Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL2306

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
179031
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BV0325, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 11
Burgerlijk Wetboek Boek 2 248
Burgerlijk Wetboek Boek 2 249
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 351
JIN 2010/209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 179031 / HA ZA 08-2196

Vonnis van 13 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRR PARTICIPATIES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. H. Carels te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna BRR en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 april 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 14 september 2009

- de akte uitlating producties van [gedaagde] van 11 november 2009

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. BRR en [ ] [gedaagde] Beheer B.V. (‘[gedaagde] Beheer’) houden ieder 50% van de aandelen in [gedaagde] Assurantiën B.V.(‘[gedaagde] Assurantiën’). [gedaagde] houdt op zijn beurt 100% van de aandelen in [gedaagde] Beheer, welke vennootschap bestuurder is van [gedaagde] Assurantiën. De aandelen van BRR zijn voor 2/3 deel in handen van BRR Management B.V. en voor 1/3 deel in handen van [A] B.V. De aandelen van BRR Management B.V. zijn voor 50% in handen van de [B] en voor 50% in handen van de [C].

2.2. [gedaagde] Assurantiën houdt zich bezig met de bemiddeling bij het afsluiten van verzekerings- en financieringsovereenkomsten, met name op de hypotheekmarkt.

2.3. De statuten van [gedaagde] Assurantiën bepalen onder meer, voor zover hier relevant, het volgende:

‘Vertegenwoordiging

Artikel 14

(…)

3. De directie behoeft de machtiging of goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders voor bestuursbesluiten strekkende tot:

a. het (…) huren en verhuren (…) van registergoederen (…);

b. het sluiten van kredietovereenkomsten;

c. het ten laste van de vennootschap aangaan van geldleningen waaronder niet is begrepen het gebruik maken van een aan de vennootschap verleend bankkrediet;

d. het oprichten of het deelnemen of zich op andere wijze interesseren in andere ondernemingen, het aanvaarden van de directie over andere ondernemingen, het vestigen en opheffen van filialen en het vervreemden van deelnemingen;

(…)

k. het toekennen van pensioenrechten aan werknemers van de vennootschap;

(…)

Boekjaar en jaarrekening

Artikel 15

(…)

2. Jaarlijks binnen vijf maanden na afloop van elk boekjaar – behoudens verlenging van deze termijn met ten hoogste zes maanden door de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van bijzondere omstandigheden – wordt door de directie een jaarrekening opgemaakt en aan de algemene vergadering van aandeelhouders overgelegd.’

2.4. [gedaagde] Assurantiën was tot april 2006 gevestigd in [woonplaats], op hetzelfde adres als BRR. Per 1 april 2006 is [gedaagde] Assurantiën verhuisd naar [adres]. Partijen hebben vanaf maart 2006 tot eind 2007 met bijstand van een bemiddelaar met elkaar gesproken over - kort gezegd - de ontvlechting van hun samenwerking, de waardering van de aandelen en de overdracht van de dossiers. Partijen hebben daar uiteindelijk geen overeenstemming over bereikt.

2.5. Eind 2005 is een pensioenvoorziening getroffen voor [gedaagde]. [gedaagde] heeft omstreeks april 2006 op naam van [gedaagde] Assurantiën een kredietovereenkomst voor een bedrag van € 20.000,00 gesloten met de bank, zonder daarvoor toestemming te vragen aan de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) . In 2006 is [gedaagde] namens [gedaagde] Assurantiën een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met Optima. Deze overeenkomst sloot samenwerking tussen [gedaagde] Assurantiën en BRR uit. Voor het aangaan van deze overeenkomst heeft [gedaagde] de AVA geen toestemming gevraagd.

2.6. BRR heeft op 2 juni 2008 een verzoekschrift ingediend bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam (‘de Ondernemingskamer’) met het verzoek om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij [gedaagde] Assurantiën. De mondelinge behandeling van dit verzoek heeft plaatsgevonden op 11 september 2008. Bij beschikking van 29 mei 2009 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van BRR toegewezen en een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van [gedaagde] Assurantiën over de periode vanaf 1 maart 2006.

2.7. Bij verzoekschrift van 11 november 2008 heeft [gedaagde] de rechtbank te [woonplaats] verzocht om surseance van betaling voor [gedaagde] Assurantiën. Bij beschikking van 18 november 2008 is [gedaagde] Assurantiën door de rechtbank te [woonplaats] voorlopige surseance van betaling verleend. Bij uitspraak van 1 december 2008 van de rechtbank te [woonplaats] is [gedaagde] Assurantiën in staat van faillissement verklaard.

