Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BL1901

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/5812
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning met vrijstelling 19, lid 2 WRO. Stedelijk gebied, toepassingsvoorwaarde. Ruimtelijke onderbouwing; geurhinder; exceptieve toetsing van de op basis van de Wet geurhinder en veehouderij vastgestelde geurverordening. Onverbindende verordening. Geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat en geen goede ruimtelijke onderbouwing. Beroep gegrond en vernietiging bestreden besluit. De rechtbank ziet in de nieuwe geurverordening geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5812

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 19 januari 2010.

inzake

[eiser],

wonende te [plaats], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek, verweerder,

alsmede

[vergunninghouder], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te Groesbeek (verder: vergunninghouder), vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 november 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel, plaatselijk bekend [perceel].

Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 30 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 11 maart 2008 (ongeclausuleerd) geschorst.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 19 februari 2009 heeft vergunninghouder zich gesteld als partij in het geding. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 20 november 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Thijssen, wethouder en C. Slotboom, werkzaam bij verweerders gemeente. Tevens zijn verschenen A. Lowijs, voormalig medewerker van M.W.H. Syncera B.V. en R.J.M.B. Derks, werkzaam bij G&O Consult. Namens de partij ex artikel 8:26 van de Awb zijn verschenen [Namen].

3. Overwegingen

3.1 Het project voorziet in de bouw van een woning met aangebouwde garage op het perceel [perceel]. Eiser exploiteert een varkensbedrijf aan de [adres].

3.2 Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Breedeweg” (hierna: het bestemmingsplan). Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder vrijstelling verleend van het bestemmingsplan ex artikel 19, tweede lid, van de WRO.

3.3 Ingevolge de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is het oude recht van toepassing, zoals dat gold tot 1 juli 2008.

3.4 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan, indien dit project past in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft bij besluit van 15 november 2005 de “vrijstellingslijst ex artikel 19, lid 2, van de WRO” (hierna: vrijstellingslijst) vastgesteld. Deze bevat de categorieën van gevallen waarin burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kunnen verlenen vastgesteld.

Ingevolge categorie 1 van de vrijstellingslijst kan vrijstelling worden verlenen voor (bouw)projecten voor woonfuncties in stedelijk gebied, mits niet gesitueerd op een bedrijventerrein.

Ingevolge de bij de vrijstellingslijst behorende toelichting dient onder stedelijk gebied te worden verstaan het gebied dat op de “Beleidskaart ruimtelijke structuur”, behorende bij het streekplan 2005 (verder: de Beleidskaart), als bebouwd gebied is aangeduid. Dit zijn binnen het “Rode raamwerk” de donker gekleurde gebieden (bebouwing 2000) en binnen het “Multifunctioneel gebied” de grijs gekleurde gebieden (bebouwd gebied 2000). Daarnaast zijn alle gerealiseerde planmatige uitbreidingen aansluitend aan deze bebouwde gebieden, stedelijk gebied.

3.5 Eiser heeft betoogd dat het vergunde bouwplan niet is gelegen in stedelijk gebied

zoals in de vrijstellingslijst bedoeld.

3.5.1 Dit betoog slaagt niet. Gelet op de door verweerder bij het verweerschrift gevoegde gedetailleerde kaart staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat het bouwperceel is gelegen op de grijs gekleurde gebieden op de Beleidskaart die zijn aangewezen als “bebouwd gebied 2000”. Eiser heeft in beroep enkel aangegeven dat het perceel niet is gelegen op de grijs gekleurde gebieden, maar heeft deze stelling niet onderbouwd.

3.6 De rechtbank is van oordeel dat ook overigens niet is gebleken dat niet aan de toepassingsvoorwaarden voor het verlenen van een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan.

Dit brengt mee dat verweerder (materieel) bevoegd was om de vrijstelling te verlenen, mits komt vast te staan dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Of daarvan in dit geval sprake is, zal hieronder worden besproken.

3.7 De ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19 van de WRO is opgenomen in het besluit van verweerder van 11 maart 2008.

3.8 Eiser kan zich niet verenigen met de verleende vrijstelling en heeft in dit verband betoogd dat vanwege het door hem geëxploiteerde varkensbedrijf sprake is van een dusdanige geurbelasting ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de op te richten woning niet kan worden gegarandeerd. Dit brengt mee – zo stelt eiser – dat het bouwplan strijdig is met een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 10 van de WRO.

