Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL1935

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/831
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO3502, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning met vrijstelling 19, lid 1 WRO.

Ruimtelijke onderbouwing; geurhinder; exceptieve toetsing van de op basis van de Wet geurhinder en veehouderij vastgestelde geurverordening. Onverbindende verordening.

Geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat en geen goede ruimtelijke onderbouwing. Beroep gegrond en vernietiging bestreden besluit.

In het kader van finale geschillenbeslechting laat de rechtbank, mede gelet op de nieuwe geurverordening, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/831

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 19 januari 2010

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek, verweerder,

alsmede

I [BV], te Wijchen

II [X], te [woonplaats]

III [Y], te [woonplaats]

IV [BV 2], te [woonplaats]

partijen ex artikel 8:26 van de Awb, hierna: vergunninghouders.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 januari 2009.

2. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 15 april 2008 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan vergunninghouders vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van – in totaal – 37 woningen aan de Dakotastraat te Groesbeek (bouwplan “Parachutistenstraat-West, fase II”).

Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 30 mei 2008 (reg.nrs. AWB 08/2034, AWB 08/2035, AWB 08/2037, AWB 08/2039-2042) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van 15 april 2008 (ongeclausuleerd) geschorst.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten van 15 april 2008 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het door verweerder gedane verzoek om opheffing van de schorsing is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2009 (reg. nr. 08/5807) afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 20 november 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Thijssen, wethouder en C. Slotboom, werkzaam bij verweerders gemeente. Tevens zijn verschenen A. Lowijs, voormalig medewerker van M.W.H. Syncera B.V. en R.J.M.B. Derks, werkzaam bij G&O Consult. Namens vergunninghouder [BV] is verschenen [Z], bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen.

[BV 2] is vertegenwoordigd door mr. De Haan voornoemd.

3. Overwegingen

3.1 Het project voorziet in het realiseren van 37 woningen aan de Dakotastraat te Groesbeek (bouwplan “Parachutistenstraat-West, fase II”). Eiser exploiteert een varkensbedrijf aan de [straat] te [woonplaats].

3.2 Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan ”Buitengebied herziening 2005”. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder vrijstelling verleend van het bestemmingsplan ex artikel 19, eerste lid, van de WRO.

3.3 Ingevolge de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is het oude recht van toepassing, zoals dat gold tot 1 juli 2008.

3.4 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier relevant, kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling van het geldende bestemmingsplan worden verleend, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

3.4.1 De rechtbank is niet gebleken dat niet aan de toepassingsvoorwaarden voor het verlenen van een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan.

3.4.2 Dit brengt mee dat verweerder (materieel) bevoegd was om de vrijstelling te verlenen, mits komt vast te staan dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Of daarvan in dit geval sprake is, zal hieronder worden besproken.

3.5 Verweerder heeft zich gebaseerd op de ruimtelijke onderbouwing die is neergelegd in de “Ruimtelijke onderbouwing ex artikel 19 lid 1 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), Parachutistenstraat West” van november 2007.

3.6 Eiser kan zich niet verenigen met de verleende vrijstelling en heeft voor wat de beroepsgronden betreft mede verwezen naar hetgeen in het bezwaarschrift is opgenomen.

Met betrekking tot de gronden die eiser in zijn (aanvullend) beroepschrift niet expliciet heeft vermeld, maar alleen door middel van een verwijzing naar het bezwaarschrift heeft herhaald en ingelast, stelt de rechtbank vast dat eiser in een nader stuk noch ter zitting redenen heeft aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in het bestreden besluit onjuist zou zijn. In hetgeen hij in zoverre heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat verweerder ten onrechte vrijstelling heeft verleend. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 1 april 2009, LJN BH9266.

3.7 Eiser heeft voorts betoogd dat vanwege het door hem geëxploiteerde varkensbedrijf sprake is van een dusdanige geurbelasting ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de op te richten woningen niet kan worden gegarandeerd. Dit brengt mee – zo stelt eiser – dat het bouwplan strijdig is met een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 10 van de WRO.