2.8. BRR heeft ter verzekering van verhaal van haar vorderingen conservatoir beslag gelegd op het woonhuis van [gedaagde].

3. Het geschil

3.1. BRR vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 85.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. BRR legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de statuten van [gedaagde] Assurantiën door zonder toestemming van de AVA een pensioenvoorziening voor hem aan te gaan, een kredietovereenkomst, een huurovereenkomst en een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan en surseance van betaling te vragen. Ook stelt BRR dat de verhuizing van [gedaagde] Assurantiën van [woonplaats] naar [adres] geleid heeft tot een omzetdaling en tot het stelselmatig onkundig laten van BRR van de financiele situatie van [gedaagde] Assurantiën. Zij verwijt [gedaagde], kort gezegd, wanbeleid. BRR stelt dat [gedaagde] daarmee aansprakelijk is voor de door BRR dientengevolge geleden schade op grond van art. 2:248 BW, 2:249 BW in samenhang met art. 2:11 BW en 6:162 BW. Die schade bestaat uit de teloorgang van de waarde van de aandelen en de hoge kosten die zij heeft moeten maken om inzicht te krijgen in de financiele zaken van [gedaagde] Assurantiën. De schade wordt door BRR gesteld op € 85.000,00.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Op de comparitie heeft BRR de grondslag van haar vorderingen beperkt tot schending van art. 6:162 BW in samenhang met art. 2:11 BW. De verweren die [gedaagde] heeft aangevoerd tegen de overige in de dagvaarding genoemde grondslagen kunnen dan ook onbesproken blijven.

4.2. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat art. 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op de bestuurder van eerstgenoemde rechtspersoon. Dat brengt met zich dat als [gedaagde] Beheer aansprakelijk zou zijn jegens BRR, [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk is naast [gedaagde] Beheer.

4.3. De rechtbank dient te beoordelen of de gedragingen van [gedaagde] leiden tot aansprakelijkheid van [gedaagde] als indirect bestuurder van [gedaagde] Assurantiën jegens BRR als aandeelhouder van [gedaagde] Assurantiën. BRR heeft daarvoor als grondslag art. 6:162 BW genomen. Zij heeft zich daarnaast beroepen op schending van art. 2:248 BW. Uit dat artikel volgt evenwel dat slechts de curator zich hierop kan beroepen. Een beroep op art. 2:248 BW komt BRR dan ook niet toe.

BRR heeft verder nog een beroep gedaan op art. 2:249 BW. Dat sprake zou zijn van een schending van art. 2:249 BW heeft BRR evenwel onvoldoende onderbouwd met feiten en stukken. Deze grondslag kan BRR derhalve evenmin baten. De rechtbank zal de vordering van BRR dan ook beoordelen op de eerstgenoemde grondslag, art. 6:162 BW.

4.4. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat - kort gezegd - de schade die een individuele aandeelhouder lijdt als gevolg van onrechtmatig handelen door een derde jegens de vennootschap niet door de individuele aandeelhouder tegen die derde te gelde gemaakt kunnen worden (HR 2 december 2994, NJ 1995, 288, ABP/Poot). Daarbij leidt het feit dat die derde een statutair bestuurder van de vennootschap is niet tot een ander uitgangspunt (zie o.m. Rb. Arnhem 7 maart 1996, JOR 1996,43). Indien aan een vennootschap, in dit geval [gedaagde] Assurantiën, door een derde, in dit geval [gedaagde], vermogensschade wordt toegebracht door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders echter op grond van dit (aanvankelijk) voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde derde geldend maken.

Voor een eventuele vergoeding van schade aan een aandeelhouder kan slechts dan sprake zijn indien jegens die aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens hem in privé in acht had moeten worden genomen. BRR heeft niet gesteld dat daarvan sprake zou zijn. Dat is de rechtbank ook overigens niet gebleken. Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van BRR zal worden afgewezen.

4.5. [gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord nog gesteld dat een vordering tot opheffing van het conservatoir beslag op zijn woonhuis zou volgen. Deze vordering heeft hij evenwel niet ingesteld als eis in reconventie, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

4.6. BRR zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Die kosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op:

- vast recht € 1.148,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punten × factor 1,0 × tarief € 894,00)

Totaal € 3.383,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt BRR in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.383,00,

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2010.