3.8.1 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wgv, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een niet-concentratiegebied en binnen de bebouwde kom, meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht (2 OUe/m³).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wgv, voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de waarde genoemd in artikel 3, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat deze andere waarde binnen een niet-concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 OUe/m³ en niet meer dan 8,0 OUe/m³.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wvg wordt bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in artikel 6, door de gemeenteraad in elk geval betrokken:

a. de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied;

b. het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging, en

c. de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu.

Tevens wordt bij het bepalen van de andere waarde of afstand door de gemeenteraad de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied, of de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder betrokken.

3.8.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit gewezen op het feit dat de raad van de gemeente Groesbeek gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 6 van de Wgv toegekende bevoegdheid en een andere hogere waarde heeft vastgesteld, zodat dientengevolge een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de op te richten woning kan worden gegarandeerd.

3.9 De rechtbank is van oordeel dat in beginsel niet langer kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, wanneer een ruimtelijk plan de vestiging mogelijk maakt van voor geurhinder gevoelige objecten binnen de afstanden die bij vergunningverlening op grond van de milieuwetgeving ten opzichte van veehouderijen moeten worden aangehouden. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat dit uitgangspunt als gevolg van de inwerkingtreding van de Wgv zou moeten worden verlaten (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 1 oktober 2008, LJN BF 3880 en 16 juli 2008, LJN BD7357).

Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit ook uit de systematiek van de Wvg en de Memorie van Toelichting op de Wgv (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3). Op pagina 4 van de MvT is vermeld dat gestreefd is naar een helder, eenvoudig en eenduidig beoordelingskader. Een veehouderij moet erop kunnen vertrouwen dat haar aanvraag wordt vergund indien die in overeenstemming is met de wettelijke of andere waarde (rechtszekerheid) en een geurgevoelig object mag vergen dat het in beginsel niet aan onacceptabele geurhinder wordt blootgesteld.

Op de pagina’s 9 en 10 is aangegeven dat uit toepassing van de geurregelgeving een afstand volgt die ten minste moet worden aangehouden tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De afstand stuurt niet alleen de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van een veehouderij, maar heeft ook voor het geurgevoelig object gevolgen. Enerzijds wordt namelijk een verhoging van de geurbelasting op een geurgevoelig object niet vergund, indien de gestelde waarde wordt overschreden. Anderzijds moet totstandkoming van een geurgevoelig object binnen die afstand worden voorkomen, indien de benodigde bestemmingswijziging zou strijden met een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 10 van de huidige Wet op de Ruimtelijke Ordening.

3.9.1 De onder andere door vergunninghouder en eiser ter zitting aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2009 (LJN: BJ9529) maakt niet dat van bovengenoemd uitgangspunt moet worden afgeweken.

In de uitspraak van 7 oktober 2009 is gewezen op de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv (MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3) en is aangegeven dat ter facilitering van het bevoegd gezag is voorzien in een Handreiking. In bijlagen 6 en 7 van deze Handreiking wordt ingegaan op de relatie geurbelasting en geurhinder en wordt het percentage geurgehinderden gekoppeld aan een kwalificatie van de milieukwaliteit. Uit de uitspraak leidt de rechtbank af dat in het betreffende geval sprake was van een vastgestelde (lagere) andere waarde van 1,5 Oue/m³ dan de waarde die voortvloeit uit artikel 3 van de Wvg, dat de voorgrondbelasting 1,8 OUe/m³ was en de achtergrondbelasting 2,4 OUe/m³, en dat deze belasting, gelet op bijlagen 6 en 7 van de Handreiking, leidt tot een goed woon– en leefklimaat. De Afdeling heeft vervolgens overwogen dat onder die omstandigheden een overschrijding van de vastgestelde lagere waarde van 1,5 OUe/m³ er niet toe leidt dat er geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat.

De rechtbank is van oordeel dat de Afdeling met de uitspraak van 7 oktober 2009 de systematiek van de Wgv, inhoudende dat de Wvg normen stelt en dat op grond van artikel 6 van de Wvg andere waarden kunnen worden vastgesteld, en de hieruit voortvloeiende zogeheten omgekeerde werking van stankcirkels niet terzijde heeft geschoven.

3.10 In navolging van de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 24 maart 2009 overweegt de rechtbank als volgt

3.11 Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de rechtbank staat vast, dat de te bouwen woning is gelegen binnen de bebouwde kom in een niet-concentratiegebied als bedoeld in de Wgv. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de woning is geprojecteerd binnen de 2 OUe/m³ geurcontour, zodat sprake is van een geurbelasting die de ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgv vastgestelde maximale geurbelasting overschrijdt.

