden aangemerkt als zozeer gericht te zijn geweest op het mogelijke gevolg, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever, is de militaire kamer van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard, zodat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De militaire kamer is daarom van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

Feit 1

De militaire kamer acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen.

Feit 2

De militaire kamer is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat vast is komen staan dat verdachte aangever zeer krachtig in het gezicht heeft gestompt, waardoor deze zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Bewezenverklaring

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

de openbare weg, de Steenstraat en/of de Sint Aagtenstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het duwen en slaan en stompen

en trappen of schoppen van die [slachtoffer];

2.

hij op 20 januari 2008 te Leiden aan de Beestenmarkt en/of de Nieuwe Beestenmarkt aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken bot onder het rechteroog), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (zeer) krachtig in het gezicht te stompen.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Zware mishandeling.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 16 december 2009;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 09 april 2008, betreffende verdachte.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een militaire detentie voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van het feit en het letsel van het slachtoffer heeft opgelopen. Voorts heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat de zaak meermalen op zitting heeft gestaan, waardoor het inmiddels een oud feit betreft.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit een geringe taakstraf op te leggen.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten, te weten openlijke geweldpleging en een zware mishandeling. Het slachtoffer is door meerdere personen geduwd, geslagen, gestompt en geschopt. Zijn zus heeft hem uit de vechtpartij getrokken en ze zijn daarop weggegaan. Daarbij zijn ze achtervolgd door enkele van de personen die het geweld jegens aangever hebben gepleegd. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer de ‘genadeklap’ gegeven, waardoor aangever buiten bewustzijn is geraakt. Hij heeft hier onder meer een gebroken bot onder het rechteroog aan overgehouden. Dit zijn ernstige feiten die in de regel een aanzienlijke impact hebben op het slachtoffer en bovendien gevoelens van onveiligheid teweeg brengen in de samenleving. De algemene veiligheid van lijf en leden komt hiermee in het geding.

De militaire kamer rekent de verdachte in sterke mate aan dat hij geenszins blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. De militaire kamer acht derhalve voor de afdoening van de onderhavige zaak een voorwaardelijke militaire detentie en een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden. Alles overwegende is de militaire kamer van oordeel dat een straf zoals geëist door de officier van justitie recht doet aan zowel de ernst van de feiten als de persoon van verdachte. De militaire kamer heeft daarbij in aanmerking genomen dat het niet aan verdachte te wijten is dat de zaak pas twee jaar na de pleegdatum inhoudelijk is behandeld. De militaire kamer zal dan ook conform de eis van de officier van justitie oordelen.

De militaire kamer is van oordeel dat de grondslag voor de voorlopige hechtenis van verdachte thans niet meer aanwezig is. De voorlopige hechtenis zal daarom worden opgehe¬ven.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 2.026,05.

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.786,35 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu zij vrijspraak heeft bepleit.

De militaire kamer is van oordeel dat de door de benadeelde partij geleden vermogensschade, bestaande uit reiskosten naar het politiebureau, ziekenhuis en GGD, het treinkaartje in verband met het bezoek aan het paleis van justitie, de pijnstillers en de ziekenhuisopname rechtstreeks verband houdt met het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit en voldoende met stukken is onderbouwd. Voorts is de militaire kamer van oordeel dat een deel van het verlies aan arbeidsvermogen, te weten de buitenlandvergoeding, rechtstreeks verband houdt met het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit en voldoende met stukken is onderbouwd.

De militaire kamer zal derhalve de civiele vordering van [slachtoffer] tot een bedrag van

€ 348,73 aan materiële schade toewijzen. De militaire kamer zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake vergoeding van materiële schade, omdat dit deel van de vordering onvoldoende met stukken is onderbouwd en daarmee niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde kan zich zo nodig tot de burgerlijke rechter wenden om te trachten dit deel te verhalen.

Aan de benadeelde partij is door het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De militaire kamer is van oordeel dat de immateriële schade in ieder geval een bedrag van € 1.100 beloopt, zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer.

Het totale toegewezen bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente met ingang van

20 januari 2008.

Voor het toewijsbare deel van de vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 91, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

A. een militaire detentie voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat deze militaire detentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 150 ( honderdvijftig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 75 (vijfenzeventig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 2 (twee) uren, zijnde 1 (één) dag hechtenis.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

Ten aanzien van feit 2:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], wonende te [adres] te betalen € 1.448,73 (veertienhonderdachtenveertig euro en drieënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 20 januari 2008.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1.448,73, subsidiair 24 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [adres] te betalen

€ 1.448,73, (veertienhonderdachtenveertig euro en drieënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 20 januari 2008, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.G. Broek - de Stigter, als voorzitter,

mr. E. de Boer, rechter,

kapitein ter zee van administratie mr. H.T. Wagenaar, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 februari 2010.