3.7.1 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wgv, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een niet-concentratiegebied en binnen de bebouwde kom, meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht (2 OUe/m³).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wgv, voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de waarde genoemd in artikel 3, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat deze andere waarde binnen een niet-concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 OUe/m³ en niet meer dan 8,0 OUe/m³.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wvg wordt bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in artikel 6, door de gemeenteraad in elk geval betrokken:

a. de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied;

b. het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging, en

c. de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu.

Tevens wordt bij het bepalen van de andere waarde of afstand door de gemeenteraad de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied, of de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder betrokken.

3.7.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit gewezen op het feit dat de raad van de gemeente Groesbeek gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 6 van de Wgv toegekende bevoegdheid en een andere hogere waarde heeft vastgesteld, zodat dientengevolge een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de op te richten woningen kan worden gegarandeerd.

3.8 De rechtbank is van oordeel dat in beginsel niet langer kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, wanneer een ruimtelijk plan de vestiging mogelijk maakt van voor geurhinder gevoelige objecten binnen de afstanden die bij vergunningverlening op grond van de milieuwetgeving ten opzichte van veehouderijen moeten worden aangehouden. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat dit uitgangspunt als gevolg van de inwerkingtreding van de Wgv zou moeten worden verlaten (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 1 oktober 2008, LJN BF 3880 en 16 juli 2008, LJN BD7357).

Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit ook uit de systematiek van de Wvg en de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wgv (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3). Op pagina 4 van de MvT is vermeld dat gestreefd is naar een helder, eenvoudig en eenduidig beoordelingskader. Een veehouderij moet erop kunnen vertrouwen dat haar aanvraag wordt vergund indien die in overeenstemming is met de wettelijke of andere waarde (rechtszekerheid) en een geurgevoelig object mag vergen dat het in beginsel niet aan onacceptabele geurhinder wordt blootgesteld.

Op de pagina’s 9 en 10 is aangegeven dat uit toepassing van de geurregelgeving een afstand volgt die ten minste moet worden aangehouden tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De afstand stuurt niet alleen de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van een veehouderij, maar heeft ook voor het geurgevoelig object gevolgen. Enerzijds wordt namelijk een verhoging van de geurbelasting op een geurgevoelig object niet vergund, indien de gestelde waarde wordt overschreden. Anderzijds moet totstandkoming van een geurgevoelig object binnen die afstand worden voorkomen, indien de benodigde bestemmingswijziging zou strijden met een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 10 van de huidige Wet op de Ruimtelijke Ordening.

3.8.1 De onder andere door eiser ter zitting aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2009 (LJN: BJ9529) maakt niet dat van bovengenoemd uitgangspunt moet worden afgeweken.

In de uitspraak van 7 oktober 2009 is gewezen op de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv (MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3) en is aangegeven dat ter facilitering van het bevoegd gezag is voorzien in een Handreiking. In bijlagen 6 en 7 van deze Handreiking wordt ingegaan op de relatie geurbelasting en geurhinder en wordt het percentage geurgehinderden gekoppeld aan een kwalificatie van de milieukwaliteit. Uit de uitspraak leidt de rechtbank af dat in het betreffende geval sprake was van een vastgestelde (lagere) andere waarde van 1,5 Oue/m³ dan de waarde die voortvloeit uit artikel 3 van de Wvg, dat de voorgrondbelasting 1,8 OUe/m³ was en de achtergrondbelasting 2,4 OUe/m³, en dat deze belasting, gelet op bijlagen 6 en 7 van de Handreiking, leidt tot een goed woon– en leefklimaat. De Afdeling heeft vervolgens overwogen dat onder die omstandigheden een overschrijding van de vastgestelde lagere waarde van 1,5 OUe/m³ er niet toe leidt dat er geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat.