Dit hoeft er evenwel niet toe te leiden dat ter plaatse van de op te richten woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De in de Wgv neergelegde normstelling is immers gebaseerd op een “gemiddeld gebied”, waarbij veehouderijen en geurgevoelige objecten op een redelijke afstand van elkaar zijn gelegen. Afhankelijk van het karakter van het gebied en zijn gewenste ruimtelijke inrichting kan in het concrete geval behoefte bestaan het beschermingsniveau tegen geurhinder naar boven of beneden bij te stellen. De wetgever heeft deze behoefte onderkend en heeft in artikel 6 van de Wgv aan de gemeenteraad de bevoegdheid toegekend in een verordening voor (delen van) zijn grondgebied een andere waarde vast te stellen. Op die wijze is de gemeente beleidsvrijheid geboden en kan zij, binnen zekere grenzen, maatwerk bieden.

3.12 De hiervoor bedoelde andere waarde, die in de gemeentelijke verordening wordt vastgelegd, dient te worden gemotiveerd op basis van de gemeentelijke visie op de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied. Daarbij betrekt de gemeenteraad in elk geval de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege veehouderijen in het betreffende gebied, het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging en de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu (artikel 8 van de Wgv). Voorts dient het bevoegd gezag te beoordelen of de te verwachten effecten van de andere waarde logisch passen bij de geformuleerde ruimtelijke doelstellingen. De aldus te maken gemeentelijke afweging resulteert in een andere waarde, die weliswaar generiek is ten aanzien van de geurbelasting die een individuele veehouder op een individueel geurgevoelig object mag emitteren, maar die voortvloeit uit een maatbewerking ten aanzien van alle te onderscheiden veehouderijen in het betreffende gebied. Daarbij geldt dat de vast te stellen andere waarde moet blijven binnen de in artikel 6 van de Wgv neergelegde bandbreedte. Deze bandbreedte ligt, in geval van een niet-concentratiegebied binnen de bebouwde kom als hier aan de orde, tussen de 0,1 en 8,0 OUe/m³.

3.13 De rechtbank stelt vast dat de raad van de gemeente Groesbeek gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 6 van de Wgv toegekende bevoegdheid en op 24 januari 2008 de “Deelverordening geurhinder en veehouderij 2008” heeft vastgesteld (hierna: de Verordening 2008). Met deze Verordening is beoogd een tweetal bouwplannen mogelijk te maken, te weten een bouwplan voor 37 woningen aan de Dakotastraat te Groesbeek (bouwplan “Parachutistenstraat-West, fase II”) en het thans aan de orde zijnde bouwplan dat voorziet in de bouw van een woning met aangebouwde garage.

Wat betreft de toegestane geurbelasting op de laatstbedoelde woning heeft de raad de andere waarde vastgesteld op 7,9 OUe/m³. De keuze voor deze andere waarde is nader onderbouwd in het rapport “Geurvisie t.b.v. bouwplannen Parachutistenstraat-West, fase II en [perceel]” van november 2007, opgesteld door adviesbureau Syncera B.V. te Arnhem.

3.14 Vastgesteld wordt dat de geurvisie, die aan de Verordening 2008 ten grondslag is gelegd, enkel is gebaseerd op de ruimtelijke ontwikkelingen in verband met de genoemde bouwplannen. Bewust is er niet voor gekozen om de resultaten van de quickscan voor het gehele gemeentelijke grondgebied af te wachten, nu dit de voortgang van de vergunde bouwprojecten te zeer zou vertragen. De vastgestelde (deel)Verordening moet in de visie van verweerder worden gezien als een voorloper van de verordening die zal gaan gelden voor het hele grondgebied.

3.15 Eiser heeft – zakelijk samengevat – onder meer aangevoerd dat de raad met het vaststellen van een deelverordening die niet is gebaseerd op een gebiedsvisie die het gehele gemeentelijke grondgebied beslaat, is getreden buiten de grenzen van de hem op grond van artikel 6 van de Wgv toegekende verordenende bevoegdheid. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat de Wgv uitgaat van een gebiedsgerichte benadering, zodat het aanwijzen van een tweetal bouwlocaties waarvoor een andere waarde geldt zich niet met dit in de Wgv neergelegde uitgangspunt verdraagt.

3.15.1 Voorop staat dat de andere waarde in de Verordening 2008 waarvan eiser de verbindendheid bestrijdt, een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in art. 8:2, aanhef en onder a, van de Awb betreft, waartegen als zodanig geen beroep kan worden ingesteld. Zoals de Afdeling evenwel eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2008, LJN BG5873) staat die bepaling niet in de weg aan een exceptieve toetsing van een dergelijk voorschrift. In het licht van deze exceptieve toetsing wordt het volgende overwogen.

