Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL2827

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
186739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voegingsincident

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 186739 / HA ZA 09-1197

Vonnis in incident van 20 januari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in het incident,

advocaat mr. C.W. Reintjes te Duiven,

tegen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. E.C.N. Amory te Nijmegen,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MENS & WERK BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser in het incident], [eiseres in de hoofdzaak] en Mens & Werk Beheer genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 28 oktober 2009

- de incidentele conclusie tot voeging

- de conclusie van antwoord in het incident van [eiseres in de hoofdzaak]

- de conclusie van antwoord in het incident van Mens & Werk Beheer.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [eiser in het incident] vordert – samengevat – dat de rechtbank hem in de hoofdzaak tussen [eiseres in de hoofdzaak] en Mens & Werk Beheer zal toelaten als gevoegde partij.

2.2. Ten aanzien van deze incidentele vordering voert [eiseres in de hoofdzaak] verweer en refereert Mens & Werk Beheer zich aan het oordeel van de rechtbank. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het petitum niet blijkt aan de zijde van welke partij [eiser in het incident] zich wenst te voegen. Uit zijn stellingen volgt echter dat hij voeging aan de zijde van Mens & Werk Beheer beoogt. Aldus hebben, blijkens hun conclusies van antwoord, [eiseres in de hoofdzaak] en Mens & Werk Beheer de vordering ook begrepen en aldus zal ook de rechtbank de vordering verstaan.

2.4. Voor zover [eiser in het incident] meent dat deze vordering reeds toewijsbaar is op grond van de overwegingen van het vonnis van 28 oktober 2009, berust dat op een onjuiste lezing van dat vonnis.

2.5. Ingevolge artikel 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen.

2.6. [eiseres in de hoofdzaak] voert allereerst aan, kort gezegd, dat evident is dat de besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van Mens & Werk Beheer rechtsgeldigheid missen en dat die besluiten op die grond dienen te worden vernietigd. Die beoordeling zal echter in de hoofdzaak plaatsvinden en speelt in het kader van de beoordeling van de onderhavige incidentele vordering geen rol.

2.7. [eiseres in de hoofdzaak] voert voorts ten verwere aan dat [eiser in het incident] geen belang heeft bij voeging, aangezien hij door de vernietiging van de besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van Mens & Werk Beheer niet in zijn belangen zal worden geschaad. Wat daarvan ook zij, volgens artikel 217 Rv. is de voorwaarde voor voeging dat de partij die vordert zich te mogen voegen, een belang heeft bij de uitkomst van het geding. Voorwaarde is dus niet dat hij door de uitkomst van het geding (wellicht) in zijn belangen zal worden geschaad. Reeds op grond van het feit dat [eiser in het incident] de helft van de aandelen in Mens & Werk Beheer houdt én directeur is van Mens & Werk Beheer, moet hij geacht worden een dergelijk belang te hebben. [eiseres in de hoofdzaak] heeft bovendien de stelling van [eiser in het incident] dat een voor Mens & Werk Beheer ongunstige uitkomst van de procedure zijn rechtspositie nadelig kan beïnvloeden, niet gemotiveerd weersproken. Dat verweer wordt dus verworpen.

2.8. [eiseres in de hoofdzaak] voert voorts aan dat niet valt in te zien dat Mens & Werk Beheer haar belangen niet naar behoren en zelfstandig afdoende kan behartigen. Of Mens & Werk Beheer dat kan, is echter niet relevant: het gaat, gezien artikel 217 Rv., om de vraag of [eiser in het incident] een eigen belang heeft. Of hetgeen [eiser in het incident] te melden heeft, iets toevoegt, zal eerst kunnen blijken nadat [eiser in het incident] na de toelating tot voeging in de hoofdzaak heeft geconcludeerd. Wat [eiseres in de hoofdzaak] daaromtrent aanvoert, is dan ook, indien al van belang, prematuur.

2.9. Ten slotte voert [eiseres in de hoofdzaak] nog aan dat de procedure door deze tweede incidentele vordering andermaal vertraging oploopt en dat om die reden de vordering moet worden afgewezen. Het enkele feit dat de incidentele vordering vertraging oplevert, is echter onvoldoende om de afwijzing van de vordering te kunnen dragen.

Voor zover [eiseres in de hoofdzaak] bedoelt dat de toewijzing van de incidentele vordering, dus de voeging zelf, tot vertraging zal leiden, overweegt de rechtbank dat het belang van [eiseres in de hoofdzaak] bij het voorkomen van die vertraging in verhouding tot het belang van [eiser in het incident] bij de toelating tot voeging niet zodanig groot is dat haar belang dient te prevaleren.

2.10. Nu de gronden de incidentele vordering tot voeging kunnen dragen, zal deze worden toegewezen.

2.11. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

2.12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. staat [eiser in het incident] toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van Mens & Werk Beheer,

3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 maart 2010 voor het nemen van de conclusie van antwoord door Mens & Werk Beheer en [eiser in het incident],

3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.