De rechtbank is van oordeel dat de Afdeling met de uitspraak van 7 oktober 2009 de systematiek van de Wgv, inhoudende dat de Wvg normen stelt en dat op grond van artikel 6 van de Wvg andere waarden kunnen worden vastgesteld, en de hieruit voortvloeiende zogeheten omgekeerde werking van stankcirkels, niet terzijde heeft geschoven.

3.9 In navolging van de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 24 maart 2009 overweegt de rechtbank als volgt

3.10 Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de rechtbank staat vast, dat de te bouwen woningen zijn gelegen binnen de bebouwde kom in een niet-concentratiegebied als bedoeld in de Wgv. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de woningen zijn geprojecteerd binnen de 2 OUe/m³ geurcontour, zodat sprake is van een geurbelasting die de ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgv vastgestelde maximale geurbelasting overschrijdt.

Dit hoeft er evenwel niet toe te leiden dat ter plaatse van de op te richten woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De in de Wgv neergelegde normstelling is immers gebaseerd op een “gemiddeld gebied”, waarbij veehouderijen en geurgevoelige objecten op een redelijke afstand van elkaar zijn gelegen. Afhankelijk van het karakter van het gebied en zijn gewenste ruimtelijke inrichting kan in het concrete geval behoefte bestaan het beschermingsniveau tegen geurhinder naar boven of beneden bij te stellen. De wetgever heeft deze behoefte onderkend en heeft in artikel 6 van de Wgv aan de gemeenteraad de bevoegdheid toegekend in een verordening voor (delen van) zijn grondgebied een andere waarde vast te stellen. Op die wijze is de gemeente beleidsvrijheid geboden en kan zij, binnen zekere grenzen, maatwerk bieden.

3.11 De hiervoor bedoelde andere waarde, die in de gemeentelijke verordening wordt vastgelegd, dient te worden gemotiveerd op basis van de gemeentelijke visie op de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied. Daarbij betrekt de gemeenteraad in elk geval de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege veehouderijen in het betreffende gebied, het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging en de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu (artikel 8 van de Wgv). Voorts dient het bevoegd gezag te beoordelen of de te verwachten effecten van de andere waarde logisch passen bij de geformuleerde ruimtelijke doelstellingen. De aldus te maken gemeentelijke afweging resulteert in een andere waarde, die weliswaar generiek is ten aanzien van de geurbelasting die een individuele veehouder op een individueel geurgevoelig object mag emitteren, maar die voortvloeit uit een maatbewerking ten aanzien van alle te onderscheiden veehouderijen in het betreffende gebied. Daarbij geldt dat de vast te stellen andere waarde moet blijven binnen de in artikel 6 van de Wgv neergelegde bandbreedte. Deze bandbreedte ligt, in geval van een niet-concentratiegebied binnen de bebouwde kom als hier aan de orde, tussen de 0,1 en 8,0 OUe/m³.

3.12 De rechtbank stelt vast dat de raad van de gemeente Groesbeek gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 6 van de Wgv toegekende bevoegdheid en op 24 januari 2008 de “Deelverordening geurhinder en veehouderij 2008” heeft vastgesteld (hierna: de Verordening 2008). Met deze Verordening is beoogd een tweetal bouwplannen mogelijk te maken, te weten een bouwplan voor een woning aan de Bredeweg 73 te Groesbeek en het thans aan de orde zijnde bouwplan dat voorziet in de bouw van woningen aan de Parachutistenstraat (bouwplan Parachutistenstraat-West, fase II).

Wat betreft de toegestane geurbelasting op de laatstbedoelde woningen heeft de raad de andere waarde vastgesteld op 4,3 OUe/m³. De keuze voor deze andere waarde is nader onderbouwd in het rapport “Geurvisie t.b.v. bouwplannen Parachutistenstraat-West, fase II en Bredeweg 73” van november 2007, opgesteld door adviesbureau Syncera B.V. te Arnhem.