3.15.2 De in artikel 6 van de Wgv opgenomen zinsnede "deel van het grondgebied" is niet nader gedefinieerd. Denkbaar is dat de wetgever daarmee een gebiedsgerichte benadering op het oog heeft gehad, namelijk met betrekking tot deelgebieden met een te onderscheiden typologisch karakter, zoals bijvoorbeeld het buitengebied, een recreatiegebied, een woonwijk of een dorpskern. Dat is echter niet duidelijk in de toelichting bij het wetsontwerp terug te vinden. Naar de letter van de wet kan ook voor een enkel perceel of bouwlocatie, zoals in casu voor het perceel [perceel], een andere waarde worden vastgesteld.

Zodanige “postzegelbenadering” kan er echter wel toe leiden dat een lappendeken aan normen ontstaat, hetgeen afbreuk doet aan het door de wetgever gewenste heldere, eenvoudige en eenduidige toetsingskader.

Daarom moet de gemeenteraad op grond van artikel 8 van de Wgv bij het bepalen van de andere waarde, bedoeld in artikel 6 van de Wvg, extra aandacht besteden aan de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied.

3.15.3 De rechtbank is van oordeel dat de raad daarin bij de voorbereiding van de Verordening 2008 tekort is geschoten. Het gevolg van de Verordening 2008 is dat voor de woning aan de [perceel] een maximale geurbelasting zal zijn toegestaan van 7,9 OUe/m³, terwijl voor de naastgelegen woningen, die ontegenzeglijk in dezelfde geurcontour zijn gelegen, de wettelijke maximale geurbelasting van 2,0 OUe/m³ blijft gelden.

Hoewel de wetgever uitdrukkelijk heeft voorgestaan dat de raad met het bij verordening vastleggen van een andere waarde maatwerk kan leveren om een gewenste ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken, is naar het oordeel van de rechtbank, in de aan de Verordening 2008 ten grondslag gelegde geurvisie, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom zodanig onderscheid wordt gemaakt.

Dat maakt dat de gemeenteraad aan de eis van artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wgv, inhoudende dat de gemeenteraad tevens de (in dit geval) gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied heeft betrokken, onvoldoende heeft voldaan, althans dat zulks niet kenbaar is uit de geurvisie.

3.16 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan de Verordening 2008, voor zover hierin de andere waarde is vastgesteld op 7,9 OUe/m³, wegens strijd met de wet verbindende kracht moet worden ontzegd, alsmede dat verweerder er niet in is geslaagd aan te tonen dat ter plaatse van de te bouwen woningen qua geurhinder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal heersen. De vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO ontbeert daarom een goede ruimtelijke onderbouwing.

3.17 Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

3.18 De rechtbank ziet aanleiding om in het kader van finale geschillenbeslechting te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Niet alleen heeft verweerder daarom gevraagd, ook de - inmiddels - vaste jurisprudentie van de Afdeling noopt de rechtbank daartoe.

In een uitspraak van 12 augustus 2009 ( LJN BJ5099, AB 2009,368) overweegt de Afdeling dat ingeval een besluit wordt vernietigd, de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil dient te onderzoeken. Daarbij dient zij onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende motiveert en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

3.19 In beroep (2 november 2009) heeft verweerder de rechtbank de (concept) Verordening geurhinder en veehouderij 2009 (hierna: Verordening 2009) en de daarbij horende Geurgebiedsvisie gemeente Groesbeek van G&O Consult van juni 2009 toegezonden. Deze Verordening 2009 is door de raad van de gemeente Groesbeek vastgesteld en is inmiddels in werking getreden. De Verordening 2009 ziet op het gehele grondgebied van de gemeente Groesbeek. In deze verordening is voor (delen van) dat grondgebied een andere waarde vastgesteld. Voor het gedeelte van het grondgebied waarbinnen het onderhavige bouwplan is gelegen, is de norm vastgesteld op 5 OUe/m³.

3.19.1 In het kader van de finale geschillenbeslechting zal de rechtbank ook nu moeten bezien of de Verordening 2009 verbindend is.

3.19.2 De rechtbank stelt vast dat aan deze verordening thans wel een uitvoerige gebiedsvisie ten grondslag heeft gelegen en dat ten aanzien van de verordening in dit geval inspraak heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat het aan de Verordening 2008 klevende gebrek, namelijk dat daaraan geen toereikende gebiedsvisie ten grondslag heeft gelegen, zich niet voordoet met betrekking tot de Verordening 2009.