3.13 Vastgesteld wordt dat de geurvisie, die aan de Verordening 2008 ten grondslag is gelegd, enkel is gebaseerd op de ruimtelijke ontwikkelingen in verband met de genoemde bouwplannen. Bewust is er niet voor gekozen om de resultaten van de quickscan voor het gehele gemeentelijke grondgebied af te wachten, nu dit de voortgang van de vergunde bouwprojecten te zeer zou vertragen. De vastgestelde (deel)Verordening moet in de visie van verweerder worden gezien als een voorloper van de verordening die zal gaan gelden voor het hele grondgebied.

3.14 Eiser heeft – zakelijk samengevat – onder meer aangevoerd dat de raad met het vaststellen van een deelverordening die niet is gebaseerd op een gebiedsvisie die het gehele gemeentelijke grondgebied beslaat, is getreden buiten de grenzen van de hem op grond van artikel 6 van de Wgv toegekende verordenende bevoegdheid. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat de Wgv uitgaat van een gebiedsgerichte benadering, zodat het aanwijzen van een tweetal bouwlocaties waarvoor een andere waarde geldt zich niet met dit in de Wgv neergelegde uitgangspunt verdraagt.

3.14.1 Voorop staat dat de andere waarde in de Verordening 2008 waarvan eiser de verbindendheid bestrijdt, een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in art. 8:2, aanhef en onder a, van de Awb betreft, waartegen als zodanig geen beroep kan worden ingesteld. Zoals de Afdeling evenwel eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2008, LJN BG5873) staat die bepaling niet in de weg aan een exceptieve toetsing van een dergelijk voorschrift. In het licht van deze exceptieve toetsing wordt het volgende overwogen.

3.14.2 De in artikel 6 van de Wgv opgenomen zinsnede "deel van het grondgebied" is niet nader gedefinieerd. Denkbaar is dat de wetgever daarmee een gebiedsgerichte benadering op het oog heeft gehad, namelijk met betrekking tot deelgebieden met een te onderscheiden typologisch karakter, zoals bijvoorbeeld het buitengebied, een recreatiegebied, een woonwijk of een dorpskern. Dat is echter niet duidelijk in de toelichting bij het wetsontwerp terug te vinden. Naar de letter van de wet kan ook voor een enkel perceel of bouwlocatie, zoals in casu voor de Parachutistenstraat-West, fase II, een andere waarde worden vastgesteld.

Zodanige “postzegelbenadering” kan er echter wel toe leiden dat een lappendeken aan normen ontstaat, hetgeen afbreuk doet aan het door de wetgever gewenste heldere, eenvoudige en eenduidige toetsingskader.

Daarom moet de gemeenteraad op grond van artikel 8 van de Wgv bij het bepalen van de andere waarde, bedoeld in artikel 6 van de Wvg, extra aandacht besteden aan de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied.

3.14.3 De rechtbank is van oordeel dat de raad daarin bij de voorbereiding van de Verordening 2008 tekort is geschoten. Het gevolg van de Verordening 2008 is dat voor een woning in het bouwplan Parachutistenstraat-West, fase II, een maximale geurbelasting zal zijn toegestaan van 4,3 OUe/m³, terwijl voor de naastgelegen (reeds gerealiseerde) woningen in fase I, die ontegenzeglijk in dezelfde geurcontour zijn gelegen, de wettelijke maximale geurbelasting van 2,0 OUe/m³ blijft gelden.

Hoewel de wetgever uitdrukkelijk heeft voorgestaan dat de raad met het bij verordening vastleggen van een andere waarde maatwerk kan leveren om een gewenste ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken, is naar het oordeel van de rechtbank, in de aan de Verordening 2008 ten grondslag gelegde geurvisie, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom zodanig onderscheid wordt gemaakt.

Qua ruimtelijke inrichting wijkt fase I van deze woonwijk immers niet af van fase II.

Dat maakt dat de gemeenteraad aan de eis van artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wgv, inhoudende dat de gemeenteraad tevens de (in dit geval) gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied heeft betrokken, onvoldoende heeft voldaan, althans dat zulks niet kenbaar is uit de geurvisie.

3.15 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan de Verordening 2008, voor zover hierin de andere waarde is vastgesteld op 4,3 OUe/m³, wegens strijd met de wet verbindende kracht moet worden ontzegd, alsmede dat verweerder er niet in is geslaagd aan te tonen dat ter plaatse van de te bouwen woningen qua geurhinder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal heersen. De vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO ontbeert daarom een goede ruimtelijke onderbouwing.

3.16 Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

3.17 De rechtbank ziet aanleiding om in het kader van finale geschillenbeslechting te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Niet alleen hebben verweerder en vergunninghouders daarom gevraagd, ook de - inmiddels - vaste jurisprudentie van de Afdeling noopt de rechtbank daartoe.

In een uitspraak van 12 augustus 2009 ( LJN BJ5099, AB 2009,368) overweegt de Afdeling dat ingeval een besluit wordt vernietigd, de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil dient te onderzoeken. Daarbij dient zij onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende motiveert en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

3.18 In beroep (2 november 2009) heeft verweerder de rechtbank de (concept) Verordening geurhinder en veehouderij 2009 (hierna: Verordening 2009) en de daarbij horende Geurgebiedsvisie gemeente Groesbeek van G&O Consult van juni 2009 toegezonden. Deze Verordening 2009 is door de raad van de gemeente Groesbeek vastgesteld en is inmiddels in werking getreden. De Verordening 2009 ziet op het gehele grondgebied van de gemeente Groesbeek. In deze verordening is voor (delen van) dat grondgebied een andere waarde vastgesteld. Voor het gedeelte van het grondgebied waarbinnen het onderhavige bouwplan is gelegen, is de norm vastgesteld op 5 OUe/m³.

3.18.1 In het kader van de finale geschillenbeslechting zal de rechtbank ook nu moeten bezien of de Verordening 2009 verbindend is.

3.18.2 De rechtbank stelt vast dat aan deze verordening thans wel een uitvoerige gebiedsvisie ten grondslag heeft gelegen en dat ten aanzien van de verordening in dit geval inspraak heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt dan ook vast dat het aan de Verordening 2008 klevende gebrek, namelijk dat daaraan geen toereikende gebiedsvisie ten grondslag heeft gelegen, zich niet voordoet met betrekking tot de Verordening 2009.

3.18.3 Nu de keuze voor de norm 5 OUe/m³ voor het gebied waarin de bouwlocatie is gelegen is gebaseerd op een toereikende gebiedsvisie, ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat deze norm in strijd is met het bepaalde in de Wvg. In dit verband zij opgemerkt dat de gemeenteraad bij dergelijke keuzes een aanzienlijke mate van beoordelingsruimte toekomt.

3.18.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan niet staande worden gehouden dat de Verordening 2009, gelet op de Visie wonen en werken 2004, in strijd is met de Wvg.

3.19 Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat (ook) de Verordening 2009 in strijd is met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvg, inhoudende dat bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in artikel 6, door de gemeenteraad in elk geval wordt betrokken het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging. Volgens eiser is nog altijd niet gekeken naar andere oplossingen welke voorgaan op het verhogen van de geurnorm, waarbij met name gekeken had moet worden naar de aanpassing van de bron van de geurhinder, te weten het agrarisch bedrijf van eiser.

3.19.1 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet gevolgd kan worden in zijn betoog.

Gebleken is dat de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde, bedoeld in artikel 6, het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging heeft betrokken.

Uit het bepaalde in artikel 8, eerste lid, sub b, van de Wgv noch de parlementaire geschiedenis volgt dat een verordening eerst in beeld komt nadat is vastgesteld dat andere oplossingen, waaronder aanpassingen aan de bron, niet kunnen worden gerealiseerd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van een andere waarde op grond van de Wvg een geïntegreerde aanpak op vergunningsniveau niet in de weg staat.