3.19.3 Nu de keuze voor de norm 5 OUe/m³ voor het gebied waarin de bouwlocatie is gelegen is gebaseerd op een toereikende gebiedsvisie, ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat deze norm in strijd is met het bepaalde in de Wvg. In dit verband zij opgemerkt dat de gemeenteraad bij dergelijke keuzes een aanzienlijke mate van beoordelingsruimte toekomt.

3.19.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan niet staande worden gehouden dat de Verordening 2009, gelet op de Visie wonen en werken 2004, in strijd is met de Wvg.

3.20 Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de Verordening 2009 in strijd is met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvg, inhoudende dat bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in artikel 6, door de gemeenteraad in elk geval wordt betrokken het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging. Volgens eiser is nog altijd niet gekeken naar andere oplossingen welke voorgaan op het verhogen van de geurnorm, waarbij met name gekeken had moet worden naar de aanpassing van de bron van de geurhinder, te weten het agrarisch bedrijf van eiser.

3.20.1 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet gevolgd kan worden in zijn betoog.

Gebleken is dat de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde, bedoeld in artikel 6, het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging heeft betrokken.

Uit het bepaalde in artikel 8, eerste lid, sub b, van de Wgv noch de parlementaire geschiedenis volgt dat een verordening eerst in beeld komt nadat is vastgesteld dat andere oplossingen, waaronder aanpassingen aan de bron, niet kunnen worden gerealiseerd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van een andere waarde op grond van de Wvg een geïntegreerde aanpak op vergunningsniveau niet in de weg staat.

De vaststelling van de andere waarde bij verordening mag niet leiden tot een verplaatsing van de verontreiniging naar een ander milieucompartiment. Hiervan is de rechtbank echter niet gebleken.

3.21 Hetgeen eiser ter zitting met betrekking tot de Verordening 2009 en de bijbehorende geurgebiedsvisie overigens naar voren heeft gebracht brengt niet met zich dat aan de verbindendheid van de nieuwe verordening moet worden getwijfeld.

3.22 De rechtbank stelt voorts vast dat de geurbelasting op de bouwlocatie ongeveer 7,9

OUe/m³ bedraagt en derhalve boven de bij verordening vastgestelde andere waarde van 5 OUe/m³ ligt.

3.22.1 Ter zitting heeft verweerder in dit verband gewezen op het in de Verordening 2009 opgenomen overgangsrecht. Verweerder heeft betoogd dat rekening gehouden dient te worden met reeds vergunde rechten met betrekking tot het perceel [perceel]. Voorts is gesteld dat ten aanzien van het perceel [perceel] niet in strijd met de wet is gehandeld nu binnen de in artikel 6 van de Wvg genoemde bandbreedte van 0,1-8 is gebleven.

3.22.2 Verweerder kan hierin niet worden gevolgd.

In artikel 5, tweede lid, van de Verordening 2009 (met het kopje: overgangsrecht) is vermeld dat voor de lopende procedure [perceel], waar de gemeenteraad reeds positief over heeft besloten, het college conform de eerdere besluitvorming van de gemeenteraad ontheffing kan verlenen van de norm als bedoeld in artikel 3.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de systematiek van de Wvg, er van moet worden uitgegaan dat er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, nu de geurbelasting immers de op de bouwlocatie toegestane andere waarde 5 OUe/m³ overschrijdt. Dat in artikel 5 van de Verordening 2009 is vermeld dat ten aanzien van dit perceel een ontheffing kan worden verleend doet daar niet aan af. Wat er ook zij van de aanvaardbaarheid van deze uitzondering, niet betwist is dat deze ontheffing niet is verleend.

Voorts is van belang dat de in de Verordening 2008 opgenomen hogere waarde van 7,9 OUe/m³, waar verweerder de vrijstelling op heeft gebaseerd, onverbindend is.

Het enkele feit dat de geurbelasting op de vergunde woning binnen de wettelijke bandbreedte van 0,1-8 blijft brengt niet met zich dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit standpunt van verweerder is ook in strijd met het gegeven dat de raad van de gemeente Groesbeek juist voor deze locatie de toegestane geurbelasting op 5 OUe/m³ heeft gesteld.

Hieruit volgt dat ook thans betwijfeld moet worden of er vanwege geurhinder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal heersen, hetgeen met zich brengt dat vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert.

3.23 Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

3.24 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Het is aan verweerder om te bezien of de voor de vrijstelling vereiste goede ruimtelijke onderbouwing op het aspect geurhinder nog kan worden gegeven.

3.25 Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 maart 2008 met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.N. Crol, voorzitter, mrs. A.A.J. de Gier en H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 19 januari 2010.