De vaststelling van de andere waarde bij verordening mag niet leiden tot een verplaatsing van de verontreiniging naar een ander milieucompartiment. Gebleken is dat verweerder hier rekening mee heeft gehouden en dat hiervan ook geen sprake is.

3.20 Hetgeen eiser ter zitting met betrekking tot de Verordening 2009 en de bijbehorende geurgebiedsvisie overigens naar voren heeft gebracht brengt niet met zich dat aan de verbindendheid van de nieuwe verordening moet worden getwijfeld.

3.21 Nu de geurbelasting op de bouwlocatie ongeveer 4,3 OUe/m³ bedraagt en onder de bij verordening vastgestelde waarde van 5 OUe/m³ ligt, moet, gelet op de systematiek van de Wvg, er van worden uitgegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

3.22 In beroep (2 november 2009) heeft verweerder met betrekking tot de definitieve herbegrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) stukken ingezonden. Uit deze stukken komt naar voren dat de bouwlocatie thans niet meer in de EHS is gelegen. Het betreft besluitvorming van provinciale staten van de provincie Gelderland (PS) van 27 mei 2009, grotendeels conform het voorstel van gedeputeerde staten aan PS van 12 maart 2009.

Onder 1 bij bijlage 1 (Toelichting “rode” ontwikkelingen) behorende bij het voorstel van gedeputeerde staten is vermeld:

“Het betreft een uitbreiding van de dorpskern van Bredeweg op een agrarisch perceel zonder natuurwaarde. Het perceel is niet aangegeven als nieuwe natuur of agrarisch natuurbeheer. Feitelijk had het perceel dus niet in de EHS opgenomen behoeven te worden. Het perceel is in het Streekplan 2005 in de EHS opgenomen vanwege de nabijheid van het natuurgebied De Bruuk, dat parel, TOP-gebied en Natura 2000 is, een kwetsbare waterhuishouding kent. Uit hydrologische gegevens blijkt, dat bebouwing van dit perceel geen gevolgen heeft voor de waterhuishouding van het reservaat, noch voor eventuele vernattingswensen in de toekomst (zie ook: herbegrenzing TOP-gebieden). Het perceel kan dan ook zonder nadelige consequenties voor kwaliteiten en samenhang buiten de EHS worden gebracht.”

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat het project niet in betekenende mate van invloed zal zijn op de EHS.

3.23 In beroep (8 juli 2009) heeft verweerder een aantal stukken inzake de bodemverontreiniging ter plaatse in het geding gebracht. Met betrekking tot deze verontreiniging heeft verweerder inmiddels een saneringsplan doen opstellen met welk plan gedeputeerde staten blijkens het besluit van 29 april 2009 hebben kunnen instemmen.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat het aspect bodemverontreiniging de vrijstelling niet meer in de weg staat.

3.24 Gezien het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan is aan de voorwaarden die de Afdeling in de uitspraak van 12 augustus 2009 stelt aan het zelf in de zaak voorzien. Het bestuursorgaan heeft vastgehouden aan zijn besluit, heeft het besluit alsnog voldoende gemotiveerd en de andere partij heeft zich daarover in voldoende mate kunnen uitlaten.

Tevens is in aanmerking genomen dat eiser in beroep de vrijstelling niet op andere gronden heeft aangevochten.

3.25 De rechtbank wijst partijen ten slotte op artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c van de Awb, waarin is bepaald dat de voorlopige voorziening in ieder geval vervalt zodra de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Er is dan ook geen reden om bij uitspraak te bepalen dat de bij voorlopige voorziening opgelegde schorsing wordt opgeheven.

3.26 De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De gevraagde vergoeding voor de gemaakte proceskosten in bezwaar wordt afgewezen nu de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.N. Crol, voorzitter, mrs. A.A.J. de Gier en H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 19 januari 2010